GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.336.388/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 9323053 CV EXPL 21-22884
Arrest van 23 september 2025
in de zaak van
[appellante] ,
wonend in [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. H.J. Ruysendaal, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. B. el Ouath, kantoorhoudend in Rotterdam (Hoogvliet).
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en [geïntimeerde].
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde] heeft via zijn bouwbedrijf werkzaamheden voor [appellante] uitgevoerd. Op enig moment heeft [appellante] een bedrag van € 4.250,- op de privérekening van [geïntimeerde] overgemaakt met de vermelding ‘lening’. [appellante] vordert in deze procedure terugbetaling van dit bedrag. [geïntimeerde] meent dat hij niet tot terugbetaling verplicht is omdat het bedrag niet van [appellante] is geleend, maar door haar is betaald voor uitgevoerd werk. [geïntimeerde] vordert voor het geval hij de lening moet terugbetalen betaling van € 9.047,50 wegens verrichte meerwerkzaamheden. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis de lening voorshands bewezen geacht en [geïntimeerde] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter [geïntimeerde] in zijn tegenbewijslevering geslaagd geacht en de vordering van [appellante] afgewezen.
Het hof oordeelt, evenals de kantonrechter, dat [appellante] voorshands heeft bewezen dat zij € 4.250,- aan [geïntimeerde] heeft uitgeleend. Anders dan de kantonrechter acht het hof [geïntimeerde] niet geslaagd in zijn tegenbewijslevering. De vordering van [appellante] wordt daarom alsnog toegewezen. De tegenvordering van [geïntimeerde] tot betaling van meerwerk wordt afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat er nog werk is verricht dat niet is betaald.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 24 november 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2023;
het arrest van dit hof van 20 februari 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 mei 2024;
de memorie van grieven van [appellante], met bijlagen;
de memorie van antwoord van [geïntimeerde].
3. Feitelijke achtergrond
[geïntimeerde] exploiteert een bouwbedrijf onder de naam Bouwbedrijf [naam bedrijf].
Vanaf april 2018 heeft [geïntimeerde] in opdracht van [appellante] diverse verbouwingswerkzaamheden in haar huis verricht.
[geïntimeerde] heeft voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden aan [appellante] facturen gestuurd.
[appellante] heeft de in de facturen genoemde bedragen steeds vrijwel direct na ontvangst overgemaakt op de daarin genoemde bankrekening van Bouwbedrijf [naam bedrijf] onder vermelding van het factuurnummer. Van deze betalingen ontving zij vanuit het administratiesysteem van Bouwbedrijf [naam bedrijf] betalingsbevestigingen.
Over de periode van april 2018 tot en met februari 2019 heeft [appellante] in totaal een bedrag van € 84.728,80 aan [geïntimeerde] betaald.
Op 15 november 2018 hebben [appellante] ([appellante]) en [echtgenote geïntimeerde] ([echtgenote geïntimeerde]), de echtgenote van [geïntimeerde] ([geïntimeerde]), het volgende whatsapp-gesprek gevoerd:
Op 20 maart 2019 heeft het volgende whatsapp-gesprek plaatsgevonden tussen de telefoonnummers van [appellante] ([appellante]) en [geïntimeerde] ([geïntimeerde]):
Op diezelfde dag heeft [appellante] een bedrag van € 4.250,- overgemaakt op de privé-bankrekening van [geïntimeerde] met omschrijving: ‘lening’.
Na 20 maart 2019 heeft [geïntimeerde] geen werkzaamheden meer uitgevoerd voor [appellante].
