ECLI:NL:GHDHA:2025:2673

ECLI:NL:GHDHA:2025:2673, Gerechtshof Den Haag, 09-12-2025, BK-25/150

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 09-12-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-25/150
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:931

Samenvatting

Artikel 8:73 Awb (oud). Artikel 8:75 Awb juncto artikel 2, lid 3, Bpb. De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van (im)materiële schade terecht afgewezen en de verletkosten niet op een te laag bedrag vastgesteld. Geen aanleiding voor vergoeding van (werkelijke) proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 9 december 2025

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/150

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 januari 2025, nummer SGR 23/3417.

Procesverloop

Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.769, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 16.674 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.930 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 350 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

Bij uitspraak op bezwaar is de Inspecteur gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en de beschikking belastingrente.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen;

- wijst het verzoek van eiser om een schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 267,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 19 oktober 2025 een nader stuk, met vier bijlagen, ingediend. De Inspecteur heeft op 23 oktober 2025 een nader stuk, met vijf bijlagen, ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft een eenmanszaak en houdt zich bezig met advies en consultancy.

Naar aanleiding van gerezen vragen over de door belanghebbende voor het jaar 2019 ingediende aangifte IB/PVV heeft de Inspecteur bij brief van 23 februari 2022 belanghebbende verzocht om informatie te verstrekken over, onder meer, buitenlandse spaarrekening(en). Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Voordeel uit sparen en beleggen (box 3)

Bezittingen: specificatie

(…)

Tevens bent u in het bezit van buitenlandse spaarrekening(en). Graag ontvang ik van u het jaaroverzicht van de buitenlandse spaarrekening(en) en een overzicht waaruit blijkt wanneer deze rekening(en) geopend zijn.”

Aangezien belanghebbende niet had gereageerd op vorenbedoelde brief, heeft de Inspecteur bij brief van 24 maart 2022 een herinnering gestuurd en bij brief van 6 april 2022 het verzoek om informatie herhaald. Bij brief van 6 april 2022, heeft belanghebbende, voor zover van belang, als volgt gereageerd:

Bezittingen

(…)

Van buitenlandse spaarrekeningen in de zin van in het buitenland geopende spaarrekeningen is geen sprake. Alle spaarrekeningen betreffen gewoon in Nederland aangeboden producten, zijn altijd in de desbetreffende aangiften opgenomen en zijn voor zover bekend (en zoals ook uit de vragenbrief blijkt) gerenseigneerd. Zoals al is opgemerkt, betreft dit ook niet in box 3 vallende bezittingen. Mocht de Belastingdienst van mening zijn dat toch sprake is van daadwerkelijk in het buitenland, buiten haar zicht geopende spaarrekeningen, dan wordt graag vernomen om welke rekeningen dat dan zou gaan. Ondergetekende is zich in elk geval van niets bewust.”

Bij brief van 19 mei 2022 heeft de Inspecteur om nadere informatie verzocht. Deze brief luidt onder meer als volgt:

“Voordeel uit sparen en beleggen (box 3)

Sparen en beleggen/bezittingen

In uw reactie heeft u aangegeven dat er bij u geen buitenlandse bankrekeningen bekend zijn. U heeft mij verzocht om een specificatie van de betreffende buitenlandse rekeningen. Bijgaand stuur ik u een overzicht van de bij de Belastingdienst bekende rekeningen.

(…).”

In deze brief staat een overzicht van de landcodes en saldi van de verschillende rekeningen. Uit dit overzicht blijkt dat gevraagd wordt naar rekeningen in Tsjechië, Estland, Duitsland, België en Italië.

Bij brief van 24 juni 2022 heeft de Inspecteur, omdat nog geen reactie was ontvangen, vorenbedoelde brief nogmaals aangetekend aan belanghebbende gestuurd. In deze brief heeft de Inspecteur belanghebbende verder laten weten hem te willen uitnodigen voor een overleg op het Belastingkantoor in Den Haag.

