GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.347.666/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 22-8954
zaaknummer rechtbank : C/09/640555
beschikking van de meervoudige kamer van 9 juli 2025
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. S.E.C. Segeren-Krijnen te Breda,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag.
Als belanghebbende in deze procedure is aangemerkt:
[de bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 29 juni 2023 (hierna: de tussenbeschikking) en 1 augustus 2024 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
De vader is op 28 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder heeft op 18 december 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De vader heeft op 30 januari 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
een journaalbericht van de vader van 29 november 2024 met bijlage;
een journaalbericht van de moeder van 11 maart 2025 met bijlagen;
een e-mail van de bijzondere curator van 8 april 2025 met bijlage;
een journaalbericht van de zijde van de moeder van 8 mei 2025 met bijlagen, ingekomen op 9 mei 2025.
Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.
De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de advocaat van de vader;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de bijzondere curator.
De vader is niet ter zitting verschenen. Zijn advocaat heeft, met instemming van de moeder en de bijzondere curator, ter zitting een geluidsopname van de vader laten horen.
De raad is, conform de aankondiging per e-mail van 17 april 2025, ook niet ter zitting verschenen.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige).
De minderjarige woont bij de moeder.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 november 2021 is - voor zover hier van belang - bepaald dat:
voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarige;
de vader en de minderjarige eens in de veertien dagen op woensdagmiddag omgang met elkaar hebben onder begeleiding van Cardea;
de moeder, met ingang van de datum van de beschikking, de vader eenmaal per maand per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling, het welzijn en de school van de minderjarige onder bijvoeging van een goed gelijkende recente kleurenfoto van de minderjarige en, dat zij eenmaal per kwartaal, indien aanwezig, tevens beeldmateriaal of een verslagje van de dansles dan wel zelfgemaakte kunstwerkjes van de minderjarige zal bijvoegen.
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2022 is de moeder veroordeeld tot nakoming van voormelde beschikking van 2 november 2021, inhoudende dat zij binnen drie dagen na het vonnis de aanmelding voor omgangsbegeleiding bij Cardea in orde maakt met gelijktijdige schriftelijke bevestiging hiervan aan de vader, haar medewerking verleent aan de vastgestelde omgangsregeling vanaf de datum dat Cardea aangeeft de omgang te kunnen begeleiden en de vastgestelde informatieplicht naleeft.
In de tussenbeschikking is, voor zover thans van belang, (met wijziging van voormelde beschikking van 2 november 2021):
bepaald dat de moeder de vader voorlopig met ingang van heden elke drie maanden schriftelijk informatie zal verschaffen, over belangrijke zaken in het leven van de minderjarige zoals onder andere rapporten, behaalde diploma’s en schoolprestaties;
het verzoek van de vader tot oplegging van een dwangsom afgewezen;
de bijzondere curator benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;
de behandeling van het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling en de informatieregeling in afwachting van (kortgezegd:) het verslag van de bijzondere curator en de reacties van partijen op dat verslag aangehouden pro forma tot 15 oktober 2023.
Bij beschikking van 14 februari 2024 van dit hof is voormelde beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 november 2021 bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, (met wijziging van voormelde beschikking van 2 november 2021):
bepaald dat de moeder de vader elke drie maanden vóór de laatste dag van de maand, voor het eerst voor de laatste dag van de maand augustus 2024, dient te informeren over de ontwikkeling, het welzijn en de school van de minderjarige en een goedgelijkende recente kleurenfoto aan hem dient te verstrekken en verklaart deze informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;
het meer of anders verzochte afgewezen.