Op 1 juli 2019 en 4 augustus 2019 heeft het volgende whatsapp-gesprek plaatsgevonden tussen de telefoonnummers van [appellante] ([appellante]) en [geïntimeerde] ([geïntimeerde]):
Bij brief van 24 februari 2021 heeft de gemachtigde van [appellante] aan [geïntimeerde] onder meer geschreven dat op 20 maart 2019 tussen [appellante] en [geïntimeerde] een geldleningsovereenkomst is gesloten voor een bedrag van € 4.250,-, dat is afgesproken dat [geïntimeerde] dat bedrag in negen maandelijkse termijnen zou terugbetalen, dat hij met diverse smoezen onder zijn betalingsverplichting probeert uit te komen, dat de laatste termijn ruimschoots is verstreken en dat thans betaling van het gehele bedrag wordt verzocht.
Bij factuur van 8 maart 2021 heeft [geïntimeerde] niet eerder in rekening gebrachte uren en werkzaamheden bij [appellante] in rekening gebracht. Het totaalbedrag van deze factuur is € 9.047,50. Op dit bedrag is een voorschot van € 8.500,- in mindering gebracht, zodat nog een bedrag van € 662,48 resteert.
[appellante] heeft haar vordering ter incasso uit handen gegeven. Door de incassogemachtigde is [geïntimeerde] aangemaand tot betaling van € 4.250,- vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en rente.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellante] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd hem te veroordelen om aan haar te voldoen een bedrag van € 4.250,- aan hoofdsom, € 179,75 aan wettelijke rente over de hoofdsom tot de dag van dagvaarding en € 665,50 aan buitengerechtelijke kosten, dus in totaal € 5.095,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.250,- vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
Aan de vordering heeft [appellante] naast de vaststaande feiten, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Naast de zakelijke relatie die tussen partijen is ontstaan op grond van de aan [geïntimeerde] opgedragen verbouwingswerkzaamheden, is tussen partijen ook een vriendschappelijke band ontstaan. Op of rond 20 maart 2019 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] gevraagd of zij hem uit de brand kon helpen omdat hij wat zakelijke tegenslagen had en behoefte had aan geld op korte termijn. [appellante] heeft daarmee ingestemd en een lening ter hoogte van € 4.250,- aan [geïntimeerde] verstrekt met de afspraak dat hij het geleende bedrag via een kortlopende betalingsregeling zou terugbetalen. [appellante] heeft het geld op de privérekening van [geïntimeerde] overgeboekt met de vermelding ‘lening’. Ondanks diverse toezeggingen heeft [geïntimeerde] het geld niet terugbetaald. Bij brief van 30 oktober 2019 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] verzocht binnen zeven dagen aan haar te laten weten op welke wijze hij het bedrag ging terugbetalen.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. [geïntimeerde] heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Tussen [appellante] en [geïntimeerde] is geen leningsovereenkomst gesloten. De betaling van € 4.250,- was een deelbetaling voor de aanvullende werkzaamheden die [geïntimeerde] heeft verricht en die niet in de eerder opgestelde facturen waren meegenomen. [geïntimeerde] heeft daarom aan [appellante] in maart 2019 om een extra betaling verzocht. Voor de extra uitgevoerde werkzaamheden heeft [geïntimeerde] in totaal een bedrag van € 8.500,- van [appellante] ontvangen. Dit bedrag dekt echter niet de totale kosten van de extra werkzaamheden; er resteert nog een bedrag van € 662,48.
Dat [appellante] bij de betaling van het bedrag van € 4.250,- ‘lening’ heeft vermeld, is [geïntimeerde] pas bekend geworden toen hij door de incassogemachtigde werd aangeschreven. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] abusievelijk ‘lening’ in plaats van ‘voorschot’ opgenomen in de omschrijving. De brief van 30 oktober 2019 heeft [geïntimeerde] niet ontvangen.
[geïntimeerde] heeft op zijn beurt, voor het geval de vordering van [appellante] zou worden toegewezen, (in voorwaardelijke reconventie) gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van € 9.047,50 te vermeerderen met btw en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
Aan die vordering heeft [geïntimeerde], naast hetgeen hij in conventie heeft aangevoerd, het volgende ten grondslag gelegd. Indien de vordering in conventie wordt toegewezen en [appellante] in een andere procedure de andere, in rov. 6.4.1 nader aangeduide deelbetaling terugvordert, heeft [geïntimeerde] nog aanspraak op betaling van de factuur betreffende de extra uitgevoerde werkzaamheden ter hoogte van € 9.047,50 te vermeerderen met btw.
