ECLI:NL:GHDHA:2025:2531

ECLI:NL:GHDHA:2025:2531, Gerechtshof Den Haag, 02-12-2025, 200.351.551/01

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer 200.351.551/01
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2024:11951
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005290

Samenvatting

Arbeidsovereenkomst, ontslag op staande voet. Overtreding van het non-concurrentiebeding en het nevenwerkzaamhedenbeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team handel

Zaaknummer : 200.351.551/01

Zaaknummer rechtbank : 11195143 VZ VERZ 24-6295

Beschikking van 2 december 2025

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonend in [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.B. van Voorthuizen, kantoorhoudend in Utrecht,

tegen:

Antes Zorg B.V.

gevestigd in Poortugaal,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.V.H. van Tricht, kantoorhoudende in Middelharnis.

Het hof zal partijen hierna de [verzoeker] en Antes noemen.

1. De zaak in het kort

De werkgever (een instelling gespecialiseerd in psychiatrie en verslaving) heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De aanleiding daarvoor is dat zich een fysiek incident heeft voorgedaan op de werkvloer waarbij de werknemer een patiënt herhaaldelijk zou hebben geslagen. Het hof is van oordeel dat de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding onterecht was omdat sprake was van een opzegverbod wegens ziekte. Aan de werknemer is een billijke vergoeding toegekend.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

het verzoekschrift in hoger beroep, ingekomen op de griffie van het hof op 17 februari 2025, waarmee [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter Rotterdam van 13 november 2025, met bijlagen;

het verweerschrift in hoger beroep van Antes, tevens verzoekschrift in incidenteel hoger beroep, met bijlagen;

het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van [verzoeker] .

Op 12 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] heeft voor die gelegenheid nog producties in het geding gebracht. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Feiten en procedure bij de kantonrechter

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

Antes is een GGZ-instelling die is gespecialiseerd in psychiatrie en verslaving. Zij richt zich op het herstel van volwassenen en ouderen met (ernstige) psychiatrische aandoeningen.

[verzoeker] is sinds 1 oktober 2014 in dienst van Antes als begeleider 3. Hij was werkzaam op de afdeling ‘Laagdrempelige Opvang Psychiatrische Patiënten’ (LOPP).

Op 18 september 2023 is [verzoeker] uitgevallen wegens ziekte. Begin februari 2024 is een aanvang gemaakt met re-integratie bij de LOPP.

Op 20 maart 2024 in de ochtend was [verzoeker] bezig met het uitzetten van medicijnen. Op een gegeven moment kwam de heer [patiënt 1] , een patiënt, het kantoor binnen. Er heeft vervolgens een fysiek incident plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [patiënt 1] . Vast staat dat [patiënt 1] als eerste fysiek werd.

In deze procedure heeft Antes ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Zij heeft de kantonrechter daarbij verzocht geen rekening te houden met de geldende opzegtermijn en geen transitievergoeding toe te kennen. Antes heeft aangevoerd dat [verzoeker] excessief geweld heeft gebruikt tegen [patiënt 1] door hem een of meerdere klappen in het gezicht en/of op het hoofd te geven. Als gevolg daarvan heeft [patiënt 1] bloedend letsel in zijn gezicht opgelopen. Ook heeft [verzoeker] volgens Antes toegelaten dat een andere patiënt ( [patiënt 2] , die ook in het kantoor aanwezig was) [patiënt 1] klappen gaf. Dit rechtvaardigt volgens Antes ontbinding op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen (e-grond), op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) of op grond van een combinatie van omstandigheden (i-grond).

[verzoeker] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van Antes. Volgens hem is de toedracht als volgt geweest. [patiënt 1] kwam het kantoor binnenlopen om zijn medicatie op te halen. [verzoeker] heeft het zakje medicijnen dat was bestemd voor [patiënt 1] , opengescheurd en hem de medicatie in de hand gegeven. [verzoeker] wilde weer aan het werk gaan, maar kreeg onverwacht een vuistslag op zijn rechteroog. [patiënt 1] wilde nogmaals slaan, maar [verzoeker] heeft [patiënt 1] weggeduwd waardoor [patiënt 1] ten val is gekomen. Ondertussen was er een andere patiënt, [patiënt 2] , binnengekomen die [verzoeker] te hulp is geschoten.

