GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.332.937/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/652038 / HA ZA 23-115
Arrest van 29 april 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. N. Voets, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Simwave B.V.,
gevestigd in Barendrecht,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.C.J. Oonk-Pallandt, kantoorhoudend in Breda.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en Simwave.
1. De zaak in het kort
[appellant] was (indirect) bestuurder en aandeelhouder van Simwave. Tussen [appellant] en Simwave is een geschil ontstaan omdat [appellant] overeenkomsten op naam van Simwave had vervalst. Partijen hebben vervolgens een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten. Daarin is onder meer een boetebeding opgenomen. Volgens Simwave heeft [appellant] bepalingen in de VSO geschonden en daardoor boetes verbeurd. Zij vordert in deze procedure een bedrag van € 400.000,- aan boetes van [appellant] . De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] drie keer een boete van € 100.000,- heeft verbeurd, en heeft [appellant] , na matiging van de boetes, veroordeeld tot betaling van € 105.000,-, te vermeerderen met wettelijke handelsrente.
Het hof vernietigt het oordeel van de rechtbank gedeeltelijk. Volgens het hof heeft [appellant] één boete van € 100.000,- verbeurd. Het hof veroordeelt [appellant] , na matiging, tot betaling van een boete van € 50.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 9 augustus 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2023 (hierna het vonnis);
de memorie van grieven van [appellant] , met bijlage;
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van Simwave, met bijlagen;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellant] , met bijlage.
Op 11 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3. Feitelijke achtergrond
Simwave is actief als maritiem trainingscentrum. Zij biedt trainingen, assessments en onderzoek aan met behulp van simulatoren en online learning systemen.
Simwave is op 7 juli 2016 opgericht door [appellant] en de heer [oprichter] (hierna: [oprichter] ).
Vanaf de oprichting van Simwave vormden [appellant] en [oprichter] samen het (indirect) bestuur van Simwave. [appellant] was indirect bestuurder via ‘zijn’ vennootschap Maascenter Holding B.V. (hierna: MCH).
Tussen Simwave en MCH bestond een rechtsverhouding uit hoofde van een managementovereenkomst van 1 april 2017. Op basis van die managementovereenkomst verrichtte MCH, in de persoon van [appellant] , managementdiensten ten behoeve van Simwave.
Tussen Simwave en [appellant] is enige jaren geleden een geschil ontstaan, nadat was gebleken dat [appellant] valse overeenkomsten had gemaakt tussen Simwave en haar potentiële relaties Norwegian Cruise Lines Holding (hierna: NCLH) en Genting Hong Kong (hierna: GHK). [appellant] heeft de handtekeningen van NCLH en GHK op deze overeenkomsten vervalst. Daardoor leek het alsof Simwave met deze partijen overeenkomsten was aangegaan, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was.
Op 31 augustus 2018, na de ontdekking van de vervalsing van de overeenkomst tussen Simwave en NCLH, heeft [appellant] tijdens een bespreking met [oprichter] en de heer [betrokkene] (aandeelhouder van Simwave en tevens optredend als advocaat van Simwave, hierna: [betrokkene] ) vernomen dat hij vanwege de vervalsing uit zijn functie van (indirect) bestuurder van Simwave zou worden gezet en dat hij zijn aandelen in Simwave moest overdragen.
Bij e-mail van 3 september 2018 heeft [appellant] onder meer aan [oprichter] bericht:
“Zoals zojuist besproken zou ik graag nog een keer de Raad van Advies bij elkaar roepen om mijn verhaal te doen. Vrijdag is alles zeer snel en in een waas aan mij voorbijgegaan. Ik heb Simwave zelf opgericht, ben het in een schuur begonnen, vervolgens samen met jou verder doorgepakt en het gemaakt tot wat het nu is. In de afgelopen twee jaar is Simwave boven alles gegaan, dat heeft zijn tol geëist. Ik heb een grove, en onacceptabele fout gemaakt, ik snap dat dat consequenties tegenover staan maar ik kan het niet zomaar laten gebeuren dat alles in een keer van mij wordt afgepakt. Simwave is mijn levenswerk en ik wil er alles aan doen om nog een tweede kans te krijgen - ik snap dat dit tijd nodig heeft maar dan moet ik die tijd en kans wel krijgen. Ik licht dit graag aan de Raad van Advies verder toe. (…)”
Op 11 september 2018 heeft [appellant] in privé en als vertegenwoordiger van MCH zijn handtekening gezet onder een vaststellingsovereenkomst tussen enerzijds Simwave en anderzijds MCH en [appellant] (hierna: de VSO). Volgens de VSO zijn deze partijen onder meer het volgende overeengekomen:
“ 3. Geheimhouding, Communicatie naar derden en Non concurrentie
Partijen betrachten strikte wederzijdse geheimhouding ten aanzien van al hetgeen in deze Vaststellingsovereenkomst is opgenomen.