[appellante] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in voorwaardelijke reconventie. Zij heeft daartoe, naast hetgeen zij reeds in conventie heeft gesteld, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is geen overeenkomst gesloten voor het uitvoeren van de gestelde extra werkzaamheden en [appellante] betwist dat [geïntimeerde] die extra werkzaamheden heeft uitgevoerd. De factuur met de extra werkzaamheden is een spookfactuur en betreft een reactie op de incassobrief van [appellante]. Deze factuur is ook niet opgenomen in het administratiesysteem dat [geïntimeerde] gebruikt. Voorts heeft [appellante] ook geen bevestiging gekregen van de betaling van € 4.250,- terwijl zij deze bij alle andere betalingen steeds wel heeft gekregen. Ook blijkt niet wanneer [appellante] dan het andere deel zou hebben betaald om te komen tot het gestelde ‘voorschot’ van € 8.500,-. Voorts is het vreemd dat [appellante] op 23 maart 2021 de factuur ontvangt, terwijl zij het bedrag van € 4.250,- op 20 maart 2019 heeft betaald en evenmin een voorschotfactuur heeft ontvangen. [appellante] heeft nooit een voorschotfactuur ontvangen; daar was ook geen reden toe omdat zij de facturen altijd direct heeft betaald. De betaling van € 4.250,- is gedaan op de privérekening van [geïntimeerde], hetgeen er tevens op wijst dat de betaling geen betrekking had op de bedrijfsmatige activiteiten van [geïntimeerde]. Indien wordt geoordeeld dat [appellante] uit hoofde van de overeenkomst tot het uitvoeren van werkzaamheden nog iets verschuldigd zou zijn, kan dat nimmer het gevorderde bedrag zijn, nu [geïntimeerde] heeft erkend dat door [appellante] tweemaal een bedrag van € 4.250,- is betaald.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en overwogen dat daarom niet wordt toegekomen aan de voorwaardelijke vordering van [geïntimeerde]. [appellante] is in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld.
5. Vorderingen in hoger beroep
[appellante] vordert dat het hof het eindvonnis vernietigt en [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 4.250,- met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in eerste aanleg en hoger beroep en met veroordeling tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter aan [geïntimeerde] mocht hebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.
[appellante] heeft drie grieven tegen het vonnis aangevoerd die hierna in de beoordeling worden besproken.
6. Beoordeling in hoger beroep
De vordering van [appellante]
Aan de orde is de vraag of [appellante] € 4.250,- aan [geïntimeerde] heeft uitgeleend of dat er een andere rechtsgrond was voor het overmaken van dit geldbedrag op de privérekening van [geïntimeerde].
Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] geen partijgetuige is als bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv en dat de beperking van de bewijskracht van de verklaring van een partijgetuige dus niet geldt voor de door hem afgelegde getuigenverklaring. Deze beperking geldt alleen voor de verklaring van de partij die de bewijslast heeft en dat is, zo is door [appellante] ook niet bestreden, [appellante]. Grief I, die ervan uitgaat dat [geïntimeerde] moet worden aangemerkt als partijgetuige, moet dan ook falen.
De overige grieven (II en III) richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] is geslaagd in het leveren van tegenbewijs en daarmee het voorshands geleverd geachte bewijs dat [appellante] een bedrag van € 4.250,- aan hem heeft uitgeleend, heeft ontzenuwd. [appellante] heeft, naar zij stelt, wel degelijk dit bedrag aan hem uitgeleend. Zij heeft in hoger beroep haar stellingen nader onderbouwd en aanvullende bewijsstukken overgelegd. Hierbij heeft zij nog aangevoerd dat het - uiteindelijk door haar erkende - door [geïntimeerde] gedane meerwerk niet eraan in de weg staat dat zij een geldbedrag aan hem heeft uitgeleend.