In het geval het ontbindingsverzoek wordt toegewezen, heeft [verzoeker] verzocht om toekenning van een transitievergoeding van € 14.688,80 bruto en een billijke vergoeding van € 34.882,28 bruto. Wanneer de arbeidsovereenkomst op de i-grond wordt ontbonden verzoekt [verzoeker] om de transitievergoeding te verhogen met € 7.344,40 bruto.

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2025 ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter is van oordeel dat de stelling van Antes dat [verzoeker] heeft geslagen en (met behulp van [patiënt 2] ) is blijven slaan, onvoldoende is onderbouwd. Daarom is de arbeidsovereenkomst niet ontbonden op grond van verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Aan [verzoeker] is een transitievergoeding van € 14.504,59 toegekend. Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat Antes niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat [verzoeker] geen aanspraak kan maken op een billijke vergoeding.

4. Beoordeling in hoger beroep

[verzoeker] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking. Hij heeft het hof verzocht:

voor recht te verklaren dat sprake is van een opzegverbod zodat de arbeidsovereenkomst niet kan worden beëindigd.

Antes te veroordelen de arbeidsovereenkomst (al dan niet met terugwerkende kracht) te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Antes te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van het brutoloon van Antes over de periode dat de arbeidsovereenkomst niet is hersteld, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging;

Antes te veroordelen om een voorziening te treffen voor niet opgebouwd pensioen over de periode waarin de arbeidsovereenkomst nog niet is hersteld;

Antes te veroordelen tot betaling van het brutoloon vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst is hersteld.

Subsidiair, voor het geval Antes niet wordt veroordeeld tot herstel van de arbeidsovereenkomst, heeft [verzoeker] het hof verzocht om Antes te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 71.760,- bruto.

Antes heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale hoger beroep van [verzoeker] . In incidenteel hoger beroep heeft Antes het hof verzocht voor recht te verklaren dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, de datum van de ontbinding te bepalen op 13 november 2024, en te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding en op loon vanaf 13 november 2024. Antes heeft verder verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot terugbetaling van de reeds betaalde transitievergoeding en het door hem ontvangen loon vanaf 13 november 2024.

Is er sprake van een opzegverbod wegens ziekte?

Vaststaat dat [verzoeker] nog niet volledig arbeidsgeschikt was toen het incident zich voordeed dat tot het ontbindingsverzoek heeft geleid en dat [verzoeker] sindsdien arbeidsongeschikt is geweest.

Het verzoek van Antes tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is slechts mogelijk als er geen opzegverbod wegens ziekte geldt (art. 7:671b lid 2 BW en art. 7:670 lid 1 BW). Op dit uitgangspunt gelden uitzonderingen. Als er een opzegverbod van toepassing is, kan de rechter een verzoek tot ontbinding (voor zover gebaseerd op art. 7:669 lid 3 onder b tot en met i BW) toch inwilligen indien het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft of indien er sprake is van omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen (art. 7:671b lid 6, onder a en b, BW). Naar het oordeel van het hof zijn deze uitzonderingen in dit geval niet van toepassing. Dat wordt hieronder toegelicht.

De eerste uitzondering (het verzoek houdt geen verband met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft) gaat alleen op als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, zich volledig laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en als díe omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond.

Tussen partijen staat vast dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] mede verband houdt met de omstandigheden op zijn werk. In de spreekuuradviezen van de bedrijfsarts staat hierover het volgende.

In een verslag van 8 november 2023 is vermeld dat [verzoeker] beperkingen heeft in het domein van persoonlijk functioneren. Zijn klachten zijn 80% werk gerelateerd en daarnaast is er sprake van meerdere life events in de privésfeer. De bedrijfsarts vermeldt verder dat werknemer onveiligheid op de werkvloer ervaart en zich niet serieus genomen voelt door zijn werkgever. Over de mogelijkheden tot re-integratie merkt de bedrijfsarts op: “Werknemer wordt door mij in staat geacht om op termijn van enkele weken in gesprek te gaan op werkvloer met nieuwe lg over veiligheid.”

In een verslag van 20 december 2023 wordt opnieuw melding gemaakt van het feit dat [verzoeker] onveiligheid ervaart op de werkvloer. Verder wacht hij nog op een gesprek met de leidinggevende om de “beheersmaatregelen” door te nemen. De bedrijfsarts is van mening dat er tot aan dat gesprek marginale mogelijkheden zijn in arbeid. Afhankelijk van de uitkomst van het gesprek kan er volgens de bedrijfsarts in januari 2024 worden gestart met de re-integratie.

