GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.343.646/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 22-243
zaaknummer rechtbank : C/10/631928
beschikking van de meervoudige kamer van 21 mei 2025
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. I.K. Oosterveen te Rotterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. F. Pool te Rotterdam.
Als belanghebbenden in deze procedure zijn aangemerkt:
1. [de bijzondere curator 1] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarigen,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [de bijzondere curator 1] ,
2. [de bijzondere curator 2] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarigen,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [de bijzondere curator 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de bijzondere curatoren,
3. [pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
advocaat: mr. G.E. van der Pols te Rotterdam.
Als informant in deze procedure is aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de rechtbank Rotterdam (hierna ook: de rechtbank) van 18 juli 2022, 17 januari 2023, 16 november 2023, 15 december 2023 en van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam van 8 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep
De moeder is op 5 juli 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De pleegouders hebben op 24 december 2024 een verweerschrift ingediend.
De vader heeft op 27 december 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De moeder heeft op 13 februari 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de moeder:
een journaalbericht van 18 september 2024 met bijlagen, ingekomen op 19 september 2024;
een journaalbericht van 8 oktober 2024 met bijlage;
een journaalbericht van 29 oktober 2024 met bijlage;
een journaalbericht van 5 november 2024 met bijlagen, ingekomen op 6 november 2024;
een brief van 17 december 2024 met bijlagen, ingekomen op 19 december 2024;
een journaalbericht van 19 maart 2025 met bijlage;
van de vader:
- een journaalbericht van 7 januari 2025 met bijlage;
van de bijzondere curatoren:
- een journaalbericht van 17 maart 2025 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft op 28 maart 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[de bijzondere curator 1] ;
[de bijzondere curator 2] ;
de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat;
de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling] ;
de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger] .
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Uit de moeder zijn geboren de minderjarigen:
[minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
[minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] )
(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).
De vader heeft de minderjarigen erkend.
Het gezag over de minderjarigen wordt door de vader en de moeder gezamenlijk uitgevoerd.
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de pleegouders.
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2021 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling voor de duur van één jaar. Bij diezelfde beschikking is een machtiging uithuisplaatsing verleend. Deze maatregelen zijn daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam tot 18 juli 2025.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2022 is – voor zover in deze procedure van belang – de behandeling van de zaak ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling pro forma aangehouden tot 1 december 2022.
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2023 is – voor zover in deze procedure van belang – bepaald dat een afschrift van die beschikking geldt als oproeping ten aanzien van het aangehouden verzoek in de zaak ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling voor een te houden mondelinge behandeling op 29 maart 2023.
Bij beschikking van 15 december 2023 heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam – voor zover in deze procedure van belang – de bijzondere curatoren benoemd teneinde de minderjarigen in en buiten rechte te vertegenwoordigen in het kader van de procedure omtrent de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen, en bepaald dat de verdere behandeling van de zaak (het hof begrijpt: omtrent de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling) zal plaatsvinden ter zitting van de meervoudige kamer op 20 maart 2024.
Bij de bestreden beschikking zijn de bijzondere curatoren ook in de procedure die betrekking heeft op de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling benoemd om de minderjarigen in en buiten rechte te vertegenwoordigen.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:
het verzoek van de moeder dat ziet op bepaling van de hoofdverblijfplaats bij haar afgewezen;
het verzoek van de vader dat ziet op bepaling van de hoofdverblijfplaats bij hem afgewezen;
een voorlopige regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang als vastgesteld, inhoudende dat de minderjarigen:
o één weekend per drie weekenden bij de moeder verblijven van vrijdagmiddag tot zondagmiddag 16.00 uur:
o één weekend per drie weekenden bij de vader verblijven van vrijdagmiddag tot zondagmiddag 16.00 uur;
o één weekend per drie weekenden bij de pleegouders verblijven;
de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
en alvorens verder te beslissen de behandeling voor wat betreft het vaststellen van een zorgregeling (het hof begrijpt: zowel de reguliere als) voor de vakanties en feestdagen aangehouden.
De moeder is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het hof in principaal hoger beroep om de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover daarin haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen, is afgewezen) en in plaats daarvan te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben.
De pleegouders voeren verweer. Zij verzoeken het hof in principaal hoger beroep om de moeder niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel dat verzoek af te wijzen.
De vader voert verweer. Hij verzoekt het hof in principaal hoger beroep om het verzoek van de moeder om de bestreden beschikking te vernietigen en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder vast te stellen en een zorgregeling met de vader vast te stellen, af te wijzen.
De vader verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep:
I. om de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover daarin zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen, is afgewezen) en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen vast te stellen bij de vader;
II. een zorgregeling tussen de moeder en de minderjarigen te bepalen inhoudende dat de minderjarigen om de week een weekend bij de moeder verblijven, waarbij dit op termijn kan worden uitgebreid, dan wel een zorgregeling te bepalen die dit hof in goede justitie juist acht.