Deze grieven, die ertoe strekken het geleverde bewijs opnieuw te waarderen, slagen. Het hof stelt voorop dat op [appellante] de bewijslast rust dat partijen een overeenkomst van geldlening hebben gesloten, omdat zij zich beroept op het rechtsgevolg daarvan: het recht op terugbetaling. Ook het hof acht voorshands bewezen dat [appellante] € 4.250,- aan [geïntimeerde] heeft geleend. Maar anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen dit voorshands bewijsoordeel. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het overschrijvingsbewijs van [appellante] vermeldt ‘lening’. Dit duidt erop dat [appellante] de bedoeling had het geldbedrag uit te lenen en niet om daarmee (meer)werkzaamheden of een voorschot voor materiaalkosten te betalen, zoals door [geïntimeerde] is aangevoerd. Dit wordt bevestigd door het op 20 maart 2019 gevoerde whatsapp-gesprek tussen [appellante] en [geïntimeerde] (of zijn echtgenote). In het licht van deze omstandigheden heeft [geïntimeerde] de verklaringen van [appellante] in ieder geval redelijkerwijs in die zin moeten opvatten dat zij het bedrag van € 4.250,- bij wijze van lening naar de privérekening van [geïntimeerde] heeft overgemaakt en dat dit bedrag op enig moment moest worden terugbetaald. Dat aldus een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, wordt ondersteund door de verklaring van [appellante] dat [geïntimeerde] haar heeft gevraagd hem € 4.250,- te lenen en zij later via whatsapp zijn privé-bankrekeningnummer en het bedrag kreeg doorgestuurd. Ook de whatsapp-gesprekken van 11 juli 2019 en 4 augustus 2019 ondersteunen de stelling van [appellante] dat het ging om een lening en niet om een betaling van werkzaamheden of een voorschot. [geïntimeerde] heeft destijds niet geprotesteerd tegen berichten van [appellante] die inhielden dat zij geld aan hem had geleend en dat deze lening terugbetaald moest worden. Dat het hier zou gaan om de lening(en) die de echtgenote van [geïntimeerde] van [appellante] zou hebben gekregen is niet aannemelijk. Volgens de verklaring van [appellante] zijn aan de echtgenote drie bedragen – € 3.000,-, € 1.000,- en € 250,- – geleend die op verschillende tijdstippen aan haar zijn overgemaakt. De gesprekken over die leningen zijn alle gevoerd met het telefoonnummer van de echtgenote zelf waarbij zij aan [appellante] vroeg om het ’tussen hen te houden’, met andere woorden: [geïntimeerde] hiervan niet op de hoogte te stellen. Daarnaast begon [appellante] het gesprek op 1 juli 2019 met de aanhef ‘[geïntimeerde]’. Ook als zijn echtgenote mede gebruikmaakte van zijn mobiele telefoon, heeft [geïntimeerde] uit deze aanhef redelijkerwijs moeten begrijpen dat dit bericht van [appellante] (alleen) voor hem, en niet voor zijn echtgenote, was bestemd. Op grond van deze feiten en omstandigheden is het bewijs dat [appellante] € 4.250,- aan [geïntimeerde] heeft geleend (voorshands) geleverd.