(…)
Partijen verplichten zich in hun communicatie van af heden over het vertrek van [appellant] cs. bij Simwave zo min mogelijk in gedetailleerde mate op de geschillen en verschillen inzicht in te gaan en voor zover dat niet kan worden vermeden, dit in zo neutraal mogelijke bewoordingen.
Daargelaten de Partijen bekende discussies over de contracten met Norwegian Cruise Lines Holding (NCLH) en Genting Hong Kong (GHK) verklaren [appellant] cs. verklaren dat in de periode tot 1 september 2018 door hen geen andere Simwave (mogelijk) schade toebrengende handelingen zijn verricht.
[appellant] cs. verbinden zich jegens Simwave gedurende een periode van 3 jaren, te rekenen vanaf 1 september 2018, direct noch indirect, in welke vorm of hoedanigheid dan ook:
a) op enige wijze betrokken te zijn, inclusief te ondernemen, en/of enig, al dan niet financieel, belang te hebben bij activiteiten die concurrerend zijn met de activiteiten van Simwave, in het bijzonder aangaande haar klanten, prospects en leveranciers;
b) (…)
c) relaties van Simwave te benaderen, of indien zij door een relatie zijn benaderd, het contact voort te zetten, dit voor gelijke, gelijksoortige of aanverwante activiteiten of anderszins deze activiteiten te ondernemen met betrekking tot deze relaties, anders na verkregen schriftelijke goedkeuring van Simwave (…).
d) (...).
Ingeval van een inbreuk op artikel 3.4 en/of 3.5 verbeurt [appellant] cs. hoofdelijk aan Simwave een direct opeisbare boete van € 100.000 (…) voor iedere inbreuk, alsmede een direct opeisbare boete van € 10.000 (…) voor iedere dag dat de inbreuk ex art. 3.5 voortduurt, zonder dat enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst vereist is en onverlet het recht van Simwave om volledige vergoeding te vragen van de ten gevolge van een dergelijke inbreuk geleden schade, voor zover deze uitgaat boven het bedrag van de verbeurde boete(s).
De in art. 3.5 vastgelegde bedingen zijn mede zo geformuleerd omdat Partijen beiden van mening zijn dat de afspraken, als in deze Vaststellingsovereenkomst vastgelegd, in het bijzonder de prijs van de aandelen en de gang van zaken welke tot deze Vaststellingsovereenkomst hebben geleid, de duur en omvang van deze bedingen rechtvaardigen.
(…)
Partijen doen onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand van recht om deze Vaststellingsovereenkomst in of buiten rechte gedeeltelijk of in zijn geheel om welke reden dan ook te (doen) ontbinden, vernietigen of wijzigen.
(…)”
Op 27 december 2018 heeft (de houdstermaatschappij van) [appellant] zijn aandelen in Simwave overgedragen aan (de houdstermaatschappij van) [oprichter] .
Na het sluiten van de VSO is [oprichter] erachter gekomen dat [appellant] in 2017 nog drie andere valse overeenkomsten op naam van Simwave had gemaakt, namelijk een overeenkomst met de Koninklijke Roeiers Vereniging Eendracht (hierna: de RVE), een overeenkomst met Damen Shipyards Gorinchem B.V. (hierna: Damen Shipyards) en een overeenkomst met het Havenbedrijf Rotterdam N.V. (hierna: het Havenbedrijf). In alle gevallen ging het om overeenkomsten met een looptijd van 5 jaar.
Vanaf november 2018 tot januari 2022 is [appellant] in dienst geweest bij Cruise Lines International Association (hierna: CLIA). CLIA is een belangenorganisatie waarbij ook Simwave is aangesloten.