Bij brief van 22 juli 2022 heeft belanghebbende, onder meer, als volgt op de vragenbrief van 24 juni 2022 gereageerd:

Bezittingen

(…)

Overigens is bij brief van 28-4-2022 aangegeven dat graag wordt vernomen om welke rekeningen het zou gaan, indien de Belastingdienst zou menen dat (toch) sprake zou zijn van daadwerkelijk in het buitenland, buiten haar zicht geopende spaarrekeningen. In reactie daarop wordt een overzicht verstrekt 'van de bij de Belastingdienst bekende rekeningen'. Dit overzicht bestaat enkel uit een opsomming van bedragen zonder dat ook maar enige concrete informatie wordt verstrekt over de rekeningen waarom het zou gaan, de nummers en tenaamstellingen daarvan of zelfs maar de namen van de banken. Indien en voorzover dit desalniettemin zou zien op rekeningen van ondergetekende, dan kan dit enkel zien op gewoon in Nederland aangeboden producten, die altijd in de desbetreffende aangiften zijn opgenomen en voor zover bekend ook altijd zijn gerenseigneerd en - anders dan uw brief van 6-4-2022 suggereert - ook (moeten) zijn begrepen in het in die brief genoemde bedrag aan spaartegoeden. Van daadwerkelijk in het buitentand, buiten het zicht van de Belastingdienst geopende spaarrekeningen is dan ook geen sprake. Bovendien is in elk geval ook geen sprake van in box 3 vallende niet aangegeven bezittingen.”

Op 27 juli 2022 heeft het Central Liaison Office van de Belastingdienst (het CLO) informatieverzoeken gedaan aan de Duitse, Tsjechische, Belgische, Italiaanse en Estlandse autoriteiten. Verzocht is om de bankgegevens te verstrekken met betrekking tot bij de Belastingdienst bekende buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2021.

Bij brief van 9 augustus 2022 heeft de Inspecteur belanghebbende laten weten dat hij vanwege onduidelijkheid over de bankrekeningen in het buitenland, informatieverzoeken naar de desbetreffende banken heeft verstuurd.

Bij brief van 27 oktober 2022 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen om bij de aanslagoplegging van de aangifte af te wijken. Deze brief luidt onder meer als volgt:

“Voordeel uit sparen en beleggen (box 3)

Bezittingen: waarde bank-, giro- en spaartegoeden

(…)

Op 23 februari 2022 heb ik u een eerste verzoek om informatie gestuurd. Vanaf dit moment tot en met 31 augustus 2022 heb ik u diverse verzoeken om informatie gestuurd en ook verzocht om telefonisch in contact met elkaar te treden. Uw telefoonnummer heeft u niet verstrekt en op mijn (aangetekend verzonden) uitnodiging voor een persoonlijk gesprek bent u niet verschenen vanwege het feit dat u stelt de uitnodiging niet te hebben ontvangen.

De informatie waar ik u om heb verzocht had als doel om het aangegeven voordeel uit sparen en beleggen te controleren. Uw vermogen is verdeeld over de onderneming (box 1), het Fonds voor Gemene Rekening (hierna: FGR, box 2) en box 3. Om te beoordelen welk vermogen tot uw box 3 vermogen behoort heb ik aan u een specificatie gevraagd van alle bezittingen. Op de ontvangen specificatie van 28 april 2022 ontbreken van de participaties in box 2 onder andere de rekeningnummers. Een eenvoudige controle op de bezittingen is om deze reden niet mogelijk. U heeft aangegeven dat de buitenlandse bankrekeningen (waar een deel van mijn informatieverzoek op ziet) niet bij u bekend zijn. Om deze reden heb ik de diverse banken in Duitsland, België, Italië, Estland en Tsjechië om informatie verzocht. Van de banken in Duitsland en België heb ik op dit moment nog geen informatie ontvangen, in verband met de dreigende verjaring van de aanslag zal ik de aangifte vaststellen op basis van de gegevens die mij ter beschikking staan.

(…)”

Met dagtekening 18 november 2022 is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.769, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 16.674 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.930. De grondslag sparen en beleggen is bepaald op € 710.449.

Bij uitspraak op bezwaar zijn het belastbaar inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang gehandhaafd op € 2.769, respectievelijk € 16.674. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd tot € 12.758. De grondslag sparen en beleggen is bepaald op € 610.449. Daarbij is de geschatte waarde van een bankrekeningen in Duitsland (van € 100.000) niet langer meegerekend.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“17. (…) De rechtbank beschikt niet over voldoende stukken om te kunnen beoordelen of de aanslag daardoor te hoog of te laag is vastgesteld. Het is voor de rechtbank dan ook niet mogelijk om het voorgelegde geschil definitief te beslechten. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder daarom opdragen om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.

18. Met de terugwijzing naar verweerder start geen nieuwe behandelingsfase voor het vaststellen van de redelijke termijn in eerste aanleg. Er geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop, dus de opstelsom van het tijdsverloop van de fase vóór terugwijzing en van de fase na terugwijzing langer dan twee jaar heeft geduurd.[3] Dat betekent dat op het moment van deze uitspraak nog niet kan worden beoordeeld in hoeverre recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

19. Het is niet aan de belastingrechter om te oordelen over een het verzoek van eiser om schadevergoeding vanwege reputatieschade.

