GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer: 200.353.537/01
zaak- en rekestnummer rechtbank: C/10/688051 / FA RK 24-7873
beschikking van de meervoudige kamer van 13 augustus 2025
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A. Aksü te Rotterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. H. Durdu te Rotterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep
De man is op 11 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vrouw heeft op 17 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen van de zijde van de man:
een journaalbericht van 23 mei 2025 met bijlage, ingekomen op 28 mei 2025;
een journaalbericht van 30 juni 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
Het hof heeft de hierna te noemen [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daarvan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen.
De mondelinge behandeling heeft op 10 juli 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de vrouw.
De raad is, overeenkomstig de aankondiging in de brief van 3 juli 2025, niet ter zitting verschenen. De vrouw is met bericht van verhindering niet verschenen.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] 2009 te [huwelijksplaats] . Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tegen de echtscheiding is geen hoger beroep ingesteld.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] )
hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
Partijen hebben gezamenlijk gezag over de minderjarigen.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:
bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaald dat de man met ingang van 22 oktober 2024 € 350,- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie), de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaald dat de man € 2.500,- bruto per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie), met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de kinderalimentatie en de partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
bepaald dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.
De man is het niet met die beslissing eens. Hij verzoekt het hof om, bij beschikking - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op:
de bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw;
de vaststelling van de kinder- en partneralimentatie;
en, opnieuw rechtdoende:
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn, dan wel een zorgverdeling te treffen die recht doet aan het belang van beide ouders;
de alimentatieverplichtingen van de man op nihil te stellen, althans een bedrag vast te stellen zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren, mede op basis van de nader in te dienen financiële gegevens.
De vrouw voert verweer. Zij verzoekt het hof om, bij beschikking, voor zover rechtens mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de man niet ontvankelijk te verklaren, althans alle grieven van de man integraal af te wijzen. Kosten rechtens.
5. De motivering van de beslissing
Hoofdverblijfplaats
De man heeft zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man te bepalen tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof hoeft daarover derhalve niets meer te beslissen.
Kinder- en partneralimentatie
Inkomen van de man
De man heeft het hof verzocht om de alimentatieverplichtingen die hij jegens de vrouw en de minderjarigen heeft op nihil te stellen, dan wel op een lager bedrag vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Hij voert daartoe aan dat in eerste aanleg in het geheel geen rekening is gehouden met zijn inkomen, waardoor de rechtbank een te hoge partner- en kinderalimentatie heeft vastgesteld. Hij stelt een beperkt en wisselend inkomen te hebben uit de vennootschap onder firma (hierna: vof) die hij samen met zijn broer runt (een rijschool). Zijn WAO-uitkering – die slechts een tijdelijk vangnet vormde na een arbeidsongeschiktheidsperiode in 2023 – is inmiddels beëindigd. De vrouw voert verweer en stelt dat de man voldoende inkomen genereert om de vastgestelde alimentatieverplichtingen te voldoen.