Bij e-mailbericht aan [appellant] van 18 november 2022 heeft de advocaat van Simwave [appellant] gesommeerd tot betaling van in ieder geval een boete van € 300.000,- wegens schending van artikel 3.4 en 3.5 van de VSO, en heeft zich het recht voorbehouden een hogere boete op te eisen. Simwave heeft vervolgens conservatoir beslag gelegd op de woning van [appellant] en op een auto.
4. Procedure bij de rechtbank
Simwave heeft (na eiswijziging) gevorderd, samengevat, dat de rechtbank [appellant] veroordeelt tot betaling van 1) een bedrag van € 400.000,- (althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag), te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, en 2) de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Simwave heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] in strijd met artikel 3.4 en artikel 3.5 onder c van de VSO heeft gehandeld en op grond van artikel 3.6 van de VSO een bedrag van € 11.870.000,- aan boetes is verschuldigd. Simwave heeft haar vordering beperkt tot € 400.000,- aan boetes, mede gelet op de ogenschijnlijk beperkte verhaalsmogelijkheden en het verschuldigde griffierecht.
[appellant] heeft verweer gevoerd en op zijn beurt gevorderd (in reconventie) dat het door Simwave gelegde beslag ongegrond wordt verklaard en dat Simwave wordt veroordeeld tot opheffing daarvan, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Simwave in de volledige kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met rente.
De rechtbank heeft kort gezegd geoordeeld dat [appellant] artikel 3.4 van de VSO drie keer heeft geschonden zodat [appellant] in beginsel drie keer de boete van € 100.000,- is verschuldigd. De rechtbank heeft die boete echter gematigd tot € 35.000,- per inbreuk, en [appellant] veroordeeld tot betaling aan Simwave van in totaal € 105.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 december 2022. De proceskosten in conventie zijn gecompenseerd. [appellant] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten in reconventie. De overige vorderingen zijn afgewezen. Het vonnis is alleen ten aanzien van de proceskostenveroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert in principaal hoger beroep dat het hof de vorderingen van Simwave alsnog geheel afwijst, en Simwave veroordeelt tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, te vermeerderen met rente en nakosten.
Simwave eist op haar beurt (in incidenteel hoger beroep) dat het hof haar vorderingen alsnog geheel toewijst, en [appellant] veroordeelt tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, te vermeerderen met rente en nakosten.
[appellant] heeft in principaal hoger beroep vijf grieven naar voren gebracht en Simwave heeft in incidenteel hoger beroep drie grieven naar voren gebracht. Het hof zal de grieven hierna deels gezamenlijk bespreken.
6. Beoordeling in hoger beroep
De feiten
Met grief 1 in principaal hoger beroep voert [appellant] aan dat de rechtbank voorbij is gegaan aan een aantal belangrijke feiten en omstandigheden. Die grief slaagt niet, omdat de rechter niet gehouden is alle feiten weer te geven, en vrij is in de keuze van de feiten die in de uitspraak worden vermeld.
Verder voert [appellant] met grief 1 aan dat de rechtbank niet heeft vermeld dat Simwave haar vordering ter zitting heeft gewijzigd. Dat is niet juist; de rechtbank heeft in r.o. 3.1. van het vonnis vermeld dat Simwave haar eis heeft verminderd.
Geen misbruik van omstandigheden
Met grief 2 in het principaal hoger beroep komt [appellant] op tegen de overwegingen van de rechtbank (in r.o. 4.3 van het vonnis) dat Simwave geen misbruik heeft gemaakt van de situatie en dat niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Simwave zich beroept op de VSO. [appellant] betoogt dat Simwave in redelijkheid geen beroep toekomt op de VSO en dat de VSO vernietigbaar is omdat deze door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen zodat er sprake is van een wilsgebrek. [appellant] voert in dit verband aan dat:
(i) hij ten tijde van de ondertekening van de VSO overbelast en overspannen was, zoals blijkt uit de door hem overgelegde doktersverklaring;
(ii) hij niet heeft onderhandeld over de inhoud van de VSO, voorafgaand aan de ondertekening geen concept van de VSO heeft ontvangen en ook geen uitleg heeft gekregen over de inhoud en de gevolgen van de VSO;
(iii) hij onder druk is gezet om de VSO te ondertekenen en niet de tijd heeft gekregen om na te denken over eventuele andere contracten die valselijk waren opgemaakt, en
(iv) hij voorafgaand aan de ondertekening van de VSO geen juridische bijstand heeft kunnen inwinnen, terwijl Simwave werd bijgestaan door een advocaat.
