ECLI:NL:GHDHA:2025:2537

ECLI:NL:GHDHA:2025:2537, Gerechtshof Den Haag, 02-04-2025, 200.340.629/01

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2025
Datum publicatie 11-12-2025
Zaaknummer 200.340.629/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0019057

Samenvatting

Zorgregeling. Kinderalimentatie: inkomen vader, woonlasten, inkomen moeder, zorgkorting. Bekrachtiging bestreden beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.340.629/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 23-248

zaaknummer rechtbank : C/09/641200

beschikking van de meervoudige kamer van 2 april 2025

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Oedayrajsingh Varma te Zoetermeer,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.P. Lagerweij te Delft.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 december 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

De moeder is op 21 maart 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De vader heeft op 10 juli 2024 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:

een brief van de moeder van 29 mei 2024 met bijlagen;

een journaalbericht van de moeder van 23 januari 2025 met bijlage;

een journaalbericht van de vader van 22 januari 2025 met bijlagen, ingekomen op 23 januari 2025;

een journaalbericht van de moeder van 26 januari 2025 met bijlagen.

De hierna in 3.3 te noemen minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening aan het hof kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek om wijziging van de zorgregeling. De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] heeft daarvan gebruik gemaakt.

De mondelinge behandeling heeft op 6 februari 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De raad is, overeenkomstig zijn brief van 8 januari 2025, niet ter zitting verschenen.

3. De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

Partijen zijn gehuwd geweest tot 1 november 2021.

Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] )

(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).

De minderjarigen verblijven thans bij de moeder.

De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 21 september 2021 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Verder is -voor zover nu van belang-:

- bepaald, conform hetgeen partijen na een schorsing van de mondelinge behandeling overeen waren gekomen, dat de kinderen bij de vader zullen zijn:

o iedere woensdag uit school tot 19:00 uur;

o gedurende twee uit de vijf weekenden (als hij niet werkt) van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur, waarbij geldt dat zolang de vader nog niet beschikt over een eigen woonruimte de kinderen bij de moeder overnachten;

o waarbij de vader de kinderen zowel haalt als brengt;

- bepaald dat de vader aan de moeder, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen, van € 526,- per maand zal betalen.

Bij beschikking van dit hof van 27 september 2023 is voormelde beschikking van 21 september 2021 bekrachtigd.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4. De omvang van het geschil

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 21 september 2021, de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 9 januari 2023 bepaald op € 102,- per maand per kind, vanaf de datum van de bestreden beschikking telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. Het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling is afgewezen.

De moeder is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het hof om voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover de moeder daartegen grieft) en, opnieuw beschikkende:

I. wijziging van de omgangsregeling, waarin de minderjarigen tijdens omgang met de vader, twee weekenden in de vijf weken, niet meer bij de moeder zullen logeren;

II. vaststelling van de kinderalimentatie, waarin de vader een bijdrage betaalt van € 825,- aan de moeder, althans een bijdrage welke het hof juist acht.

De vader voert verweer. Hij verzoekt het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.

5. De motivering van de beslissing

Zorgregeling

Het hof acht de moeder ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de zorgregeling. Onderdeel van de geldende zorgregeling, welke regeling in 2021 door partijen is overeengekomen, is dat zolang de vader nog niet beschikt over een eigen woonruimte, de minderjarigen bij de moeder overnachten. Het hof volgt de moeder in haar stelling dat de overeengekomen regeling een tijdelijk karakter had. De afspraak veronderstelde dat de vader binnen afzienbare tijd een zelfstandige woning zou hebben, hetgeen niet het geval is geweest. De tijdelijke regeling heeft op die manier al bijna 3.5 jaar voortgeduurd. De moeder heeft in appel gesteld dat de huidige regeling waarbij de minderjarigen in het weekend waarin de vader omgang heeft nog steeds bij haar logeren, een te zware belasting voor de minderjarigen en voor haar is gebleken. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat de zorgregeling inmiddels niet meer conform afspraak wordt uitgevoerd omdat de minderjarigen ook bij oma (vz) logeren, hetgeen voldoende wijziging van omstandigheden is die tot een wijziging van de zorgregeling moet leiden. Het hof zal het verzoek van de moeder daarom inhoudelijk beoordelen.