Proceskosten

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vast op € 267,50 (€ 10 reiskosten en € 257,50 verletkosten). Het Besluit voorziet, behoudens de reeds toegekende vergoeding van verletkosten, niet in een vergoeding voor de tijd die eiser aan de procedure heeft besteed. Dergelijke kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

(…)

[3] Hoge Raad 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1818, r.o. 3.2 en Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1153, r.o. 3.2.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Evenals bij de Rechtbank is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van (im)materiële schade. Verder is in geschil of belanghebbende recht heeft op toekenning van een hogere dan de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding, alsmede – voor het geval belanghebbende géén recht heeft op een vergoeding van (im)materiële schade – of de Inspecteur moet worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover het de afwijzing van het verzoek om een schadevergoeding betreft en de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding. Belanghebbende concludeert verder tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande uit materiële schade ten bedrage van € 15.000 en immateriële schade ten bedrage van € 7.000, dan wel – naar het Hof begrijpt: subsidiair – tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de werkelijke proceskosten in hoger beroep (€ 6.500). Belanghebbende concludeert verder tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken tot een bedrag van € 370,50.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Vergoeding van (im)materiële schade

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur door hem geleden schade moet vergoeden, welke bestaat uit materiële schade vanwege omzetverlies, reputatieschade en opportunity losses (€ 15.000) en immateriële schade vanwege spanning en frustratie (€ 7.000). Aan dit verzoek om schadevergoeding heeft belanghebbende ten grondslag gelegd dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag en in de bezwaarfase (zeer) onzorgvuldig heeft gehandeld. Zo heeft de Inspecteur volgens belanghebbende zijn goede naam bij vijf banken te grabbel gegooid, verzuimd inzage te verlenen in het complete dossier en hem op een oneigenlijke grond een kostenvergoeding in de bezwaarfase onthouden. De Inspecteur is niet onbevooroordeeld en negeert de argumenten van belanghebbende, waardoor belanghebbende ten koste van zijn overige werkzaamheden veel tijd aan deze zaak heeft moeten besteden en reputatieschade heeft opgelopen. Ook heeft hij hierdoor veel stress, spanning en frustratie ervaren. Bovendien heeft de Rechtbank verzuimd zich uit te laten over het door hem gedane verzoek om schadevergoeding, aldus nog steeds belanghebbende.

De Inspecteur heeft zich daartegen verweerd. Hij heeft gemotiveerd gesteld dat de onder 2.7 bedoelde informatieverzoeken niet onnodig of vals van aard zijn geweest, alsmede dat hij zorgvuldig heeft gehandeld bij het doen van uitspraak op bezwaar. Er is derhalve geen sprake van een door hem begane onrechtmatige daad. Bovendien heeft belanghebbende de omvang van de door hem gestelde schade volgens de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt.

Het Hof oordeelt hierover als volgt. Onderhavig verzoek om schadevergoeding dient te worden beoordeeld in het licht van het bepaalde in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (oud), welke bepaling ingevolge artikel V van de Wet nadeelcompensatie bij onrechtmatige besluiten van toepassing is op het onderhavige verzoek. Op grond van deze bepaling kan de bestuursrechter, indien hij het beroep gegrond verklaart, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt, indien daarvoor gronden zijn. Aangezien de Rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard, is aan de vorenbedoelde voorwaarde van een gegrond beroep voldaan.

Een op grond van artikel 8:73 Awb toe te kennen schadevergoeding heeft betrekking op alle schade die een partij als gevolg van een door een bestuursorgaan genomen besluit heeft geleden waarbij wordt voldaan aan alle vereisten (onrechtmatigheid, toerekenbaarheid, schade, causaliteit en relativiteit) voor de toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.