Het door [geïntimeerde] in eerste aanleg geleverde tegenbewijs zal het hof opnieuw waarderen. Daarbij wordt opgemerkt dat [geïntimeerde] het bewijs dat sprake is van een lening alleen hoeft te ontzenuwen; hij hoeft niet te bewijzen dat het ging om een betaling van (meer)werkzaamheden, zoals door [geïntimeerde] is aangevoerd. Dit tegenbewijs acht het hof niet geleverd. In de conclusie van antwoord heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat mondeling is afgesproken dat de aanpassingen die achteraf nog waren gedaan en meerwerk hadden opgeleverd die niet in de facturen waren opgenomen, alsnog betaald zouden worden en dat (onder andere) de betaling van € 4.250,- hierop zag. De werkzaamheden waren toen dus al uitgevoerd. Dit strookt niet met de getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en zijn echtgenote hierover. Als getuige heeft [geïntimeerde] immers verklaard dat de betaling voor hem reden was om weer door te gaan met de werkzaamheden. Ook zijn echtgenote heeft verklaard dat het om een voorschot ging om materiaal van te kopen. Tussen partijen staat echter vast dat er na 20 maart 2019 door [geïntimeerde] geen werkzaamheden meer zijn uitgevoerd. Daarnaast is de verklaring van [geïntimeerde] over de gang van zaken bij deze betaling niet in overeenstemming met de wijze waarop [appellante] de andere betalingen in het kader van de uitgevoerde werkzaamheden aan [geïntimeerde] heeft gedaan. [appellante] betaalde [geïntimeerde] steeds vrijwel direct na ontvangst van de facturen via de bankrekening van Bouwbedrijf [naam bedrijf], het bedrijf van [geïntimeerde] en niet via zijn privérekening en kreeg daarvan ook een betalingsbevestiging. Van voorschotbetalingen was nooit sprake.
[geïntimeerde] heeft in hoger beroep een (algemeen) bewijsaanbod gedaan. In aanmerking genomen dat [geïntimeerde] in eerste aanleg al tot bewijslevering is toegelaten, ziet het hof geen aanleiding om hem nogmaals in de gelegenheid te stellen (aanvullend) tegenbewijs te leveren tegen het bewijs van de lening. Hoewel een bewijsaanbod tot tegenbewijslevering in beginsel niet, ook niet in appel, hoeft te worden gespecificeerd, is dit anders indien in eerste aanleg reeds in het kader van door een partij te leveren tegenbewijs getuigen zijn gehoord en het bewijsaanbod dat die partij vervolgens in appel doet, gericht is op het leveren van aanvullend tegenbewijs. In een zodanige situatie mag van [geïntimeerde] worden verwacht dat hij dit bewijsaanbod nader toelicht, bijvoorbeeld door te specificeren dat en waarom hij (bepaalde) getuigen (opnieuw) wil doen horen en met name door te specificeren waarover hij getuigen wil doen horen en door opgave van de namen van die getuigen. Dat heeft [geïntimeerde] niet gedaan.
De conclusie is dat de vordering van [appellante] tot betaling van € 4.250,-, zoals in hoger beroep beperkt, alsnog moet worden toegewezen en het hoger beroep in die zin slaagt. Ook de rente over dit bedrag vanaf de dag van de dagvaarding (in eerste aanleg) zal worden toegewezen. Voor het overige heeft [appellante] in hoger beroep geen vorderingen ingesteld.
De vordering van [geïntimeerde]
Voor het geval de vordering van [appellante] tot terugbetaling van de lening zou worden toegewezen, heeft [geïntimeerde] in reconventie betaling van € 9.047,50 gevorderd in verband met onbetaald meerwerk. Omdat de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld in verband met het slagen van de grieven II en III van [appellante] in hoger beroep alsnog is vervuld, komt het hof ook aan de beoordeling van deze tegenvordering toe.
