ECLI:NL:GHDHA:2025:2781

ECLI:NL:GHDHA:2025:2781, Gerechtshof Den Haag, 18-02-2025, 200.333.103

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 18-02-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 200.333.103
Rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2023:9486

Samenvatting

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens betalingsonwil

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.333.103/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/610554 / HA ZA 21/370

Arrest van 18 februari 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. P.J.B. van Deurzen te Den Haag,

tegen

[verweerster] ,

wonend in [woonplaats] ,

verweerster,

advocaat: mr. N.F. Barthel te Zoetermeer.

Het hof zal partijen hierna noemen: [appellant] en [verweerster] .

1. De zaak in het kort

[appellant] heeft een vordering op de vennootschap [bedrijf] . [bedrijf] heeft die vordering niet betaald. [appellant] heeft daarom [verweerster] als enig bestuurder van [bedrijf] aansprakelijk gesteld. Hij vordert in deze procedure betaling van [verweerster] van de schade die hij lijdt omdat [bedrijf] haar betalingsverplichting jegens [appellant] niet nakomt. De rechtbank heeft die vordering afgewezen. Volgens de rechtbank is er geen grond voor bestuurdersaansprakelijkheid.

Het hof oordeelt dat [verweerster] wel aansprakelijk is, omdat zij de betaling van de vordering van [appellant] door [bedrijf] frustreert. [verweerster] heeft al jaren een forse (rekening-courant)schuld aan [bedrijf] . Zij lost die niet af, hoewel zij daartoe wel in staat moet worden geacht. [bedrijf] beschikt daardoor niet over liquide middelen om de vordering van [appellant] te voldoen. Het hof veroordeelt [verweerster] daarom tot betaling van de schade die [appellant] hierdoor lijdt, gematigd tot het bedrag van de rekening-courantschuld van [verweerster] aan [bedrijf] .

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de appeldagvaarding met grieven en bijlagen van 3 oktober 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2023 (gepubliceerd onder ECLI:NL:RBDHA:2023:9486, hierna: het bestreden vonnis);

het arrest van dit hof van 31 oktober 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze heeft geen doorgang gevonden);

de memorie van antwoord van [verweerster] , met bijlagen.

Op 13 december 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij de advocaten de standpunten van partijen hebben toegelicht aan de hand van (overgelegde) pleitnotities. Ook zijn tijdens de mondelinge behandeling vragen van het hof beantwoord. Aan het eind van de mondelinge behandeling is een datum voor arrest bepaald.

3. Feitelijke achtergrond

[bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) houdt zich onder meer bezig met (af)bouw en renovatie. [verweerster] is enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf] .

[appellant] is eigenaar van een gebouw in Zandvoort (hierna: het pand). Hij heeft eind 2019 een aannemingsovereenkomst gesloten met [bedrijf] ten behoeve van de renovatie van het pand (hierna: de overeenkomst). [appellant] heeft op grond van de overeenkomst tot en met mei 2020 in totaal € 382.406,37 inclusief btw aan [bedrijf] (vooruit)betaald.

In november 2020 heeft [appellant] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden wegens (kort gezegd) wanprestatie.

Bij vonnis (in verzet) van 11 mei 2022 (gepubliceerd onder ECLI:NL:RBROT:2022:3621, hierna: het vonnis uit 2022) heeft de rechtbank Rotterdam onder meer geoordeeld dat [appellant] de overeenkomst met [bedrijf] rechtsgeldig heeft ontbonden. [bedrijf] is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 277.011,39, nog te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten. Tegen het vonnis uit 2022 is geen hoger beroep ingesteld. [bedrijf] heeft, ondanks de betekening van dat vonnis, niets aan [appellant] betaald.

De activa van de balans per 31 december 2021 uit de laatst opgemaakte jaarrekening 2021 van [bedrijf] zien er als volgt uit:

[verweerster] heeft een rekening-courantverhouding met [bedrijf] . Volgens de balansgegevens in de jaarrekeningen over 2020 en 2021 bedroeg de stand daarvan:

- per 31 december 2019 € 97.483,-;

- per 31 december 2020 € 172.864,-;

- per 31 december 2021 € 173.487,-.

[bedrijf] heeft (nog) geen jaarrekening opgemaakt over 2022 en latere jaren. Volgens een concept exploitatieoverzicht over 2022 heeft [bedrijf] in 2022 een netto omzet gerealiseerd van € 703.802,- en bedroeg de kostprijs daarvan € 833.789,-. Volgens dat concept is over 2022 een negatief netto resultaat behaald van € 254.736,-.

