ECLI:NL:GHDHA:2025:2690

ECLI:NL:GHDHA:2025:2690, Gerechtshof Den Haag, 05-08-2025, 200.337.435/01

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 05-08-2025
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 200.337.435/01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verzekeringsovereenkomst. Geen bewijs van diefstal van auto geleverd. Geen uitkering in verband met opzettelijk onjuiste voorstelling van zaken geven. Vergoeding van onderzoekskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.337.435/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 10000730 CV EXPL 22-2216

Arrest van 5 augustus 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.J.A. [betrokkene], kantoorhoudend in Eindhoven,

tegen

Goudse Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd in Gouda,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.A.J. Hulsbergen, kantoorhoudend in Den Haag.

Het hof noemt partijen hierna [appellant] en De Goudse.

1. De zaak in het kort

[appellant] meldt bij zijn verzekeraar, De Goudse, dat zijn auto is gestolen. De Goudse weigert [appellant] zijn schade te vergoeden omdat [appellant] opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken zou hebben gegeven met als doel een uitkering te krijgen waar hij geen recht op heeft. [appellant] mag bewijzen dat zijn auto is gestolen, maar slaagt daar niet in. Zijn vordering wordt afgewezen en hij moet de onderzoekskosten die De Goudse heeft gemaakt, vergoeden.

Ook in hoger beroep komt niet vast te staan dat de auto is gestolen, zodat het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 15 januari 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, van 19 januari 2023 (hierna: het bestreden tussenvonnis) en 26 oktober 2023 (hierna: het bestreden eindvonnis);

de memorie van grieven van [appellant];

de memorie van antwoord van De Goudse;

de akte van [appellant].

3. Feitelijke achtergrond

[appellant] heeft in eigendom een zwarte VW Golf personenauto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Hij heeft de auto verzekerd bij De Goudse. Op deze verzekering zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden Privé Pakket Online 2.0 alsmede de Aanvullende Voorwaarden Personenauto 6.0 van De Goudse.

Lopende deze verzekering heeft [appellant] op 16 juli 2021 bij De Goudse gemeld dat hij de auto op 10 juli 2021 voor het laatst heeft gebruikt en rond 15.00 uur met de afstandsbediening heeft afgesloten, waarna hij de volgende dag, rond 10.45 uur, bemerkte dat de auto was gestolen. [appellant] heeft aangifte van diefstal gedaan bij de politie.

Naar aanleiding van de haar gemelde diefstal heeft De Goudse CED ingeschakeld om een schade- en toedrachtonderzoek in te stellen. CED heeft dat onderzoek gedaan en heeft (onder meer) gerapporteerd dat:

de sleutels van de auto tijdens het laatste gebruik onder andere kilometerstand, storingen en onderhoudsgegevens opslaan;

één van de twee door [appellant] na 10 juli 2021 aangeleverde autosleutels voor het laatst is gebruikt op 9 juli 2021 te 15:27:24 uur;

de elektronica en transponder van de andere door [appellant] aangeleverde autosleutel dusdanig zijn beschadigd door kortsluiting, dat deze sleutel niet meer functioneerde en geen data meer bevatte;

aangezien er geen enkele werking was van de elektronica of van de transponder de auto met deze sleutel niet geopend of gestart kan worden;

deze kortsluiting niet door de batterij kan zijn ontstaan (de sleutel bevatte de juiste batterij), maar moedwillig is veroorzaakt doordat met een externe bron kortsluiting is veroorzaakt;

bij het openen van deze sleutel een brandlucht waarneembaar was;

aan de juistheid van de stelling van [appellant] getwijfeld kan worden omdat de enige werkende sleutel op 9 juli 2021 voor het laatst is gebruikt en dit dus niet de sleutel kan zijn waarmee [appellant] de auto op 10 juli 2021 heeft afgesloten;

er geen data zijn waaruit blijkt dat de sleutels op 10 juli 2021 zijn gebruikt:

niet kan worden uitgesloten dat er een derde sleutel aanwezig is geweest;

op de sleutel die voor het laatst op 9 juli 2021 is gebruikt een zestal actieve storingscodes zijn opgeslagen, te weten: het motorwaarschuwingslampje brandde, de melding storing startstopsysteem, een waarschuwing voor een fout in bochtenverlichting, een melding betreffende het roetfilter, het EPC-lampje brandde en een waarschuwing die betrekking had op een fout in de verwerking van de sleutelgegevens;

de in de sleutel opgeslagen codes op het dashboard van het voertuig zichtbaar moeten zijn geweest;

door het actief zijn van het motorwaarschuwingslampje niet uitgesloten is dat de motor in noodloop verkeerde, hetgeen voor de bestuurder merkbaar moet zijn geweest (gereduceerd vermogen);