De moeder voert verweer in incidenteel hoger beroep. Zij verzoekt het hof om het incidenteel hoger beroep van de vader, om de bestreden beschikking te vernietigen en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader te bepalen, af te wijzen; de (het hof leest: door de vader) verzochte zorgregeling tussen de moeder en de minderjarigen voor een weekend per veertien dagen af te wijzen, en in plaats daarvan te bepalen dat de minderjarigen de ene week bij de vader verblijven en de andere week bij de moeder verblijven, waarbij de band met de pleegouders (opa en oma vaderszijde) in stand wordt gehouden, althans een beslissing te nemen door het hof in goede justitie te bepalen.
5. De motivering van de beslissing
Het hof zal hieronder achtereenvolgens de verzoeken omtrent de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats behandelen.
Zorgregeling
De vader heeft zijn verzoek om een zorgregeling vast te stellen ter zitting ingetrokken. Het hof zal hem daarom in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Voor zover de moeder het hof heeft verzocht om een zorgregeling met de minderjarigen vast te stellen, overweegt het hof als volgt. De moeder heeft haar verzoek omtrent de zorgregeling voor het eerst in haar verweerschrift op het incidenteel hoger beroep van de vader gedaan. Aangezien de vader zijn verzoek heeft ingetrokken en de moeder haar verzoek niet reeds bij haar beroepschrift heeft gedaan, kan zij daarin naar het oordeel van het hof niet langer ontvangen worden. Het hof zal de moeder in haar verzoek met betrekking tot de zorgregeling niet-ontvankelijk verklaren.
Hoofdverblijfplaats
Bij de beoordeling van de verzoeken om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen, dient het hof een belangenafweging te maken en die beslissing te nemen die hij in het belang van de minderjarigen het meest wenselijk acht. De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder en de vader afgewezen. Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder nog als volgt.
Blijkens het perspectiefonderzoek beschikken zowel de moeder als de vader over de capaciteiten om de minderjarigen op een veilige en gezonde manier bij hen te laten opgroeien. Het hof zal echter bij de bepaling wat thans in het belang van de minderjarigen het meest wenselijk is alle omstandigheden moeten betrekken. De minderjarigen hebben door het feitelijk verloop van hun leven vier belangrijke personen aan wie zij gehecht zijn: de moeder, de vader en de pleegouders. Vanwege de (in eerste instantie vrijwillige) plaatsing van de minderjarigen bij de pleegouders op zeer jonge leeftijd en het tijdsverloop sindsdien (inmiddels bijna vijf jaar), zijn de pleegouders hun primaire hechtingsfiguren (geworden). De opvoedtaken hebben nagenoeg steeds bij de pleegouders gelegen waarbij er een omgangsregeling met beide ouders is. Het betreft bovendien kwetsbare jongens die bij de pleegouders een stabiele situatie hebben en zich daar goed ontwikkelen. Het hof houdt bij de belangenafweging ook rekening met de gevolgen die zijn beslissing zal hebben op de manier waarop de minderjarigen contact kunnen houden met ieder van hun hechtingsfiguren. Een enkele vermindering van contact tussen hen is onvoldoende om in de weg te staan aan een wijziging van de hoofdverblijfplaats, maar een belemmering van het contact kan daaraan wel in de weg staan.
Het hof overweegt dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders enerzijds, en de moeder en de vader anderzijds, (nog) erg gespannen is. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder heeft verklaard dat ‘het’ (het hof begrijpt: de samenwerking) met de pleegouders ‘niet lukt’ en dat de overdrachten niet soepel verlopen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de gespannen relatie tussen de vader en de moeder, mede komt door hun verschillende visies op de wijze waarop zij het contact met elkaar willen onderhouden. Anders dan de moeder, wenst de vader slechts contact met haar te hebben over de voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen noodzakelijke onderwerpen. De communicatie tussen de ouders verloopt dus zeer moeizaam. Het hof is niet gebleken dat deze situatie binnen afzienbare tijd zal veranderen. Het hof acht de kans zeer reëel dat de pleegouders en de vader op afstand worden gezet dan wel komen te staan als de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder krijgen, dan wel dat de moeder op afstand komt te staan of wordt gezet als de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vader zouden krijgen. Het hof is van oordeel dat dit niet in het belang van de minderjarigen is, nu ieder van partijen een belangrijke hechtingsfiguur voor hen is. In de huidige situatie waarbij de minderjarigen bij de pleegouders verblijven, hebben de minderjarige echter in ieder geval contact met zowel de vader als de moeder, ook al is er tussen de pleegouders en de moeder sprake van spanning bij de overdrachtsmomenten.
Het hof realiseert zich dat de huidige situatie pijnlijk is voor alle betrokkenen en dat een beslissing van het hof de kern van de problemen die in deze zaak spelen, te weten het belaste verleden en het onderlinge wantrouwen tussen partijen, niet kan oplossen. Echter, gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de minderjarigen in de huidige situatie op de meest optimale manier contact kunnen hebben en houden met ieder van partijen en dat daarmee hun belangen op de beste wijze zijn gediend. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J.M. Smid-Verhage, C.M. van der Kleijn en E.C.C. Punselie, bijgestaan door mr. P.J. Salomons als griffier en is op 21 mei 2025 uitgesproken door mr. A.A.F. Donders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.