Het hof stelt voorop dat de stelplicht en de bewijslast dat [geïntimeerde] meerwerk heeft verricht dat door [appellante] nog niet is betaald, op [geïntimeerde] rusten. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] deze stelling niet voldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering komt het hof dan ook niet toe. Ten eerste heeft [geïntimeerde] destijds, nadat het meerwerk volgens hem was verricht, geen facturen opgemaakt en niet gesteld of gebleken is dat hij [appellante] anderszins heeft verzocht om betaling van meerwerk. Pas nadat [appellante] om terugbetaling van de lening had verzocht, heeft [geïntimeerde] een factuur met betrekking tot dit meerwerk opgemaakt en aan [appellante] verstuurd. De getuigenverklaringen over wanneer het meerwerk zou zijn verricht, zijn niet consistent. Vast staat dat er na 20 maart 2019 geen werkzaamheden meer voor [appellante] zijn verricht en dat daarna ook de sleutel van het huis van [appellante] door [geïntimeerde] is teruggeven. Ook toen is geen factuur gestuurd, althans niet om betaling van werkzaamheden verzocht. In het geval dat [geïntimeerde], zoals hij stelt, de (in conventie bewezen geachte) leningen, die qua hoogte vrijwel overeenkomen met het bedrag aan volgens [geïntimeerde] onbetaald gebleven (meer)werkzaamheden, hiermee heeft willen verrekenen, is gesteld noch gebleken dat hij zich tegenover [appellante] (via een tot haar gerichte verklaring) heeft beroepen op verrekening (artikel 6:127 lid 1 BW). Daarnaast heeft [appellante] als verweer aangevoerd dat zij ook nog ‘buiten de boeken om’ contante betalingen aan [geïntimeerde] heeft gedaan. Dit vindt steun in de whatsapp-berichten van de echtgenote van [geïntimeerde], waarin staat dat [geïntimeerde] een groot deel van de werkzaamheden zwart wilde doen en ze dat zouden gaan bespreken (zie onder 3.6). Daar komt nog bij dat [appellante] alle rekeningen die zij heeft gekregen per ommegaande aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Hoe en op welke wijze er onder deze omstandigheden na de beëindiging van de werkzaamheden toch nog onbetaalde werkzaamheden zouden zijn, is door [geïntimeerde] niet toegelicht.
Tot slot en ten overvloede overweegt het hof nog dat [geïntimeerde] ook geen (voldoende) specifiek bewijs aanbiedt van het gestelde onbetaalde meerwerk. [geïntimeerde] heeft niet vermeld op welke stellingen het slechts in algemene bewoordingen gedane bewijsaanbod betrekking heeft. Om deze reden komt het hof ook op dit punt niet toe aan bewijslevering.
Dit alles betekent dat de vordering die [geïntimeerde] in reconventie heeft ingesteld, moet worden afgewezen.
conclusie en proceskosten
Het eindvonnis van de kantonrechter moet vernietigd worden en de vordering van [appellante] tot betaling van het bedrag van € 4.250,- met rente zal alsnog worden toegewezen.
[geïntimeerde] zal, gelet op deze uitkomst, in de kosten in eerste aanleg worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 348,22 (dagvaarding van € 108,22 en griffierecht van € 240,-) aan verschotten en op € 1.188,- aan salaris voor de gemachtigde.
[appellante] is in eerste aanleg ten onrechte in de proceskosten van [geïntimeerde] van € 1.188,- veroordeeld. Overeenkomstig haar vordering wordt [geïntimeerde] veroordeeld tot terugbetaling hiervan als [appellante] deze kosten aan [geïntimeerde] heeft voldaan.
[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep in conventie en in reconventie aan de zijde van [appellante] op:
griffierecht € 343,-
salaris advocaat € 1.716,- (2 punten × tarief I)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.237,-
7. Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2023 met zaaknummer 9323053 CV EXPL 21-22884;
en opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [geïntimeerde] in conventie tot betaling aan [appellante] van € 4.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2021 tot aan de dag van betaling;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg en begroot deze kosten aan de zijde van [appellante] op € 348,22 aan verschotten en op € 1.188,- aan salaris voor de gemachtigde;
- veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het vernietigde eindvonnis aan [geïntimeerde] mocht hebben voldaan;
- wijst af de vorderingen in reconventie van [geïntimeerde];
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in hoger beroep in conventie en in reconventie, aan de zijde van [appellante] begroot op € 2.237,-;
- bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Verkerk, C.J. Verduyn en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2025 in aanwezigheid van de griffier.