CED op 19 oktober 2021 heeft gesproken met de heer [betrokkene] van Garagebedrijf Auto-Hulst, tijdens welk gesprek [betrokkene] heeft gezegd dat [appellant] de auto op 22 mei 2020 heeft aangeboden voor een Apk-keuring en de auto nadien niet is aangeboden voor reparatie of voor uitlezen en voorts, dat hij beschikt over diverse merken uitleesapparatuur en dat het updaten van deze apparatuur in eigen beheer plaatsvindt in de avonden;

bij garage [naam] is gevraagd naar de factuur van de grote beurt, waarna een foto van een handgeschreven nota, zonder factuurnummer, handtekening en specificatie, gedateerd 6 juli 2021 is ontvangen, in welke nota sprake is van een grijze Golf, terwijl de auto zwart was.

De Goudse heeft naar aanleiding van deze bevindingen bij brief van 26 oktober 2021 het voorlopige standpunt ingenomen dat [appellant] bij het claimen van de schade opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven met het doel De Goudse te bewegen tot het doen van een hogere uitkering dan waar hij recht op heeft. De Goudse vergoedt daarom de schadeclaim niet.

Bij brief van 26 november 2021 heeft de gemachtigde van [appellant] De Goudse gesommeerd om [appellant] de waarde van de gestolen auto te vergoeden, aan welke sommatie zij geen gevolg heeft gegeven.

4. Procedure bij de rechtbank

[appellant] heeft De Goudse gedagvaard en na eisvermindering gevorderd om De Goudse bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan [appellant] te voldoen € 16.000,00, te vermeerderen met rente en De Goudse te veroordelen in de proceskosten.

De Goudse heeft de vordering betwist en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. Vervolgens heeft De Goudse op haar beurt gevorderd (in reconventie) [appellant] te veroordelen tot betaling aan De Goudse van € 5.584,59 te vermeerderen met rente en kosten.

De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis [appellant] toegelaten a) tot het bewijs van zijn stelling dat de auto is gestolen en b) tot tegenbewijs tegen het voorshands bewezen feit dat zijn auto op 9 juli 2021 gebrekkig was.

In het bestreden eindvonnis zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen en de vorderingen van De Goudse toegewezen. [appellant] is, zowel in conventie als in reconventie, in de kosten van De Goudse veroordeeld.

5. Vorderingen in hoger beroep

[appellant] vordert vernietiging van de vonnissen van de kantonrechter en dat het hof zijn vorderingen alsnog toewijst en de vorderingen van De Goudse in reconventie alsnog afwijst.

[appellant] heeft de volgende grieven tegen het vonnis van de kantonrechter aangevoerd. Ten onrechte is overwogen dat [appellant] het bewijs zou moeten leveren van de diefstal (grief I). De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat het bewijs dat de auto gebrekkig was op voorhand was geleverd (grief II). Ten onrechte heeft de rechtbank geconcludeerd dat [appellant] niet geslaagd is in het leveren van het bewijs dat de auto op of omstreeks 10 juli 2021 gestolen is (grief III). Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat [appellant] de onderzoekskosten van € 5.584,59 moet voldoen aan De Goudse (grief IV).

De Goudse heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep en veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

6. Beoordeling in hoger beroep

grief I: bewijslastverdeling t.a.v. de diefstal

De kantonrechter heeft overwogen dat De Goudse de door [appellant] gestelde diefstal van de auto voldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat het bewijs van de diefstal niet als vaststaand kan worden aangenomen op grond van alleen de melding van [appellant] daarvan en zijn aangifte bij de politie. [appellant] is daarom in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren.

[appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat niet hij de bewijslast van de diefstal heeft, maar dat aan De Goudse het bewijs dat de diefstal niet had plaatsgevonden, had moeten worden opgedragen. Dit omdat er een aangifte van diefstal lag en de auto, die bij de woning van [appellant] geparkeerd stond, verdwenen was. [appellant] is als verzekerde de zwakkere partij en de verzekeringsovereenkomst moet naar redelijkheid en billijkheid worden uitgelegd. Daarbij had de rechtbank niet van het rapport van het onderzoeksbureau CED mogen uitgaan. Dit rapport is niet objectief en juist, aldus steeds [appellant].

Deze grief van [appellant] slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat (overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv) op degene die uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst als de onderhavige schadevergoeding ter zake van diefstal van zijn auto vordert, de bewijslast rust van zijn stelling dat de diefstal heeft plaatsgevonden, ingeval de verzekeraar die stelling gemotiveerd betwist. Volgens vaste rechtspraak is dit niet anders indien de dief niet kan worden opgespoord. Ook dan is bewijs van diefstal zeer wel mogelijk, te weten door bewijs te leveren van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden. [appellant] draagt dan ook de bewijslast van de door hem gestelde diefstal.

Voor zover [appellant] met zijn grieven nog heeft bedoeld te stellen dat De Goudse zijn stellingen niet gemotiveerd had betwist met het rapport van CED en de diefstal dus vaststond dan wel dat hij het bewijs met het verdwijnen van de auto en de aangifte bij de politie reeds voorshands geleverd had en het aan De Goudse was om dit bewijs te ontkrachten, overweegt het hof als volgt.

Hoewel [appellant] heeft gesteld dat hij, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de juistheid en de objectiviteit van de rapportage van CED betwist, heeft hij deze stelling (in eerste aanleg en ook in hoger beroep) niet nader concreet onderbouwd. Het enkele feit dat CED is ingeschakeld (sleutelonderzoek is naar De Goudse stelt een standaardprocedure) is in ieder geval onvoldoende om geen gevolgen aan het rapport te kunnen c.q. mogen verbinden. De in de rapportage vastgelegde bevindingen zijn inhoudelijk ook niet door [appellant] bestreden, zodat van deze omstandigheden moet worden uitgegaan. Evenmin heeft [appellant] een verklaring gegeven voor de bevindingen van CED. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een voorshands bewezen oordeel ten aanzien van de diefstal.

Grief III: bewijsbeoordeling ten aanzien van de diefstal

Ten aanzien van het slagen in het leveren van het bewijs van de gestelde diefstal overweegt het hof als volgt.

Aan het bewijs van een gestelde diefstal mogen in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om diefstal van een geparkeerde auto, geen al te zware eisen worden gesteld en de verzekerde zal in beginsel kunnen volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden. Daarbij kan, afhankelijk van hetgeen door de verzekerde aangaande de toedracht van de diefstal is gesteld en van hetgeen de verzekeraar ter betwisting daarvan heeft aangevoerd, onder omstandigheden de enkele aangifte van diefstal in een door de politie opgemaakt proces-verbaal als voldoende bewijs worden aanvaard.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij het bewijs van de diefstal heeft geleverd met 1) de aangifte, 2) zijn melding van de diefstal bij De Goudse, 3) de getuigenverklaring van [getuige] en 4) zijn eigen getuigenverklaring die overeenkomt met die van [getuige].

In dit geval heeft De Goudse de diefstal gemotiveerd betwist. De Goudse heeft er hierbij op gewezen dat uit het rapport van CED blijkt dat het niet mogelijk is dat [appellant] de auto op 10 juli 2021 rond 15.00 uur heeft afgesloten zoals hij heeft gemeld. Uit de data van één uitgelezen sleutel blijkt dat deze op 9 juli 2021 om 15:27:24 uur voor het laatst is gebruikt en dat de andere sleutel onbruikbaar was en daarmee de auto dus ook niet kon zijn afgesloten op 10 juli 2021 dan wel deze sleutel nadien onbruikbaar is gemaakt zodat daaruit geen gegevens konden worden afgeleid. Volgens [appellant] is er geen derde sleutel, dus daarmee kan de auto op 10 juli 2021 ook niet zijn afgesloten. Onder deze omstandigheden is de enkele aangifte naar het oordeel van het hof niet voldoende voor het bewijs en is nader bewijs nodig.