In een verslag van 1 februari 2024 staat dat het gesprek met de leidinggevende inmiddels achter de rug is. Dat gesprek ging goed. [verzoeker] heeft met zijn leidinggevende een opbouwschema gemaakt vanaf week 6 tot week 14. Daarna zou [verzoeker] weer 100% zijn gere-integreerd.

In een (ongedateerd) aanvullend verslag naar aanleiding van een telefonisch consult met [verzoeker] heeft de bedrijfsarts zijn advies aangevuld. De bedrijfsarts adviseert de komende 2-3 maanden enkel dagdiensten in te plannen. Ook adviseert de bedrijfsarts dat [verzoeker] daarbij moet kunnen terugvallen op de pool van vaste medewerkers en het FACT team bij problemen/terugval/escalatie.

In een verslag van 14 maart 2024 staat dat [verzoeker] op dat moment enkel tussen 07.00 en 15.00 uur in dagdiensten werkt. “Hij geeft aan geen avonddiensten meer te willen draaien enkel met flexwerkers, onervaren en avondhoofd enkel telefonisch te consulteren op andere locatie. Heeft medische klachten in rubriek Persoonlijk functioneren, mede t.g.v. aantal recente incidenten binnen/buiten kliniek.” Het advies van de bedrijfsarts houdt het volgende in: “tot juni 2024 voornamelijk op dagdiensten en incidenteel op avonden mits er voldaan wordt aan aantal voorwaarden zie hierboven. Pas indien hieraan voldaan wordt is er voor werknemer een veilige situatie ontstaan en nemen zijn klachten/beperkingen af. Daarnaast overweegt de werknemer een overstap intern waarover hij nog met zijn leidinggevende in gesprek gaat.”

Antes heeft [verzoeker] verweten dat hij tijdens het incident van 20 maart 2024 onvoldoende oog heeft gehad voor de kwetsbare toestand van [patiënt 1] , onvoldoende de-escalerend heeft opgetreden en in plaats daarvan heftig geweld heeft toegepast, hoewel de-escalatie van [verzoeker] als professionele zorgverlener wel had kunnen worden verwacht. [verzoeker] had zichzelf in de hand behoren te houden. Antes is van mening dat dit gedrag [verzoeker] ernstig verwijtbaar is en dat de arbeidsrelatie onherstelbaar verstoord is geraakt.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat het incident van 20 maart 2024 niet los kan worden gezien van de psychische toestand waarin hij voorafgaand aan het incident verkeerde. Antes had zich namelijk niet gehouden aan de re-integratieafspraken die zij met [verzoeker] had gemaakt, te weten dat hij gedurende de opbouwperiode tot 1 april 2024 zou kunnen terugvallen op een pool van vaste medewerkers en het FACT team. Het ontbindingsverzoek houdt volgens [verzoeker] dan ook verband met zijn psychische toestand als gevolg van langdurig opgehoopte frustratie en een structureel gevoel van onveiligheid op de werkvloer.

Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] terecht bepleit dat het ontbindingsverzoek verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. De door Antes aangevoerde omstandigheden laten zich niet abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft. Uit de verslagen van de bedrijfsarts volgt immers dat het gevoel van onveiligheid op de werkvloer een belangrijke reden was voor de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] . Als het juist is dat (zoals Antes stelt, maar [verzoeker] betwist) [verzoeker] de situatie met [patiënt 1] volstrekt onprofessioneel heeft aangepakt door [patiënt 1] meerdere klappen te geven, dan is aannemelijk dat dat gedrag mede verband met de omstandigheden die hebben geleid tot zijn arbeidsongeschiktheid, te weten (kort gezegd) frustratie over de (volgens [verzoeker] ) onveilige werkomstandigheden. Om deze reden komt Antes geen beroep toe op art. 7:671b lid 6, onder a, BW.

