GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.344.816/03
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op grond van artikel 29a lid 1 Rv op de zitting van 12 december 2025
in de zaak van
[verzoekster] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Polen),
verzoekster,
advocaat: mr. M.W. Rijsdijk, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Napiferyn Biotech SP.Z.O.O.,
gevestigd in Lódź (Polen),
verweerster,
advocaat: mr. J.M.J.A. Krens, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en Napiferyn.
Alle partijen zijn op de mondelinge behandeling verschenen. Zij hebben tijdens die mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht, gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van het hof beantwoord. Daarna heeft het hof de zitting voor korte tijd geschorst en zich beraden. Na hervatting van de zitting heeft het hof met toepassing van artikel 29a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de hierna volgende mondelinge uitspraak gedaan.
1. Inleiding
[verzoekster] heeft het hof verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Het hof heeft zich over de zaak beraden en de uitkomst daarvan is dat het hof [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaart in haar verzoek. Het hof gaat nu uitleggen waarom.
2. Achtergrond van de zaak
In een procedure tussen partijen die aanhangig is bij dit hof, eist [verzoekster] een aantal octrooien en octrooiaanvragen in mede-eigendom op van Napiferyn (hierna: de Opeisingsprocedure). Met de Opeisingsprocedure is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de Rechtbank Den Haag van 15 mei 2024 waarin haar opeisingsvorderingen zijn afgewezen (ECLI:NL:RBDHA:2024:8045). In de Opeisingsprocedure is een van de punten van geschil de uitleg van een investeringsovereenkomst die partijen hebben gesloten. Ter ondersteuning van haar standpunt wenst [verzoekster] bewijs te verzamelen door middel van een voorlopig getuigenverhoor over die vraag en andere geschilpunten in die procedure.
[verzoekster] heeft het hof in een verzoekschrift verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen om twee getuigen te horen. Napiferyn heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek. Het verzoekschrift in de onderhavige procedure is ingekomen ter griffie van het hof op 7 januari 2025. Het is op die datum per e-mail en per koerier aan het hof toegestuurd.
3. Beoordeling
Op grond van artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is op dit verzoekschrift het sinds 1 januari 2025 geldende, nieuwe bewijsrecht van toepassing. Op de Opeisingsprocedure is het ‘oude’ bewijsrecht zoals dat gold tot 1 januari 2025 nog van toepassing op grond van datzelfde overgangsrecht, omdat de Opeisingsprocedure aanhangig is gemaakt voor 1 januari 2025. Maar dat betekent niet dat het oude bewijsrecht ook nog geldt voor deze verzoekschriftprocedure. Een verzoekschriftprocedure voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor is een zelfstandige procedure. Deze procedure kan niet worden aangemerkt als incident in de Opeisingsprocedure, noch als een procedure die anderszins een onderdeel vormt van de Opeisingsprocedure.
Artikel 196 lid 1 Rv bepaalt dat een voorlopige bewijsverrichting, waaronder een voorlopig getuigenverhoor, verzocht kan worden voorafgaand aan een procedure of voordat een aanhangige zaak op de rol is ingeschreven. Anders dan onder het oude recht mogelijk was op grond van artikel 186 lid 2 Rv (oud), is het op grond van het huidige bewijsrecht dus niet meer mogelijk om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken als dat dient tot bewijsgaring voor een procedure die al op de rol is ingeschreven.
[verzoekster] wil met het verzochte getuigenverhoor bewijs verzamelen ten behoeve van de Opeisingsprocedure. Die procedure is ingeschreven op de rol van het hof op 20 augustus 2024, dus voordat het verzoekschrift werd ingediend. Er is derhalve geen wettelijke grondslag voor de door [verzoekster] verzochte voorlopige bewijsverrichting.
Het subsidiaire beroep op artikel 166 Rv is een beroep dat [verzoekster] in de Opeisingsprocedure moet doen.
De slotsom van het voorgaande is dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van deze procedure.
Die proceskosten worden begroot op:
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II: € 1.214)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.606,-
4. Beslissing
Het hof:
Deze uitspraak is op 12 december 2025 mondeling in het openbaar gedaan door mr. F.M. Bus, mr. M.Y. Bonneur en prof.mr. A. Kamperman Sanders, in aanwezigheid van de griffier, L.D.X.H. The.
Dit proces-verbaal van deze uitspraak is op 12 december 2025 ondertekend door mr. F.M. Bus.