Ook stelt [appellant] dat hij door de VSO is benadeeld, (onder meer) omdat hij zijn aandelen heeft moeten verkopen en hem geen kwijting is verleend en voorts door het boetebeding, dat hij niet had willen accepteren. Verder voert hij aan dat Simwave haar plicht heeft verzaakt om te onderzoeken of ‘er nog meer speelde’.
Simwave heeft betwist dat [appellant] door overspannenheid niet in staat was om af te wegen of hij de VSO moest ondertekenen. Ook heeft zij betwist dat zij op de hoogte was of had moeten zijn van overspannenheid van [appellant] .
Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof het volgende voorop. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). Bij de beoordeling of sprake is van misbruik van omstandigheden, komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de rechtshandeling, in onderling verband en in samenhang bezien.
Naar het oordeel van het hof is er in dit geval geen sprake geweest van misbruik van omstandigheden, reeds omdat Simwave er niet van op de hoogte was of moest begrijpen dat [appellant] door overspannenheid werd bewogen tot ondertekening van de VSO. [appellant] heeft weliswaar gewezen op een doktersverklaring d.d. 7 december 2022, op zijn e-mail van 3 september 2018 (zie onder 3.7) en op interne correspondentie van Simwave waarin melding is gemaakt van de “erg emotionele” toestand van [appellant] , maar uit geen van deze stukken blijkt dat Simwave wist of moest begrijpen dat [appellant] overspannen was en daardoor werd bewogen tot het aangaan van de VSO. Simwave was ten tijde van het sluiten van de VSO immers niet bekend met de doktersverklaring – die toen nog niet was opgesteld. Verder duidt de e-mail van 3 september 2018 op geen enkele wijze op overspannenheid van [appellant] . Uit het feit dat [appellant] erg emotioneel was, volgt nog niet dat Simwave wist of behoorde te begrijpen dat [appellant] overspannen was en dat er sprake was van een bijzondere omstandigheid in de zin van art. 3:44 lid 4 BW. Uit de e-mail blijkt veeleer dat [appellant] zich op zijn onderhandelingspositie had bezonnen en dat hij, hoewel schuldbewust, ook strijdvaardig was. Zoals Simwave terecht naar voren heeft gebracht, lag voor de hand dat [appellant] erg emotioneel was, aangezien aan het licht was gekomen dat hij overeenkomsten had vervalst.
Los van het feit dat Simwave niet wist of moest begrijpen dat [appellant] overspannen was (of anderszins niet in staat om af te wegen of hij de VSO moest ondertekenen), geldt dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin Simwave het tot stand komen van de VSO heeft bevorderd ofschoon zij wist of moest begrijpen dat zij [appellant] daarvan had behoren te weerhouden. Simwave mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat [appellant] belang had bij de VSO. Daarin stond immers ook een geheimhoudingsclausule die voor [appellant] een ‘clean exit’ mogelijk maakte. Het betoog van [appellant] dat deze bepaling niet bijzonder zou zijn, wordt verworpen. [appellant] miskent daarmee dat Simwave er ook voor had kunnen kiezen om aangifte tegen [appellant] te doen, of op andere wijze ruchtbaarheid had kunnen geven aan het frauduleuze handelen van [appellant] . Dat de VSO ook minder gunstige bepalingen bevat voor [appellant] , zoals het boetebeding, doet daaraan niet af. In dit kader is nog van belang dat Simwave ten tijde van de ondertekening van de VSO niet wist dat [appellant] nog meer overeenkomsten had vervalst en dus boetes zou verbeuren. [appellant] stelt wel dat Simwave dat wist, maar hij heeft die stelling niet deugdelijk onderbouwd. Uit de e-mailcorrespondentie over een brief aan [naam 1] , waarnaar [appellant] in dit verband heeft verwezen, blijkt geenszins dat [appellant] openheid van zaken heeft gegeven over de andere vervalste overeenkomsten. Simwave kon dus – anders dan [appellant] – niet weten of, en in hoeverre, het boetebeding bezwarend was voor [appellant] . Simwave heeft bovendien aangevoerd (en [appellant] heeft niet betwist) dat en waarom Simwave er groot belang bij had dat [appellant] open kaart zou spelen over eventuele andere vervalste contracten, en dus ook bij een boete op een onware verklaring hierover. Wat betreft de in de VSO overeengekomen koopsom van de door [appellant] te verkopen aandelen (ter hoogte van de verkrijgingswaarde), die volgens [appellant] te laag is, wordt nog het volgende opgemerkt. Simwave heeft aangevoerd dat de aandelen destijds nagenoeg niets waard waren en [appellant] heeft dat onvoldoende weersproken. Hij heeft slechts verwezen naar latere jaarstukken, waaruit niet de waarde van de aandelen ten tijde van het sluiten van de VSO blijkt. Overigens is nog van belang dat [appellant] ruim tweeëneenhalve maand na het sluiten van de VSO uitvoering heeft gegeven aan de overeengekomen aandelenoverdracht. Hij heeft zich toen niet beroepen op een wilsgebrek bij het aangaan van de VSO.