De tweede uitzondering op het opzegverbod is dat er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer dient te eindigen. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een zieke werknemer wiens gezondheidstoestand alleen maar verslechtert door het in stand laten van de arbeidsovereenkomst. In een dergelijk uitzonderlijk geval kan de rechter dan toch overgaan tot ontbinding. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat het in het belang van [verzoeker] is dat de arbeidsovereenkomst eindigde. Zoals gezegd, uit de stukken blijkt dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] mede verband houdt met het feit dat hij de situatie op werkvloer al gedurende langere tijd als onveilig ervoer. Gedurende de re-integratieperiode is [verzoeker] zelf tot de conclusie gekomen dat overplaatsing naar een andere locatie in zijn belang zou kunnen zijn, omdat er bij de LOPP, naar zijn zeggen, sinds zijn ziekmelding niets was veranderd was. Een (al dan niet tijdelijke) overplaatsing naar een andere locatie zou dus mogelijk goed zijn geweest voor zijn verdere herstel. Het kan dan ook niet worden gezegd dat een verdergaande maatregel (ontbinding van de arbeidsovereenkomst) in het belang van [verzoeker] is. Om deze reden komt Antes ook geen beroep toe op art. 7:671b lid 6, onder b, BW.

De conclusie is dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst in strijd met het opzegverbod heeft ontbonden.

Herstel van de arbeidsovereenkomst of een billijke vergoeding?

De kantonrechter heeft het verzoek van Antes om ontbinding van de arbeidsovereenkomst dus ten onrechte toegewezen. In deze situatie staat het hof voor de keuze om Antes te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen (art. 7:683 lid 3 BW).

[verzoeker] heeft in zijn beroepschrift het hof verzocht om Antes te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Op basis van de mededelingen van partijen over en weer tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof echter moeten constateren dat herstel van de arbeidsovereenkomst niet realistisch is. Daarvoor zou een zekere vertrouwensbasis moeten bestaan, maar die is inmiddels volledig komen te ontbreken. Het zou wellicht denkbaar zijn dat [verzoeker] in een functie op een andere locatie aan de slag zou kunnen, maar het hof heeft op basis van wat partijen hebben aangevoerd niet kunnen vaststellen dat daarvoor reële mogelijkheden bestaan. Herstel van de arbeidsovereenkomst ligt daarom niet in de rede.

Antes zal dus worden veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding aan [verzoeker] .

Omvang van de billijke vergoeding

[verzoeker] heeft in het beroepschrift een billijke vergoeding verzocht van € 71.760,- bruto. Dit bedrag heeft hij als volgt berekend.

[verzoeker] is uitgegaan van zijn laatstverdiende salaris van € 3.862,- bruto, te vermeerderen met vakantiegeld en andere toeslagen. Zijn salaris komt dan uit op € 4.808,97 bruto. Hij is ervan uitgegaan dat Antes de billijke vergoeding gelijk zou moeten zijn aan het totale salaris dat hij zou hebben gekregen tot aan het einde van het tweede ziektejaar, te weten 15 september 2025.

[verzoeker] ontvangt sinds het einde van de arbeidsovereenkomst (1 januari 2025) een ziektewetuitkering. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij laten weten dat dat (ongeveer) € 2.100,- netto per maand is. Volgens [verzoeker] moet er bij het vaststellen van de billijke vergoeding geen rekening worden gehouden met deze uitkering.

[verzoeker] maakt als onderdeel van de billijke vergoeding aanspraak op een immateriële schadevergoeding van € 10.000,-.

[verzoeker] is daarnaast van mening dat Antes hem een bedrag van € 885,- moet vergoeden. Dit is het eigen risico dat hij aan zijn zorgverzekeraar heeft betaald voor zorg die hij nodig had als gevolg van het incident.

Tot slot heeft [verzoeker] als onderdeel van de billijke vergoeding aanspraak gemaakt op de vergoeding van de pensioenschade. In het beroepschrift heeft hij deze schade voorlopig begroot op € 20.000,-.

Ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] een meer concrete berekening gemaakt van zijn pensioenschade. Tot aan de pensioengerechtigde leeftijd bedraagt deze schade € 30.195,18. Tot het einde van het tweede ziektejaar heeft [verzoeker] de schade berekend op € 6.179,38.

De rechter dient de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. In dit geval zal in het bijzonder rekening moeten worden gehouden met het loon dat [verzoeker] zou hebben genoten als de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet had plaatsgevonden, alsmede de inschatting hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd als het ontbindingsverzoek wordt weggedacht. Dit zijn ook – in essentie – de omstandigheden op basis waarvan [verzoeker] heeft bepaald hoe hoog de billijke vergoeding volgens hem zou moeten zijn.

