GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 1 oktober 2025
[X] te [Z] , belanghebbende,
de Heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/922
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 12 september 2024, nummer SGR 23/3542.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Noordwijk opgelegd ter zake van het perceel [perceel] te [woonplaats] (de aanslag).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 31 juli 2025 een nader stuk ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 augustus 2025. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Belanghebbende is via een bericht verzonden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ (het webportaal) op 11 juni 2024, 11:29 uur, onder vermelding van datum, tijdstip en plaats uitgenodigd de zitting bij te wonen. Belanghebbende heeft het Hof verzocht om via een videoverbinding aan de zitting deel te nemen. Het Hof heeft belanghebbende op 6 augustus 2025, 17:01 uur, door middel van een e-mailbericht verzonden aan het door belanghebbende via het webportaal opgegeven e-mailadres ‘ [e-mailadres] ’ uitgenodigd de zitting digitaal bij te wonen. Aan het begin van de zitting heeft de griffier vergeefs nog tweemaal getracht telefonisch contact met belanghebbende op te nemen. De Heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting via een videoverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Na sluiting van het onderzoek heeft het Hof op 12 augustus 2025 om 12:22 uur een bericht ontvangen van belanghebbende waarin hij meldt dat de gegevens voor de deelname niet zijn verstuurd en niet in de digitale mailbox staan en stelt dat de stukken van de gemeente te laat zijn toegestuurd en buiten behandeling moeten blijven. Hetgeen belanghebbende aanvoert, geeft het Hof geen aanleiding om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het bericht zal daarom niet tot de gedingstukken worden gerekend en buiten beschouwing worden gelaten.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar en maakt gebruik van het perceel [perceel] te [woonplaats] (het perceel).
Het perceel ligt aan een onverharde weg, die ongeveer 315 meter lang is en zich bevindt op grond die in particulier eigendom is. Aan het begin van de onverharde weg staat een bord met daarop de tekst ‘eigen weg, verboden toegang Art. 461 Wetb v Strafr’.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“3. Ingevolge artikel 2, tweede, lid, van de Verordening afvalstoffenheffing Noordwijk 2023, wordt afvalstoffenheffing geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer (Wmb) een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
4. De verplichting van artikel 10.21 van de Wmb bestaat ten aanzien van percelen waar afvalstoffen geregeld kúnnen ontstaan. Het is dus niet van belang of daar daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan.[1]
5. Vast staat dat het perceel in gebruik is als woning en dat daar geregeld afvalstoffen (kunnen) ontstaan. De gemeente heeft dus op grond van artikel 10.21 van de Wmb een verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen ten aanzien van het perceel.
6. De gemeente maakt voor haar inzamelplicht gebruik van de diensten van [Afvalverwerkingsbedrijf] . Tussen de gemeente en [Afvalverwerkingsbedrijf] bestaat de afspraak dat de vuilniswagens van [Afvalverwerkingsbedrijf] niet op particulier terrein hoeven te rijden teneinde schade aan dat terrein en aan de vuilniswagens te voorkomen.
7. Het perceel is gelegen aan een zandweg van 315 meter lang die eigendom is van diverse particulieren. De gemeente heeft daarom bepaald dat het inzamelpunt voor het huishoudelijk afval is gelegen aan de [straat] ter hoogte van nummer […] . Eiser stelt dat de afstand van het perceel tot het inzamelpunt te groot is. De gemeente voldoet daarmee volgens hem niet aan haar inzamelplicht om bij het perceel het afval op te halen. Verder heeft de Minister volgens eiser bepaald dat de afstand van het perceel tot het inzamelpunt maximaal 125 meter mag bedragen.
8. De bepaling waar eiser naar verwijst, betreft artikel 3 van de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel (de Regeling). In deze bepaling is uitvoering gegeven aan artikel 10.26, vierde lid, van de Wmb. Dit artikel en de Regeling zijn op 26 november 2008 vervallen. Met het vervallen van de Regeling geldt de grens van 125 meter dus niet meer. In de Memorie van Toelichting[2] is dit als volgt toegelicht:
“Aangezien de wettelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij gemeenten ligt, is het uit oogpunt van decentralisatie niet noodzakelijk om te bepalen binnen welke maximale afstand van de perceelsgrens de gemeente moet zorg dragen voor de inzameling van huishoudelijk afval. Voorgesteld wordt de dwingend voorgeschreven delegatiebevoegdheid (neergelegd in artikel 10.26, vierde lid, Wm) te laten vervallen (artikel I, onderdeel H). Met het vervallen van deze delegatiebevoegdheid komt de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel van rechtswege te vervallen.”