De vader is het niet eens met die beslissing. Hij verzoekt het hof in het principaal hoger beroep om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep gegrond te verklaren en de tussenbeschikking en de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:
het hof een kinderpsycholoog of orthopedagoog als bijzondere curator benoemt voor de minderjarige, alsmede;
een omgangsregeling tussen vader en de minderjarige wordt vastgesteld waarbij vader en de minderjarige gedurende vier uren per twee weken omgang met elkaar hebben, indien nodig onder begeleiding van een door het hof aan te wijzen organisatie of persoon, dan wel verzoekt vader dat het hof een omgangsregeling vaststelt door het hof in goede justitie te bepalen, alsmede;
de moeder te veroordelen om de informatieverplichting zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 november 2021 na te komen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer en voor iedere keer dat de informatieverplichting door moeder niet of niet goed wordt nagekomen, alsmede;
een en ander kosten rechtens.
De moeder voert verweer. Zij verzoekt het hof in het principaal hoger beroep om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot afwijzing van de verzoeken van de vader over te gaan. De moeder verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep om de informatieverplichting te beperken tot eenmaal per jaar aan het eind van de zomervakantie, waarbij de invulling concreet bepaald wordt op toezending van een recente foto, het eindrapport en een verslagje over hoe het met de minderjarige is gegaan het afgelopen jaar althans elke andere beschikking te wijzen, die het hof geraden voorkomt.
De vader verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep om het verzoek van de moeder af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
Het hof zal hieronder achtereenvolgens ingaan op de volgende onderwerpen:
bijzondere curator;
omgangsregeling;
informatieregeling;
proceskosten.
Bijzondere curator
De vader heeft het hof verzocht om een kinderpsycholoog of orthopedagoog als bijzondere curator over de minderjarige te benoemen. Hij vindt de huidige bijzondere curator, vanwege haar beroep als mediator, ongeschikt voor de taak omdat zij niet in staat is om de achtergrond van de plotseling afwijzende houding van de minderjarige tegenover omgang met de vader te duiden. Daartoe zijn volgens de vader slechts mensen in staat die over de juiste opleidingsgraad beschikken, zoals kinderpsychologen en orthopedagogen. De moeder is het daar niet mee eens en vraagt het hof om het verzoek van de vader af te wijzen.
Het hof overweegt als volgt. De bijzondere curator beschikt over de nodige ervaring en deskundigheid om haar taken als bijzondere curator naar behoren te kunnen verrichten. Het hof is ervan op de hoogte dat zij vaak wordt ingezet bij complexe zaken en vertrouwt haar de opgedragen taak volledig toe. Ook gelet op de uitgebreide toelichting van de bijzondere curator ter zitting, waarin zij vertelde over hetgeen de minderjarige met haar heeft gedeeld en haar duiding daarvan, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de kwaliteiten en expertise van de bijzondere curator, noch aan de deugdelijkheid van haar rapport en advies. Het hof zal het verzoek van de vader om een andere bijzondere curator te benoemen dan ook afwijzen.
Omgangsregeling
Over het verzoek om een omgangsregeling overweegt het hof als volgt. Volgens artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met zijn kind. In lid 3 van voormeld artikel is bepaald dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De minderjarige en de vader hebben elkaar sinds november 2022 niet meer gezien. Uit het verslag van de bijzondere curator komt duidelijk naar voren dat de minderjarige op dit moment geen contact met de vader wil. De minderjarige vindt het jammer dat er ‘weer een rechtszaak’ is en wil bezig zijn met ‘gewone dingen’. Hoewel het hof de wens van de vader om contact te hebben met de minderjarige begrijpt, ziet het aanleiding om het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen, af te wijzen. De situatie is al gedurende een aantal jaren zeer verstoord. Het lukt de vader niet om zich zonder zeer agressieve en dreigende toon tot de moeder te wenden, waardoor het de ouders niet lukt om op ouderniveau met elkaar te communiceren. Hoewel de moeder de minderjarige niets meegeeft over de agressieve en dreigende berichten die zij van de vader ontvangt, is de spanning die deze berichten met zich brengen voor de minderjarige wel degelijk voelbaar. De vader dient zich te realiseren dat zolang hij de moeder op deze manier benadert, hij ook het gevoel van veiligheid van de minderjarige aantast en zo zelf veroorzaakt dat er geen kans is op onbelast contact tussen hem en de minderjarige. De minderjarige wil op dit moment geen contact meer met de vader. Zij beschikt over zijn telefoonnummer en kan contact met hem opnemen als zij dat wil. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, de leeftijd van de minderjarige, hetgeen zij met de bijzondere curator heeft besproken en het daarop volgende advies van de bijzondere curator, is het hof van oordeel dat een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige op dit moment niet in haar belang is. De minderjarige moet rust krijgen en niet gedwongen worden tot de uitvoering van een omgangsregeling met de vader. Het hot zal de beschikking op dit punt bekrachtigen.
