GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.344.386/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/645910 / HA ZA 22-811
Arrest van 23 september 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. W.P. Groenendijk, kantoorhoudend in Zwijndrecht,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.D. Winter, kantoorhoudend in 's-Gravenhage.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].
1. De zaak in het kort
Naar aanleiding van het tussenarrest hebben beide partijen een akte genomen. [geïntimeerde] heeft niet de gevraagde aantekeningen in het geding gebracht.
Het hof oordeelt, mede op grond van artikel 21 en 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), dat [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, dat [appellant] een bedrag van € 20.300,00 onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald. Voor het overige wordt [appellant] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren.
2. Het verdere procesverloop in hoger beroep
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
het arrest van dit hof van 18 februari 2025 (hierna: tussenarrest) en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het akteverzoek van [geïntimeerde], met bijlagen;
de antwoordakte van [appellant].
3. De verdere beoordeling in hoger beroep
In het tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] bevolen de aantekeningen over te leggen van het geld dat hij aan [appellant] uitleende en van de rekeningen en schulden die hij voor [appellant] betaalde, omdat [geïntimeerde] ter zitting had verklaard dat hij daar aantekeningen van bijhield.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] niet aan dit bevel heeft voldaan. Voor het niet in geding brengen van de aantekeningen heeft [geïntimeerde] geen verklaring gegeven, behalve dat hij stelt dat van de contante bedragen begrijpelijkerwijs geen administratie is bijgehouden vanwege de persoonlijke band tussen partijen. Dit thans ingenomen standpunt staat haaks op zijn eerdere verklaring hierover ter zitting. Wel heeft [geïntimeerde] bankafschriften van de Stichting ter Ondersteuning van het Welzijn en de Volksgezondheid in Suriname (Stowevos) en een leaseovereenkomst tussen [naam] Autolease en Stowevos overgelegd met [appellant] als berijder van de geleasde Mercedes. Uit het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel is op te maken dat [geïntimeerde] en [appellant] bestuurders waren van Stowevos. Echter, hoe en op welke wijze deze stukken tot de conclusie moeten leiden dat [geïntimeerde] (zelf) geld aan [appellant] heeft uitgeleend en rekeningen en schulden voor hem heeft betaald, heeft [geïntimeerde] niet uitgelegd of toegelicht. Dit had wel van [geïntimeerde] verwacht mogen worden, nu Stowevos een rechtspersoon is en niet gelijkgesteld kan worden met [geïntimeerde]. Al deze stukken ondersteunen dan ook niet de stelling van [geïntimeerde] dat hij voor een bedrag van € 25.300,00 geld aan [appellant] heeft geleend dat door [appellant] op 26 januari 2021 weer is terugbetaald. Wel heeft [geïntimeerde] nogmaals gewezen op betalingen die hij voor [appellant] heeft gedaan voor de tuin, waarvan hij een offerte van Topp-in (28/9/2020) heeft overgelegd en bankoverschrijvingen, waarop het hof een betaling van € 2.000,00 ziet aan Topp-in en van € 3.000,00 aan [appellant]. Hoewel [geïntimeerde] stelt dat hieruit blijkt dat hij € 8.000,00 heeft betaald voor [appellant], blijft een begrijpelijke toelichting daarop uit.
Het hof stelt vast dat een deugdelijke onderbouwing van de betwisting dat [appellant] het geld zonder rechtsgrond heeft overgemaakt tot op heden ontbreekt, terwijl [geïntimeerde] daartoe verschillende mogelijkheden heeft gehad. Daar komt bij dat de stellingen van [geïntimeerde] op het punt dat de overschrijving van € 25.300,00 een terugbetaling van leningen en voor [appellant] gedane betalingen betrof iedere keer wisselen en niet consistent zijn. Aanvankelijk heeft [geïntimeerde] gesteld dat het om een geldlening ging die giraal was overgemaakt. Als getuige heeft [geïntimeerde] vervolgens verklaard dat het bedrag deels contant is verstrekt, deels is overgemaakt en deels is voorgeschoten (het bedrag dat aan de tuinman van Topp-in is betaald). Daarnaast heeft [geïntimeerde] nog verklaard dat het ging om bedragen die [appellant] had geleend bij het overlijden van zijn grootvader, toen hij naar Irak ging om zijn hypotheek en andere kosten te betalen, voor een ticket naar Suriname en voor vervoerskosten. Ook het bedrag van € 5.650,00 euro maakte volgens [geïntimeerde] onderdeel uit van deze lening, waarvan het eerste bedrag toen ongeveer tien jaar geleden uitgeleend zou zijn. In zijn laatste akte stelt [geïntimeerde] echter dat het zou gaan om gelden die vanaf 2019 beschikbaar zijn gesteld.
Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Het hof stelt, gelet op het bovenstaande, vast dat [geïntimeerde] niet aan deze verplichting heeft voldaan.
Dit alles brengt mee dat het hof van oordeel is dat [geïntimeerde] de stelling van [appellant] dat hij, ondanks de vermelding ‘Bedankt voor het lenen’, op 21 januari 2021 zonder rechtsgrond € 25.300 aan [geïntimeerde] heeft overgemaakt onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, met uitzondering van het bedrag van € 5.000,00 in verband met de tuinwerkzaamheden. Dat [geïntimeerde] dit bedrag voor de tuinwerkzaamheden heeft voldaan, heeft [appellant] namelijk niet betwist. Hiervan staat dan ook vast dit deel niet onverschuldigd door [appellant] aan [geïntimeerde] is voldaan. Voor het geven van een bewijsopdracht ten aanzien van dit twistpunt tussen partijen bestaat dan ook geen aanleiding meer. Dit alles betekent dat [geïntimeerde] een bedrag van € 20.300,00 aan [appellant] dient terug te betalen.
Samenvattend betekent dit tot nu toe dat:
[appellant] aan [geïntimeerde] het bedrag van € 40.000,00 en € 2.000,00 moet betalen;
[appellant] in de gelegenheid wordt gesteld te bewijzen dat hij van dit bedrag al € 10.000,00 heeft terugbetaald (zie 6.8 van het tussenarrest);
[geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 20.300,00 moet betalen;
[appellant] in de gelegenheid wordt gesteld te bewijzen dat aan de overboeking van € 5.000,00 op 21 april 2021 door [appellant] op de rekening van [geïntimeerde] een rechtsgrond ontbrak (zie 6.18 van het tussenarrest).
Het hof zal [appellant] toelaten tot het leveren van het in 6.8 en 6.18 van het tussenarrest genoemde bewijs. De zaak zal naar de rol worden verwezen, zodat [appellant] zich uit kan laten over de wijze waarop hij dit bewijs wil leveren. Als [appellant] getuigen wil laten horen zal het getuigenverhoor worden afgenomen door mr. M. Verkerk, die het hof als raadsheer-commissaris zal benoemen. [appellant] dient dan op de rol direct de verhinderdata van beide partijen (en bij voorkeur ook die van de eventuele getuigen) op te geven aan de hand waarvan een getuigenverhoor gepland zal worden.
In afwachting van de bewijslevering worden alle overige beslissingen aangehouden.
4. Beslissing
Het hof:
- laat [appellant] toe tot het leveren van het bewijs van zijn stelling dat:
Dit arrest is gewezen door mr. M. Verkerk, mr. E.I. Mentink en mr. B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2025 in aanwezigheid van de griffier.