4. Procedure bij de rechtbank

[appellant] heeft [verweerster] gedagvaard en (na eiswijziging) gevorderd, samengevat:

i) een verklaring voor recht dat [verweerster] jegens [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [appellant] lijdt, althans het bedrag van de schuld van [bedrijf] aan [appellant] , vanwege het niet nakomen van het vonnis uit 2022;

ii) veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [appellant] van het bedrag van € 277.011,39 (exclusief wettelijke rente en proceskosten) dat is toegewezen in het vonnis uit 2022;

iii) betaling van de proces- en beslagkosten, inclusief € 9.863,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2022 voor de stallingskosten voor de auto en aanhanger van [verweerster] , waarop [appellant] beslag heeft gelegd.

[verweerster] heeft op haar beurt vorderingen in reconventie tegen [appellant] ingesteld. Die spelen in dit hoger beroep geen rol meer en behoeven daarom geen vermelding en bespreking.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de kosten (in conventie) veroordeeld.

5. Vordering in hoger beroep

[appellant] is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het bestreden vonnis. Hij heeft drie bezwaren (grieven) tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Hij vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

In de kern genomen richten de grieven zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Volgens [appellant] is [verweerster] wel aansprakelijk als bestuurder van [bedrijf] . Hij heeft in dit verband onder meer het volgende aangevoerd (samengevat).

In de periode dat [appellant] vooruitbetalingen aan [bedrijf] heeft gedaan in het kader van de overeenkomst, heeft [verweerster] de vennootschap leeggehaald, althans verhaal illusoir gemaakt, door geld uit de vennootschap te halen, zodanig dat de vordering van [bedrijf] op [verweerster] (uit hoofde van rekening-courant) is opgelopen tot € 248.000,- in 2021. Volgens [appellant] heeft [verweerster] de vooruitbetalingen die [appellant] aan [bedrijf] heeft voldaan in de periode 2019-2020 ten behoeve van de verbouwing van het pand, grotendeels aangewend voor haar levensonderhoud en privé uitgaven, waaronder een privé investering in bitcoins. Door gelden ten behoeve van privé-uitgaven uit de vennootschap te halen heeft [verweerster] bewerkstelligd dat de vennootschap niet kan voldoen aan het vonnis uit 2022 en geen verhaal biedt. [bedrijf] heeft wel een vordering op [verweerster] uit hoofde van een rekening-courantverhouding, maar [verweerster] kiest ervoor die vordering niet te voldoen. Het feit dat de onderneming nog steeds actief is en inkomsten genereert, maar desondanks niet betaalt, bevestigt dat sprake is van betalingsonwil, aldus nog steeds [appellant] .

[verweerster] heeft onder meer als verweer gevoerd dat er sprake is van betalingsonmacht van [bedrijf] , en dat zijzelf ook niet in staat is om de rekening-courantvordering van [bedrijf] - die volgens [verweerster] lager is - te voldoen.

6. Beoordeling in hoger beroep

Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerster] als bestuurder van [bedrijf] aansprakelijk is wegens het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de vordering van [appellant] op [bedrijf] .

Juridisch kader

Volgens vaste jurisprudentie kan er naast de aansprakelijkheid van de vennootschap ook grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

[appellant] heeft een beroep gedaan zowel op de hiervoor bedoelde grond (i) (kort gezegd: de Beklamelnorm) als op grond (ii) (kort gezegd: betalingsonwil). Het hof is van oordeel dat het beroep op grond (ii) slaagt. Dat wordt hierna toegelicht.

Betalingsonwil

Bij de beoordeling van de vraag of [verweerster] een ernstig verwijt treft, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang:

[appellant] heeft een vordering op [bedrijf] van € 277.011,39, nog te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten, uit hoofde van het vonnis uit 2022 (zie hiervoor onder 3.4, hierna: de vordering);

[bedrijf] heeft de vordering tot op heden geheel onbetaald gelaten;

[bedrijf] biedt geen verhaal voor de vordering. [appellant] heeft immers aangevoerd dat [bedrijf] geen “liquide vermogen” heeft, dat er vermogen van [bedrijf] via de rekening-courantverhouding aan [verweerster] is uitgekeerd en dat beslagen ten laste van [bedrijf] geen doel hebben getroffen. [verweerster] heeft een en ander niet (voldoende gemotiveerd) weersproken;

[verweerster] heeft een forse rekening-courantschuld aan [bedrijf] .