Informatieverplichting
Over de informatieverplichting overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden om de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. In lid 2 van voormeld artikel is bepaald dat de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve kan bepalen dat het eerste lid van dat artikel buiten toepassing blijft als het belang van het kind zulks vereist.
Het hof is van oordeel dat de situatie tussen de ouders dusdanig is verstoord dat de informatieverplichting zoals de rechtbank heeft vastgesteld, van één keer per drie maanden, moet worden beperkt. Zoals hiervoor reeds overwogen, is sprake van een situatie waarin de vader zeer agressieve en dreigende berichten naar de moeder stuurt. Het hof stelt vast dat hij dergelijke berichten in ieder geval telkens nadat hij van de moeder informatie over de minderjarige ontvangt naar haar stuurt. Dat veroorzaakt steeds veel spanning en onrust bij de moeder. Het hof is van oordeel dat hierdoor sprake is van een situatie waarin niet van de moeder kan worden gevergd dat zij op de huidige wijze doorgaat met de verstrekking van informatie over de minderjarige. Hoewel het hof heeft overwogen om, conform de bevoegdheid die het hof daartoe heeft op grond van artikel 377b lid 2 BW, de informatieregeling in het geheel te schrappen, doet het hof dat niet. De vader heeft op dit moment geen contact met de minderjarige en dat veroorzaakt bij hem veel pijn en verdriet. Het hof is van oordeel dat het schrappen van de informatieregeling in het geheel zou leiden tot een buitenproportioneel pijnlijke situatie voor de vader. De consequentie van de houding van de vader is wel dat de informatieregeling gewijzigd zal worden in die zin dat die vanaf heden inhoudt dat de moeder de vader schriftelijk zal informeren over de ontwikkeling, het welzijn en de school van de minderjarige op of vóór de laatste dag van augustus en op of vóór de laatste dag van december van ieder jaar. Het hof beperkt de verplichting voorts in die zin dat de moeder niet langer verplicht is om een goed gelijkende kleurenfoto van de minderjarige te verstrekken, zolang de minderjarige dat niet wil. Hierin volgt het hof het standpunt van de raad over de verstrekking van beeldmateriaal van kinderen die dat niet willen en de wens van de minderjarige die bij monde van de bijzondere curator in haar rapport en ter zitting naar voren is gebracht. Het hof spreekt de hoop uit dat de uitvoering van deze informatieverplichting niet opnieuw leidt tot een toestroom van nare berichten aan het adres van de moeder. Als die situatie zich wel verder voortzet, kan dat leiden tot een volledige schrapping van de informatieverplichting.
Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de moeder zich niet houdt aan de informatieverplichting. Het hof zal derhalve aan de nakoming daarvan geen dwangsom verbinden.
Proceskosten
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten van het geding draagt.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en incidenteel hoger beroep en met wijziging van de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de moeder de vader elke drie maanden vóór de laatste dag van de maand, voor het eerst voor de laatste dag van de maand augustus 2024, dient te informeren over de ontwikkeling, het welzijn en de school van de minderjarige en een goedgelijkende recente kleurenfoto aan hem dient te verstrekken:
bepaalt dat de moeder de vader ieder jaar op of vóór de laatste dag van augustus en op of vóór de laatste dag van december schriftelijk dient te informeren over de ontwikkeling, het welzijn en de school van de minderjarige;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J.M. Smid-Verhage, E.B.J. van Elden en H.A. Schipper, bijgestaan door mr. P.J. Salomons als griffier en is op 9 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.