Met de onder 6.8 genoemde bewijsmiddelen (en ook anderszins) is echter geen afdoende verklaring gekomen voor het feit dat er geen data zijn van het afsluiten van de auto op 10 juli 2021. Ook heeft [appellant] niet verklaard hoe en op welke wijze (en met gebruik van welke sleutel) hij de auto dan heeft afgesloten. Voor zover hij heeft willen betogen dat hij de auto heeft afgesloten met de sleutel die ten tijde van het onderzoek door CED onbruikbaar was door te stellen dat door een beetje te schudden of ergens tegenaan tikken de sleutel weer werkte, is dit - in het licht van de bevindingen door CED die door [appellant] inhoudelijk niet zijn betwist - onvoldoende onderbouwd. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat [appellant] op 10 juli 2021 de auto heeft afgesloten zoals door hem is verklaard. De enkele verklaring van [getuige], die verklaart dat zij op 10 juli 2021 zag dat de auto niet meer voor het huis stond en in de buurt ook niet te vinden was, zonder andere omstandigheden die op diefstal van de auto wijzen, is dan onvoldoende om een diefstal te kunnen aannemen.

Dit betekent dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat [appellant] niet geslaagd is in het leveren van het bewijs dat de auto is gestolen en reeds hierom de vordering van [appellant] terecht heeft afgewezen. [appellant] heeft in hoger beroep aangeboden nog nader bewijs te leveren door het horen van een viertal getuigen met betrekking tot de beide verstrekte bewijsopdrachten, maar het hof is van oordeel dat dit bewijsaanbod niet voldoende specifiek is om tot nader bewijs van de diefstal van de auto te worden toegelaten. In hoger beroep mag van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. [appellant] heeft echter niet nader gespecificeerd met betrekking tot welke stellingen (of welke bewijsopdracht) deze getuigen iets zouden kunnen verklaren. De namen van de getuigen komen in het dossier wel voor, maar voor zover het hof kan vaststellen, worden ze alleen genoemd in het kader van het tegenbewijs tegen het voorshands vaststaande feit dat zijn auto op 9 juli 2021 gebrekkig was en niet met betrekking tot de diefstal. Nu de diefstal niet is komen vast te staan, heeft [appellant] geen belang bij het leveren van bovengenoemd tegenbewijs.

Dit alles betekent dat niet is komen vast te staan dat de auto van [appellant] is gestolen en reeds om deze reden zijn vordering moet worden afgewezen. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] geen belang meer bij het behandelen van zijn grief II.

Grief IV

Grief IV is gericht tegen de toewijzing van de onderzoekskosten van € 5.584,59. Deze grief faalt. Het standpunt van [appellant] dat de kosten moeten worden afgewezen omdat De Goudse de schade onmiddellijk had moeten vergoeden en zijn vordering had moeten worden toegewezen, is onjuist. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft De Goudse op juiste gronden geweigerd de gestelde schade van [appellant] te vergoeden.

[appellant] heeft verder nog aangevoerd dat de declaratie van De Goudse buitensporig hoog is en de gedeclareerde uren in redelijkheid niet juist kunnen zijn. Ook is het gehanteerde uurtarief niet duidelijk en evenmin is duidelijk waarom zij dat in rekening zou mogen brengen, aldus [appellant]. Van [appellant] mocht echter verwacht worden dat hij deze betwisting nader had onderbouwd en had toegelicht waarom dat dit het geval is, omdat De Goudse haar kosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep van een nadere toelichting en van een onderbouwing met stukken heeft voorzien. Omdat [appellant] dat heeft nagelaten, kan ook op dit punt deze grief niet slagen.

Conclusie en proceskosten

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van De Goudse op:

griffierecht € 2.175,00

salaris advocaat € 1.214,00 (1punt × tarief II)

nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 3.567,00

7. Beslissing

Het hof:

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Verkerk, M.J. van der Ven en K. Engel en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?