Op basis van de tussen partijen afgesproken zorgregeling (welke bij beschikking van de rechtbank van 21 september 2021 is vastgelegd en bij beschikking van dit hof op 27 september 2023 is bekrachtigd) zijn de minderjarigen bij de vader: iedere woensdag uit school tot 19:00 uur en gedurende twee uit de vijf weekenden (als de vader niet werkt) van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur, waarbij geldt dat zolang de vader nog niet beschikt over een eigen woonruimte de minderjarigen bij de moeder overnachten. Partijen hebben verklaard dat de minderjarigen in de praktijk echter twee weekenden per vijf weken bij de vader zijn van zaterdagochtend tot zondag 19.00 uur, met de kanttekening dat zij zaterdag bij oma (vz) overnachten in plaats van bij de moeder. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gaan daarnaast iedere woensdag uit school tot 19.00 uur naar de vader. [minderjarige 1] gaat niet op de woensdagen naar de vader.

Het hof begrijpt het verzoek van de moeder aldus dat zij wil dat de zorgregeling wordt vastgesteld conform de regeling zoals die feitelijk wordt uitgevoerd. De vader wil dat de zorgregeling ongewijzigd blijft, omdat hij op zeer korte termijn een nieuwe woning zal hebben waarin hij de minderjarigen een eigen plek kan bieden zodat de zorgregeling weer volledig kan worden nagekomen. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij inmiddels een koopovereenkomst voor een nieuwe woning heeft getekend en verwacht in maart 2025 naar de nieuwe woning te verhuizen.

Het hof is van oordeel dat hoewel sprake is van een wijziging van omstandigheden, deze niet noopt tot wijziging van de zorgregeling. De vader zal op zeer korte termijn een woning hebben waarmee hij in staat is de zorgregeling wel volledig na te komen. Dat de minderjarigen op dit moment gewend zijn aan een andere feitelijke uitvoering van de zorgregeling, betekent niet dat de vader en de minderjarigen daarom de mogelijkheid moet worden ontnomen om de bestaande zorgregeling volledig uit te voeren conform de wens van de vader. Met betrekking tot [minderjarige 1] overweegt het hof nog als volgt. [minderjarige 1] is op een leeftijd waarop niet van haar verwacht kan worden dat zij zich strikt houdt aan welke regeling dan ook. Dat is echter op zichzelf geen reden om de bestaande regeling voor haar te wijzigen. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] ook niet aangegeven dat zij een andere of geheel geen regeling vastgelegd zou willen hebben. Zij vindt het prettig dat zij van haar vader de ruimte krijgt om de regeling in te vullen op een manier die bij haar eigen schema past. Het hof ziet, met inachtneming van wat de moeder heeft aangevoerd, ook verder geen contra-indicaties die aan de uitvoering van de bestaande zorgregeling in de weg staan.

Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling bekrachtigen.

Kinderalimentatie

Het hof zal hieronder de tussen partijen in het geschil zijnde onderwerpen bespreken. Het hof gaat daarbij achtereenvolgens in op (i) het inkomen van de vader, (ii) de woonlasten van de vader, (iii) het inkomen van de moeder en (iv) de zorgkorting.

(i) Inkomen van de vader

De moeder heeft in haar beroepschrift gegriefd tegen de vaststelling van het inkomen van de vader. Volgens de moeder is onvoldoende concreet door de rechtbank vastgesteld dat er daadwerkelijk een achteruitgang in zijn inkomsten in geweest. Het hof is van oordeel dat de vader met de overgelegde inkomensspecificaties en zijn toelichting ter zitting dat hij een volledige uitkering krijgt op basis van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA-uitkering) die -los van indexering- niet zal wijzigen, voldoende concreet heeft aangetoond dat zijn inkomen vanwege zijn ziekte aanzienlijk is gedaald. Deze grief van de moeder slaagt daarom niet.

(ii) De woonlasten van de vader

Voor zover de moeder heeft betoogd dat er rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlasten van de vader, in plaats van met het (forfaitaire) woonbudget, overweegt het hof als volgt. Kinderalimentatie wordt in beginsel vastgesteld op basis van een forfaitair systeem, waarvan in beginsel een forfaitair vastgestelde woonlast onderdeel uitmaakt. Hiervan kan worden afgeweken indien met de berekende (totale) draagkracht (van de ouders) (mogelijk) niet geheel in de behoefte van de minderjarige(n) kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de berekende forfaitaire woonlast (zie Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586). Over de woonlasten van de vader en het antwoord op de vraag of die als duurzaam aanmerkelijk lager kunnen worden aangemerkt, heeft dit hof reeds in de beschikking van 27 september 2023 een uitgebreid gemotiveerd oordeel gegeven. In die beschikking oordeelde het hof dat geen sprake was van een duurzaam aanmerkelijk lagere woonlast, omdat de woning die de vader tegen een lager bedrag dan het forfaitaire woonbudget onderhuurde slechts tijdelijk door hem bewoond zou worden. Die situatie is thans ongewijzigd, in die zin dat de vader -naar verwachting in maart 2025- vanuit die woning verhuist naar een koopwoning. Zijn woonlasten zullen in die koopwoning -naar verwachting- niet aanmerkelijk lager zijn dat het forfaitaire woonbudget. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om van dat woonbudget af te wijken. Ook deze grief van de moeder slaagt niet.