Wat betreft de hoogte van de hiervoor genoemde rekening-courantschuld van [verweerster] is het volgende van belang. Het hof gaat ervan uit dat die schuld € 173.487,- bedraagt. Dit staat immers in de meest recent opgemaakte jaarrekening van [bedrijf] (zie onder 3.5 en 3.6) die [verweerster] heeft overgelegd. Het hof verwerpt daarmee enerzijds de stelling van [verweerster] dat de rekening-courantschuld in werkelijkheid lager is, namelijk € 128.161,-, en anderzijds de stelling van [appellant] dat deze in werkelijkheid juist hoger is, namelijk € 248.000,-. Het hof licht dit als volgt toe:

[verweerster] heeft gesteld dat de jaarstukken over 2020 en 2021 niet juist zijn, omdat de boekhouder fouten zou hebben gemaakt bij het opstellen daarvan (hij zou over het hoofd hebben gezien dat bepaalde uitgaven in werkelijkheid geen privé-uitgaven van [verweerster] betreffen). [verweerster] heeft die (betwiste) stelling echter niet onderbouwd, terwijl zij daartoe wel in staat moet zijn geweest, bijvoorbeeld door overlegging van de jaarrekening 2022 die inmiddels zou moeten zijn opgemaakt en vastgesteld, en/of door overlegging van betaalbewijzen van aflossingen op haar rekening-courantschuld en/of door een verklaring van de nieuwe boekhouder. [verweerster] heeft slechts uitdraaien van de mutaties van haar ING bankrekening overgelegd, waaruit blijkt dat [bedrijf] in de periode 2020-2022 in totaal ruim € 65.000,- naar die bankrekening heeft overgemaakt. Voor zover [verweerster] hiermee wil betogen dat haar rekening-courantschuld tot dat bedrag beperkt is, moet dat betoog worden verworpen. Een rekening-courantschuld kan immers ook op andere wijze worden opgebouwd, bijvoorbeeld door het doen van privé-uitgaven ten laste van de bankrekening van de vennootschap.

[appellant] baseert zijn (door [verweerster] betwiste) stelling dat de rekening-courantschuld van [verweerster] hoger is, en € 248.000,- bedraagt, op de post ‘Vorderingen’ op de gedeponeerde balans 2021, die “naar zijn overtuiging” de rekening-courant positie weergeeft (zie appeldagvaarding onder 2.15). [appellant] gaat er daarmee aan voorbij dat de post ‘Vorderingen’ de optelsom is van de sub post ‘Debiteuren’ van € 75.127,- en de sub post ‘rekening-courant [verweerster] ’ van € 173.487,- (zie hiervoor onder 3.5). In dit kader is nog van belang dat de post ‘Debiteuren’ tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken. [verweerster] heeft toen toegelicht dat die post betrekking heeft op meerwerkvorderingen, die debiteuren onbetaald hebben gelaten. [appellant] heeft dat weliswaar betwist, maar daarmee nog niet toegelicht dat het bedrag bij de post ‘Debiteuren’ in feite een vordering van [bedrijf] op [verweerster] betreft.

Het hof verwerpt de stelling van [verweerster] dat zij sinds mei 2022 - toen de vordering van [appellant] op [bedrijf] definitief in rechte werd vastgesteld - nimmer in staat is geweest om haar rekening-courantschuld af te lossen. In dit kader is van belang dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd en [verweerster] niet heeft betwist, [verweerster] een aanzienlijke investering in bitcoins heeft gedaan. [verweerster] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het gaat om een investering in crypto’s ter waarde van ongeveer “€ 250.000,- à € 300.000,-”. Op de vraag waarom zij die crypto’s niet (deels) heeft verkocht, zodat zij haar rekening-courantschuld aan [bedrijf] kan voldoen, heeft [verweerster] geantwoord dat zij eerst advies nodig heeft van een advocaat, omdat zij de crypto’s niet heeft aangegeven bij de belastingdienst. Dat argument gaat naar het oordeel van het hof niet op. [verweerster] had dat advies allang kunnen vragen. Bovendien staat het vragen van dat advies niet in de weg aan de verkoop van de crypto’s. Maar bovenal rechtvaardigt de behoefte van [verweerster] aan advies in verband met het doen van een onjuiste (privé) belastingaangifte, niet de instandhouding van haar forse rekening-courantschuld. [bedrijf] blijft daardoor immers verstoken van liquide middelen om [appellant] (grotendeels) te kunnen betalen. Overigens is nog van belang dat [verweerster] inkomsten geniet uit hoofde van een dienstverband bij Nationale-Nederlanden. Ook daarom is niet geloofwaardig dat [verweerster] gedurende een periode van jaren niet in staat zou zijn enige aflossing te doen op haar rekening-courantschuld aan [bedrijf] .