9. Met het vervallen van de Regeling geldt er dus geen maximale afstand meer van een perceel tot het inzamelpunt.
10. Een redelijke uitlegging van artikel 10.21 van de Wmb brengt mee dat de in dat artikel bedoelde inzamelplicht zich niet uitstrekt tot buiten de voor het openbare rijverkeer openstaande wegen.[3] Van een gemeente kan in redelijkheid niet worden geëist dat zij huishoudelijk afval ophaalt op particulier terrein. Verweerder heeft onweersproken gesteld en de rechtbank acht aannemelijk dat het door de gemeente aangewezen inzamelpunt de dichtst bij het perceel gelegen voor het openbare rijverkeer openstaande weg is waar de vuilniswagens het huishoudelijk afval kunnen ophalen. Hiermee komt de gemeente dan ook haar inzamelplicht na. Dat eiser een heel eind moet lopen met de containers doet hier niet aan af. De landelijke ligging van het perceel maakt dit nodig. De aanslag is daarom terecht aan eiser opgelegd.
11. De eerst ter zitting ingenomen stelling van eiser dat het opleggen van de aanslag in strijd is met diverse mensenrechten is op geen enkele wijze onderbouwd en ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van enige schending van de mensenrechten.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
(…)
[1] Zie Hoge Raad, 30 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1838.
[2] Kamerstukken II 2007/08, 31 337, nr. 3, blz. 3.
[3] Vgl. HR 15 februari 1984, nr. 22 311, ECLI:NL:HR:1984:AC4018.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de gemeente Noordwijk aan haar inzamelverplichting heeft voldaan en of de aanslag is opgelegd in strijd met diverse bepalingen van internationale verdragen. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Inzamelverplichting
Op grond van artikel 10.21, lid 1 van de Wet Milieubeheer (Wm) draagt de gemeente ervoor zorg dat de huishoudelijke afvalstoffen tenminste eenmaal per week worden ingezameld nabij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel, waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.
Op grond van artikel 3 in verbinding met artikel 2 van de Verordening afvalstoffenheffing Noordwijk 2023 (de Verordening) wordt een afvalstoffenheffing geheven van degene die in de gemeente Noordwijk gebruik maakt van een perceel waarvoor volgens artikel 10.21 en 10.22 Wm een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Daarbij is niet van belang of de gebruiker van het perceel daadwerkelijk gebruik maakt van de gemeentelijke afvalophaaldienst.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gemeente Noordwijk haar inzamelplicht van huishoudelijke afvalstoffen niet nakomt. Hiertoe voert belanghebbende aan dat de gemeente Noordwijk geen mogelijkheid biedt om de huishoudelijke afvalstoffen in de nabijheid van de woning, en aldus binnen redelijke afstand tot de woning, aan te bieden. De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de gemeente Noordwijk haar inzamelplicht wel nakomt.
Naar oordeel van het Hof heeft de Rechtbank juist en op goede gronden beslist dat de gemeente Noordwijk belanghebbende de gelegenheid biedt om huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden op een plaats binnen een redelijke afstand van zijn perceel. Vast staat dat belanghebbende gebruikmaakt van het perceel. Niet in geschil is dat het door de gemeente Noordwijk aangewezen inzamelpunt de dichtst bij het perceel van belanghebbende voor het openbare rijverkeer openstaande en voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens toegankelijke weg is. Omdat de gemeente Noordwijk aan belanghebbende de mogelijkheid biedt om op dit punt zijn huishoudelijk afval aan te bieden, voldoet de gemeente Noordwijk aan haar inzamelplicht. De inzamelplicht omvat niet het ophalen van huishoudelijke afvalstoffen die zich op particulier terrein bevinden. Bovendien staat aan het begin van de zandweg een bord met daarop de tekst ‘eigen weg, verboden toegang Art. 461 Wetb v Strafr’. Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld geldt er geen maximale afstand (van 125 meter) van het perceel van belanghebbende tot het voornoemde inzamelpunt.
Anders dan belanghebbende stelt, heeft de gemeente Noordwijk niet de vrijheid om geen afvalstoffenheffing aan belanghebbende in rekening te brengen, al dan niet omdat belanghebbende feitelijk geen gebruik maakt van de afvalophaaldienst. Afvalstoffenheffing is op grond van de Verordening verschuldigd op grond van het gebruik van een perceel waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan, zoals het perceel van belanghebbende. Hierop zijn in de Verordening geen uitzonderingen gemaakt.
Schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Belanghebbendes stelling dat met het opleggen van de aanslag sprake is van een schending van diverse bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het handvest) treft geen doel. Het handvest richt zich slechts tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Met het heffen van afvalstoffenheffing brengt de gemeente Noordwijk niet het recht van de Unie tot uitvoering, zodat belanghebbende ten aanzien van die heffing geen rechten kan ontlenen aan het handvest (vgl. HvJ EU 6 maart 2014, Siragusa, C-206/13, r.o. 24 e.v.).
Schending Arbeidsomstandighedenwet en onrechtmatige daad
Voor zover de klachten betrekking hebben een schending van de Arbeidsomstandighedenwet is het Hof, nog daargelaten dat die wet de arbeidsomstandigheden tussen werkgever en werknemer regelt en met de afvalstoffenheffing geen verband houdt, niet bevoegd daarover een oordeel te geven. Ook ten aanzien van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding in verband met een onrechtmatige daad van de gemeente Noordwijk, is de belastingrechter onbevoegd om daarover te oordelen.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, T.A. de Hek en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 1 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.