(iii) Het inkomen van de moeder

De moeder heeft in de door haar op 26 januari 2025 overgelegde stukken aangevoerd dat zij sinds 1 november 2024 werkloos is en een uitkering op grond van de Wet Werkloosheid (WW-uitkering) ontvangt. Zij heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat zij vanwege een reorganisatie werkloos is geworden, nadat zij 24 jaar bij haar werkgever had gewerkt. De moeder heeft verklaard dat zij zich thans aan het omscholen is om te werken in de zorg.

Het hof overweegt dat geen rekening wordt gehouden met een lager inkomen aan de zijde van de moeder, nu zij niet heeft aangetoond dat de omscholing noodzakelijk is in plaats van het gevolg te zijn geweest van haar eigen keuze. Gesteld noch gebleken is dat de moeder geen ander werk zou kunnen vinden met (minimaal) een vergelijkbaar inkomen dan dat ze tot aan haar werkeloosheid ontving, zodat het hof er vanuit gaat dat moeder deze verdiencapaciteit heeft. De moeder heeft ter zitting overigens de verwachting uitgesproken in de toekomst meer te kunnen verdienen in de zorg. Gelet op het voorgaande gaat het hof er dan ook niet vanuit dat de draagkracht van de moeder is gedaald op basis van het enkele feit dat zij sinds kort een WW-uitkering ontvangt.

(iv) De zorgkorting

De moeder voert in haar beroepschrift aan dat de door de rechtbank gehanteerde zorgkorting van 30% niet passend is omdat de minderjarigen niet bij de vader slapen. Daardoor draagt de moeder feitelijk de zorgkosten waarvoor de vader (een deel van) de zorgkorting kan verzilveren. De moeder geeft aan dat als de minderjarigen wel bij de vader blijven overnachten, zij een zorgkorting van 30% wel passend vindt.

Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de minderjarigen op zaterdag niet meer bij de moeder slapen als zij een weekend bij de vader zijn. Omdat de grief van de moeder berust op de stelling dat de minderjarigen niet bij de vader maar bij haar slapen in zijn weekend waardoor zij de kosten maakt waarvoor de zorgkorting dient, en die situatie zoals de moeder beschrijft thans niet meer aan de orde is, treft deze grief naar het oordeel van het hof in zoverre geen doel. Dat de minderjarigen in de weekenden dat zij bij de vader verblijven bij zijn moeder (de oma van de minderjarigen) overnachten, doet daaraan niet af. De moeder maakt daardoor immers geen extra zorgkosten voor de zaterdag. Daarbij neemt het hof verder in aanmerking dat de huidige (tijdelijke) woning van zijn vriend die hij mag gebruiken qua indeling niet geschikt is om met vier personen in te kunnen overnachten en dat de vader heeft verklaard dat de minderjarigen wel in de weekenden bij hem kunnen slapen zodra hij in de nieuwe woning woont.

De moeder heeft ter zitting verder betoogd dat de zorgkorting dient te worden aangepast zodat die strookt met de zorgregeling zoals die feitelijk wordt uitgevoerd. Dat komt volgens haar neer op een zorgkorting voor [minderjarige 1] gebaseerd op een zorgregeling van gemiddeld één dag per week, en een zorgkorting voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gebaseerd op een zorgregeling van gemiddeld twee dagen per week.

Het hof overweegt als volgt. Omdat de zorgregeling hetzelfde blijft, zal het hof de toe te passen zorgkorting ook ongewijzigd laten.

Conclusie kinderalimentatie

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ook bekrachtigen voor zover daarin is beslist over de hoogte van de kinderalimentatie.

Proceskosten

Gelet op de familierechtelijke aard van de zaak zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C. van den Brink, A. Zonneveld en C.M. van der Kleijn, bijgestaan door mr. P.J. Salomons als griffier en is op 2 april 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P.J. Salomons

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?