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden volgt dat [verweerster] persoonlijk ernstig valt te verwijten dat [bedrijf] de vordering van [appellant] onbetaald laat en geen verhaal biedt. Zoals [verweerster] zelf heeft aangevoerd, drijft [bedrijf] een kleine onderneming. Desondanks heeft [verweerster] haar rekening-courantschuld jegens [bedrijf] laten oplopen tot € 173.487,-. Hoewel [bedrijf] al in mei 2022 is veroordeeld tot betaling van de vordering van [appellant] , laat [verweerster] na om haar forse rekening-courantschuld af te lossen en het ertoe te leiden dat [bedrijf] - waarover [verweerster] de volledige zeggenschap heeft - de vordering van [appellant] (grotendeels) voldoet. [verweerster] frustreert aldus niet alleen de betaling van de vordering van [appellant] , zij stelt bovendien haar eigen (privé) belang bij het niet hoeven aflossen van haar rekening-courantschuld aan [bedrijf] , boven het belang van [appellant] bij betaling door [bedrijf] . [verweerster] heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan haar handelen valt te rechtvaardigen.

Een en ander is temeer ernstig verwijtbaar omdat, zoals [appellant] heeft gesteld en [verweerster] niet gemotiveerd heeft weersproken, [verweerster] de hiervoor besproken crypto’s heeft gekocht in de periode 2019-2020, hetgeen ook de periode is waarin [appellant] aanzienlijke (vooruit)betalingen aan [bedrijf] heeft gedaan ten behoeve van de verbouwing van het pand. In diezelfde periode is de rekening-courantschuld van [verweerster] fors toegenomen.

Het verweer van [verweerster] dat het (de bestuurder van) een vennootschap in beginsel vrij staat een eigen afweging te maken welke schuldeisers worden voldaan, kan [verweerster] niet baten. Dat verweer gaat voorbij aan de kern van het (ernstig) verwijt dat [verweerster] treft. Het gaat er niet om dat [verweerster] bepaalde schuldeisers wel betaalt en andere niet, het gaat erom dat zij als bestuurder-enig aandeelhouder gedurende een periode van jaren haar forse rekening-courantschuld in het geheel niet aflost, zulks ten koste van [appellant] als schuldeiser van [bedrijf] , wiens vordering daardoor onbetaald blijft. Voor zover [verweerster] bedoelt aan te voeren dat [bedrijf] ook in geval van aflossing van de rekening-courantschuld niet (tenminste gedeeltelijk) in staat zou zijn de vordering van [appellant] te voldoen, omdat er diverse schuldeisers zijn, lag het op haar weg om haar verweer nader te motiveren. Temeer omdat zij de volledige zeggenschap over [bedrijf] heeft en beschikt over de (financiële) gegevens. Zij heeft dat echter niet gedaan.

De stelling van [verweerster] dat [bedrijf] (achteraf bezien) hoger beroep had moeten instellen tegen het vonnis uit 2022 omdat de vordering van [appellant] op [bedrijf] in dat geval waarschijnlijk aanzienlijk lager was uitgevallen, behoeft geen bespreking. [bedrijf] heeft immers geen hoger beroep ingesteld en de hoogte van de vordering staat dus definitief vast.

Matiging

Uit het voorgaande volgt dat [verweerster] persoonlijk aansprakelijk is als bestuurder omdat zij heeft bewerkstelligd, althans toegelaten, dat [bedrijf] haar verplichting tot betaling van de vordering van [appellant] in het geheel niet nakomt, hetgeen onrechtmatig is jegens [appellant] . De aansprakelijkheid van [verweerster] dient echter te worden beperkt, althans gematigd, tot de hoogte van haar rekening-courantschuld aan [bedrijf] , € 173.487,-. Het onrechtmatig handelen van [verweerster] heeft immers betrekking op het (jarenlang) niet aflossen van haar rekening-courantschuld van € 173.487,-, en het door [appellant] gestelde “leeghalen” van de vennootschap door [verweerster] beperkt zich tot dat bedrag. [verweerster] heeft geen gronden aangevoerd die naar het oordeel van het hof nopen tot verdergaande matiging.