Belanghebbende dient – gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur – de schade en het oorzakelijke verband met het onrechtmatig handelen aannemelijk te maken (vgl. HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:559, BNB 2015/95, r.o. 2.2.2). Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aan deze bewijslast voldaan. Bij dit oordeel wordt vooropgesteld dat op grond van het bepaalde in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder desgevraagd gehouden is aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. In het onderhavige geval heeft belanghebbende de door de Inspecteur gestelde vragen ontwijkend en daarmee niet volledig beantwoord. Belanghebbende beschikt(e) immers wel degelijk over buitenlandse bankrekeningen die al dan niet via Nederlandse platforms zijn geopend. In dat licht is het niet onrechtmatig dat de Inspecteur gegevens heeft willen opvragen bij derden en daarom de in 2.7 bedoelde informatieverzoeken heeft gedaan. Voor zover overigens al sprake zou zijn van onrechtmatig handelen door de Inspecteur, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij daardoor schade heeft geleden. De stelling dat belanghebbende door onrechtmatig handelen van de Inspecteur materiële schade heeft geleden in de vorm van tijdsbeslag en inkomensderving, is daarvoor zonder nadere onderbouwing onvoldoende. Evenmin heeft belanghebbende het bestaan van de door hem gestelde immateriële schade van € 7.000 in verband met spanning en frustratie nader onderbouwd, zodat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te nemen dat hij dergelijke schade heeft gelden. Dat geldt eveneens voor de door belanghebbende gestelde opgelopen reputatieschade. Weliswaar heeft het CLO bij verschillende banken informatie met betrekking tot bij de Belastingdienst bekende buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende opgevraagd en heeft [bedrijf] daarna besloten de overeenkomst met belanghebbende te beëindigen, maar dat is onvoldoende om enige omvang van reputatieschade te onderbouwen.

In het nader stuk van 19 oktober 2025 heeft belanghebbende voorts gesteld dat de Inspecteur moet worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (à € 6.500, uitgaande van een tarief van € 100 p/u), omdat belanghebbende in hoger beroep veel tijd heeft besteed aan het weerleggen van de in zijn optiek feitelijk onjuiste en/of suggestieve stellingen van de Inspecteur. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verduidelijkt dat dit verzoek in feite inwisselbaar is met de door hem verzochte vergoeding van materiële schade wegens omzetverlies als gevolg van onevenredig tijdsbeslag. Voor zover belanghebbende daarmee heeft bedoeld te stellen dat de Inspecteur op de voet van artikel 8:73 Awb moet worden veroordeeld in de werkelijke kosten die belanghebbende heeft moeten maken, faalt deze stelling. Met artikel 8:75 Awb wordt een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het (hoger) beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van deze kosten langs de weg van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 Awb is dan ook geen plaats (zie HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3442, BNB 2008/50).

Voor zover belanghebbende tot slot in hoger beroep erover klaagt dat de Rechtbank voorbij is gegaan zijn verzoek om schadevergoeding, berust deze klacht op een onjuiste lezing van de uitspraak van de Rechtbank. De Rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding immers afgewezen en heeft die beslissing gemotiveerd in r.o. 18 en 19 van haar uitspraak.

Het Hof komt tot de slotsom dat de Rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen en dat het hoger beroep in zoverre ongegrond is.

Proceskostenvergoeding beroepsprocedure

Belanghebbende heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de Rechtbank de verletkosten te laag heeft vastgesteld. Hij heeft aangevoerd dat de Rechtbank bij het toekennen van de vergoeding voor verletkosten rekening had moeten houden met het feit dat de zitting in eerste aanleg één uur langer heeft geduurd dan vooraf was voorzien.

Het Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een hogere vergoeding voor verletkosten dan reeds is toegekend door de Rechtbank. Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank een door hem ingevuld formulier proceskosten overgelegd en daarbij verzocht om vergoeding van reis- en verblijfkosten (€ 10) en verletkosten (€ 257,50, waarvan € 257,50 gemaakt in verband met het bijwonen van de terechtzitting à 2,5 uur x € 103 per uur). De Rechtbank heeft de door belanghebbende gevraagde vergoeding toegekend. Indien belanghebbende vanwege de omstandigheid dat de zitting was uitgelopen meende aanspraak te kunnen maken op een hogere vergoeding, had het op zijn weg gelegen om ter zitting van de Rechtbank een daartoe strekkend verzoek in te dienen, zodat ook de Inspecteur zich op dat moment daarover had kunnen uitlaten. Nu belanghebbende dit heeft nagelaten, dient dat in hoger beroep voor zijn rekening en risico te blijven.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof begrijpt het standpunt van belanghebbende aldus dat bij afwijzing van het verzoek op de voet van artikel 8:73 Awb, hij alsdan verzoekt de Inspecteur op de voet van het bepaalde in artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) te veroordelen in de werkelijke (proces)kosten van € 6.500 die hij in verband met de hogerberoepsprocedure heeft moeten maken.

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten, laat staan voor een veroordeling – in afwijking van de forfaitaire en de gelimiteerde tariefstelling als bedoeld in het artikel 2, lid 1, Bpb – in de werkelijke kosten aan de zijde van belanghebbende.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, C. Maas en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.

De griffier, de voorzitter,

A.S.H.M. Strik T.A. de Hek

De beslissing is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026011907 V-N Vandaag 2026/85
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?