Het hof overweegt als volgt. De man heeft zijn aangiftes Inkomstenbelasting voor 2023 en 2024 overgelegd. Daaruit volgt een gezamenlijk inkomen uit (i) onderneming en (ii) WAO-uitkering van respectievelijk (afgerond) € 44.000,- en € 47.000,-. Echter, de aangiftes Inkomstenbelasting – corresponderende aanslagen ontbreken in het dossier – geven geen volledig beeld van de financiële positie van de man. Daartoe overweegt het hof dat de man (in ieder geval) nog een Turkse bankrekening heeft waarop volgens zijn verklaring ter zitting in de periode tussen 2022 en 2024 een bedrag van (in ieder geval) € 170.000,- stond. Die bankrekening is door de man niet opgegeven in zijn aangiftes Inkomstenbelasting. De stelling van de man dat de Turkse bankrekening van partijen gezamenlijk was en dat het geld van de vrouw was, is naar het oordeel van het hof – mede gelet op de betwisting van de vrouw bij monde van haar advocaat – onvoldoende onderbouwd. De man is immers degene die grote bedragen (van naar eigen zeggen onder meer € 25.000,- en 36.000,-) heeft overgemaakt van deze bankrekening naar de Marokkaanse bankrekening van de vrouw en hij heeft niet aangetoond dat de vrouw ook gerechtigd was tot deze bankrekening. Bovendien heeft hij ter zitting (ook) aangegeven dat hij deze grote bedragen kon overmaken omdat hij veel geld had gespaard in eerdere jaren toen hij goed verdiende met zijn rijschool. De man verklaarde lang alleen met contact geld betaald te worden omdat zijn rijschool geen pinautomaat had. Gelet op het voorgaande heeft het hof gerede twijfel over de mate waarin de door de man overgelegde aangiftes Inkomstenbelasting een volledig beeld geven van zijn financiële positie. Deze twijfel wordt verder gevoed door de stelling van de man ter zitting dat hij de vrouw sinds partijen uit elkaar gingen (in september 2024) maandelijks € 2.000,- contant betaalde en (±) € 1.000,- aan vaste lasten voor haar betaalde via afschrijvingen (bijvoorbeeld de zorgverzekering) van zijn rekening. Feitelijk lukte het de man dus de opgelegde alimentatieverplichtingen nagenoeg volledig na te komen (nog los van de eventuele aftrekbaarheid van de partneralimentatie). De vrouw kwam de contanten bij de man thuis ophalen, aldus de man, waarbij zij [minderjarige 1] meenam zodat de man hem kon zien. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting bevestigd dat de contante betalingen in elk geval drie keer zo zijn gedaan. De contante betalingen zijn gestopt omdat de vrouw niet meer bij de man langskwam, aldus de man ter zitting, en dus kennelijk niet omdat de man financieel niet meer in staat was om die bedragen te betalen. De man kan niet precies aangeven wat hij nog steeds voor de vrouw betaalt via afschrijvingen van zijn rekening. De man heeft verklaard dat zijn WAO-uitkering zal worden verlaagd en dat hij daartegen bezwaar heeft gemaakt, maar daarover zijn in het geheel geen stukken overgelegd. Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de opgelegde partner- en kinderalimentatie te kunnen voldoen, of dat de alimentatieverplichtingen zijn gebaseerd op een onjuist inkomen.
Behoefte en behoeftigheid van de vrouw
Voor zover de man in zijn beroepschrift heeft opgeworpen dat de (aanvullende) behoefte van de vrouw lager is dan de vastgestelde € 2.500,- per maand, overweegt het hof als volgt. De man heeft niet betwist dat de vrouw een inkomen geniet van € 1.400,- per maand netto uit Ziektewetuitkering. De man stelt dat aan de vrouw een verdiencapaciteit moet worden toegekend ‘gelet op haar leeftijd (35) en opleidingsachtergrond’, maar hij laat na deze stelling op enige wijze nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door aan te geven over welke opleidingsachtergrond de vrouw beschikt. Het hof gaat niet mee in dat betoog. Onbetwist is dat de vrouw nog altijd aanspraak maakt op een Ziektewetuitkering en in dat kader niet zonder meer aannemelijk is dat de vrouw kan werken. Het hof gaat voorts niet mee in de stelling van de man dat de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft aangetoond omdat zij geen behoeftelijst heeft overgelegd, nu dat voor de bepaling van de hoogte van behoefte geen vereiste is. Wat betreft de door de vrouw gestelde behoefte is voorts van belang dat de hoogte van het voormalig gezinsinkomen van partijen niet duidelijk is geworden zodat de hofnorm, welke in de regel wordt gehanteerd bij de bepaling van de hoogte van de behoefte aan partneralimentatie, niet kan worden toegepast. Zoals hiervoor onder 5.3 overwogen, geven de door de man overgelegde aangiftes Inkomstenbelasting over 2023 en 2024 geen volledig beeld van zijn financiële positie. Daar komt bij dat de man heeft gesteld dat hij sinds het uiteengaan van partijen een bedrag van (±) € 3.000,- per maand aan de vrouw betaalde, zodat hij kennelijk ook zelf er vanuit ging dat de vrouw (minimaal) een dergelijk bedrag nodig had voor haar levensonderhoud en dat van de minderjarigen.
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
Proceskosten
Gelet op de familierechtelijke aard van het geschil zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten tussen partijen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C. van den Brink, A. Zonneveld en A.F. Mollema, bijgestaan door mr. P.J. Salomons als griffier en is op 13 augustus 2025 uitgesproken door mr. A.A.F. Donders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.