Beklamelnorm

De tussenconclusie is dat grief 2 slaagt en dat de vordering van [appellant] deels toewijsbaar is op de hiervoor genoemde grond (ii). Grief 3 behoeft geen inhoudelijke bespreking. Deze grief bevat geen zelfstandige grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid maar veeleer een toelichting op het hiervoor al gegrond bevonden verwijt van betalingsonwil. Omdat hiervoor ‘slechts’ is geoordeeld dat [verweerster] is gehouden tot gedeeltelijke betaling van de vordering van [appellant] , heeft [appellant] wel nog belang bij de bespreking van de vraag of [verweerster] voor een hoger bedrag aansprakelijk kan worden gehouden op grond (i), de Beklamelnorm (waarop grief 1 betrekking heeft). Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen in het bestreden vonnis (r.o. 2.6 en 2.7), doet zich hier niet het geval voor dat [verweerster] al ten tijde van het aangaan van de overeenkomst tussen [bedrijf] en [appellant] wist of behoorde te begrijpen dat [bedrijf] haar verplichtingen niet zou nakomen. Het hof deelt de overwegingen van de rechtbank op dit onderdeel en voegt daaraan het volgende toe.

De overeenkomst tussen [bedrijf] en [appellant] is eind 2019 gesloten. [appellant] heeft ook in hoger beroep niet onderbouwd dat [verweerster] toen al wist of behoorde te begrijpen, dat [bedrijf] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou nakomen. De vordering van [appellant] is pas veel later vastgesteld, met het vonnis uit 2022. De veroordeling in dat vonnis was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet voorzienbaar. Het is meer in het bijzonder niet zo, dat [verweerster] op dat moment al wist of behoorde te weten dat er een betalingsverplichting jegens [appellant] zou ontstaan waarmee eind 2019 reeds rekening moest worden gehouden. Vast staat dat [bedrijf] de overeengekomen werkzaamheden in elk geval ten dele heeft verricht. Pas veel later is een geschil met [appellant] ontstaan, over de vraag of [bedrijf] afspraken over de oplevering was nagekomen. In het vonnis uit 2022 is dat geschil inhoudelijk beslecht, in het nadeel van [bedrijf] . Daarbij is [bedrijf] ook aansprakelijk gehouden voor waterschade die tijdens de aannemingswerkzaamheden is ontstaan. Ook die schade was eind 2019 nog niet voorzienbaar. Grief 1 faalt daarom.

Conclusie en proceskosten

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] gedeeltelijk slaagt. Daarom zal het hof het vonnis, voor zover gewezen in conventie, vernietigen en de vordering tot betaling alsnog toewijzen tot het bedrag van € 173.487,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding (bij gebrek aan een toelichting waarom de rente vanaf een eerdere datum toewijsbaar is). Gelet op de (gedeeltelijke) toewijzing van de geldvordering heeft [appellant] geen belang bij de gevraagde verklaring voor recht. Die zal daarom worden afgewezen. Ook de vordering tot betaling van beslagkosten zal worden afgewezen. Voor zover al geoordeeld kan worden dat de grieven zich mede richten tegen de afwijzing van de gevorderde vergoeding van de beslagkosten, geldt dat die afwijzing in stand moet blijven omdat de beslagstukken niet zijn overgelegd. De overgelegde specificatie van bewaarkosten, zonder de bijbehorende beslagstukken, is ontoereikend om de beslagkosten te kunnen begroten.

Het hof zal [verweerster] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep. De proceskosten in eerste aanleg worden begroot op € 7.062,01 (€ 6.956,- + € 106,01 aan kosten van dagvaarding) en die in hoger beroep op:

dagvaarding € 129,14

griffierecht € 1.780,-

salaris advocaat € 13.284,- (3 punten × tarief VI à € 4.428,-)

nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 15.371,14

7. Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2023 voor zover gewezen in conventie, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [appellant] van het bedrag van € 173.487,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2021, en

- veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie, aan de zijde van [appellant] begroot op € 7.062,01 (€ 6.956,- + € 106,01 kosten dagvaarding);

- veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 15.371,14;

- bepaalt dat als [verweerster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [verweerster] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;

- verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, G.C. de Heer en J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?