Dit leidt tot de volgende berekening. Voor het bepalen van de billijke vergoeding wordt aangesloten bij het salaris dat [verzoeker] zou hebben verdiend tot aan het einde van zijn tweede ziektejaar, te weten 15 september 2025. Dit is een bedrag van 8,5 x € 4.808,97 = € 40.876,25. Antes heeft dit bedrag op zichzelf niet bestreden. [verzoeker] heeft zijn pensioenschade tot aan het einde van het tweede ziektejaar berekend op € 6.179,38. Dat [verzoeker] nadeel ondervindt bij de opbouw van zijn pensioen, is aannemelijk. Antes heeft de door [verzoeker] overgelegde berekening niet voldoende concreet bestreden, zodat ook met dit bedrag rekening zal worden gehouden bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding. Anders dan [verzoeker] aanvoert, komt hierop de ziektewetuitkering in aftrek. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] toegelicht dat hij een bedrag van ongeveer € 2.100,- netto per maand ontvangt, wat neer zou komen op rond de € 17.850,- netto over de periode 1 januari 2025 tot 15 september 2025. Omdat het hof de precieze (bruto) bedragen niet kent, zal het hof daarvan een inschatting moeten maken. Alles afwegend, acht het hof het redelijk om de billijke vergoeding vast te stellen op € 25.000,- bruto. Dat [verzoeker] , zoals hij stelt, materiële schade (eigen risico in verband met ziektekosten) heeft geleden als gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is niet komen vast te staan. Deze schadepost zal het hof dan niet meenemen in de billijke vergoeding. Datzelfde geldt voor de immateriële schadevergoeding die [verzoeker] claimt als onderdeel van de billijke vergoeding. Tot slot moet Antes wettelijke rente betalen over de billijke vergoeding wanneer zij deze niet binnen veertien dagen na deze uitspraak betaalt.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om het hiervoor genoemde bedrag aan billijke vergoeding te verhogen op de grond dat Antes ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [verzoeker] heeft aangevoerd dat Antes stelselmatig heeft verzuimd om maatregelen te treffen die het lichamelijk en geestelijk welzijn van haar werknemers, waaronder [verzoeker] , waarborgen. Hij heeft enige voorbeelden gegeven van de maatregelen die Antes had kunnen nemen, maar die jarenlang niet zijn genomen. Het is echter niet gebleken dat deze verwijten aan het adres van Antes in voldoende mate verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] , laat staan dat is komen vast te staan dat Antes ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de door [verzoeker] genoemde maatregelen niet te treffen.

Meer concreet heeft [verzoeker] Antes verweten dat het incident van 20 maart 2024 (mogelijk) had kunnen worden voorkomen als [patiënt 1] niet zo gemakkelijk de kantoorruimte had kunnen binnenlopen en/of als er die ochtend vaste krachten waren ingeroosterd. Het hof overweegt hierover als volgt. Het is inderdaad denkbaar dat het incident niet zou hebben plaatsgevonden als de omstandigheden waaronder [verzoeker] op 20 maart 2024 zijn werk verrichtte, anders waren geweest. De door [verzoeker] genoemde maatregelen hadden wellicht kunnen helpen. Dit betekent echter niet dat Antes ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door deze maatregelen niet te treffen. Daarbij is van belang dat [verzoeker] werkzaam was op een locatie waar mensen verbleven met drugsverslaving en/of ernstige psychiatrische problematiek en dat Antes te kampen had met personeelstekorten en beperkte financiële middelen. Tegen deze achtergrond is het nalaten van Antes mogelijk verwijtbaar te noemen, maar niet ernstig verwijtbaar.

Tot slot heeft [verzoeker] Antes verweten dat zij hem onvoldoende nazorg heeft gegeven na het incident met [patiënt 1] en dat Antes haar re-integratieverplichtingen ten opzichte van [verzoeker] heeft veronachtzaamd. Ook deze omstandigheden leiden er niet toe dat er een hogere billijke vergoeding moet worden toegekend, omdat deze omstandigheden geen, althans onvoldoende, verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Proceskosten eerste aanleg

[verzoeker] heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de kosten heeft gecompenseerd. Deze grief slaagt. Gezien de uitkomst van het hoger beroep is Antes de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Zij zal in de kosten van de eerste aanleg worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 814,-.

Incidenteel hoger beroep van Antes

Antes heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dit zou volgens haar tot gevolg moeten hebben dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst had moeten plaatsvinden per 13 november 2024 (datum beschikking kantonrechter) en dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat Antes niet het bewijs heeft geleverd dat [verzoeker] [patiënt 1] heeft geslagen, is blijven slaan en daarbij hulp zou hebben gehad van een andere patiënt ( [patiënt 2] ). Het hof verwijst daarvoor naar de rov. 2.6.1 tot en met 2.6.3 van de bestreden beschikking. Meer in het bijzonder is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de verklaringen van [collega] (collega van [verzoeker] ) onvoldoende overtuigingskracht hebben omdat deze tegenstrijdig zijn. Antes beroept zich erop dat uit de tweede verklaring van [collega] blijkt hij aan de politie aanvankelijk “door de heftigheid van het incident” heeft verklaard dat [verzoeker] door [patiënt 1] werd geslagen (en niet andersom), maar dat toen hij tot rust was gekomen tot de conclusie is gekomen dat die verklaring niet klopte. Het komt het hof voor dat de uitleg van [collega] voor zijn tegenstrijdige verklaringen niet zonder meer betekent dat zijn tweede verklaring wél betrouwbaar is. Daarbij komt dat [collega] , blijkens zijn verklaring tegenover de onderzoekscommissie, slechts getuige is geweest van een gedeelte van het incident en alleen heeft gezien dat [verzoeker] een slaande beweging (naar het hof begrijpt: in de richting van [patiënt 1] ) maakte en riep “kom dan, kom dan”. Dat zou kunnen betekenen dat [verzoeker] [patiënt 1] een klap heeft gegeven en dat hij [patiënt 1] heeft uitgedaagd, maar niet dat hij is blijven slaan.

Het is weliswaar duidelijk dat zich meer heeft afgespeeld dan dat [patiënt 1] [verzoeker] een vuistslag in zijn gezicht heeft gegeven, waarna [verzoeker] [patiënt 1] van zich heeft afgeduwd, maar wat er precies is voorgevallen, staat niet vast. Daarvoor zijn de getuigenverklaringen te weinig nauwkeurig en in sommige gevallen ook niet helemaal betrouwbaar. Wel is duidelijk dat [patiënt 1] als gevolg van het incident met een bloedend hoofd is weggelopen, maar dat betekent niet zonder meer dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat ‘veel bloed’ niet hoeft te betekenen dat [verzoeker] buitensporig heeft gehandeld en [patiënt 1] ernstige verwondingen heeft toegebracht. Daarbij komt dat als [verzoeker] al overdreven heeft gereageerd, dat in de omstandigheden waarin hij zijn werk moest doen en het feit dat hij te maken had met een plotseling fysiek agressieve patiënt, niet ernstig verwijtbaar is.

Antes heeft tot slot nog een beroep gedaan op een brief waarin de Officier van Justitie mededeelt dat de aangifte [verzoeker] tegen [patiënt 1] onvoorwaardelijk wordt geseponeerd. Daarin staat onder meer: “De forse discrepantie tussen het letsel van de verdachte [patiënt 1] en dat van aangever [verzoeker] , roept daarbij op zichzelf al de vraag op of het niet [verzoeker] is die zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.” Naar het oordeel van het hof bevat deze brief slechts een suggestie dat [verzoeker] [patiënt 1] zou kunnen hebben mishandeld, maar is deze brief niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

De conclusie is dat het incidentele appel ongegrond is.

Slotsom

De slotsom is dat [verzoeker] succes heeft met zijn hoger beroep, met dien verstande dat dit (behoudens de proceskostenveroordeling in eerste aanleg) niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kan leiden. Wel zal Dexia worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoeker] . Antes heeft geen succes met haar hoger beroep.

Antes zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het principale en het incidentele hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 326,- aan griffierechten, € 2.428,- aan salaris advocaat voor het principaal appel (2 punten, tarief II), € 1.214 aan salaris advocaat voor het incidenteel appel (1 punt, tarief II) en op € 178,- aan nakosten. In totaal gaat het om € 4.146,-.

5. Beslissing

Het hof:

- vernietigt de tussen partijen gewezen beschikking van de kantonrechter van 13 november 2024 voor zover daarbij de proceskosten zijn gecompenseerd,

en opnieuw rechtdoende:

o veroordeelt Antes in de kosten van de procedure bij de kantonrechter, aan de zijde van [verzoeker] tot op 13 november 2024 begroot op € 814,-;

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, R.S. van Coevorden en A.R. Houweling en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2025-1563 PR-Updates.nl 2026-0008
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?