[appellant] heeft ook als bijzondere omstandigheid aangevoerd dat er grote druk op hem is uitgeoefend door [oprichter] en [betrokkene] . Hij heeft er in dit verband op gewezen dat [oprichter] en [betrokkene] hadden aangegeven dat zij afscheid wilden nemen van [appellant] als (middellijk) bestuurder en aandeelhouder, en dat zij op 11 september 2018 wilden dat [appellant] de VSO ondertekende. Ook dit beoog wordt verworpen. Het hof sluit niet uit dat [appellant] enige druk heeft ervaren om tot ondertekening van de VSO over te gaan, maar daarmee is er nog geen sprake van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 3:44 BW. In dit kader is van belang dat [appellant] al op 31 augustus 2018 – dus ruimschoots vóór de ondertekening van de VSO op 11 september 2018 – op de hoogte is gesteld van het voornemen van Simwave om hem uit zijn functie te zetten en afscheid van hem te nemen als aandeelhouder (zie onder 3.6). [appellant] heeft dus de gelegenheid gehad om juridisch advies in te winnen over de voorgenomen maatregelen. Ook had hij, toen hij de VSO ter ondertekening kreeg voorgelegd, kunnen vragen om bedenktijd.
Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling dat Simwave voorafgaand aan het sluiten van de VSO had moeten onderzoeken of [appellant] nog meer overeenkomsten had vervalst. Het is [appellant] geweest die overeenkomsten heeft vervalst en het lag op zijn weg daarover openheid van zaken te geven en om bedenktijd te vragen als hij daarvoor nader onderzoek moest doen.
De door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat Simwave niet is ingegaan op zijn verzoek om zijn verhaal te mogen doen bij de raad van advies van Simwave (zie onder 3.7), leidt niet tot een andere beoordeling. In dit kader is nog van belang dat Simwave op 28 augustus 2018 voor het eerst heeft ontdekt dat [appellant] een overeenkomst had vervalst (die tussen Simwave en NCLH). Toen zij [appellant] daarmee confronteerde, heeft [appellant] weliswaar toegegeven dat hij “een grove, en onacceptabele fout” had gemaakt (zie onder 3.7), maar hij heeft toen géén openheid van zaken gegeven. Zoals Simwave heeft aangevoerd, en [appellant] niet gemotiveerd heeft betwist, bleek pas op 6 september 2018 dat [appellant] nog een overeenkomst had vervalst (tussen Simwave en GHK). Het is volstrekt begrijpelijk dat Simwave toen niet meer bereid was om aan het verzoek van [appellant] te voldoen.
De conclusie uit het voorgaande is dat grief 2 niet slaagt. [appellant] heeft het geheel aan zichzelf te wijten dat hij in een netelige positie is komen te verkeren, en Simwave heeft er in de gegeven omstandigheden en gelet op de ondertekening van de VSO door [appellant] , gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat [appellant] instemde met de bepalingen van de VSO. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een geestelijke stoornis of misbruik van omstandigheden. Het beroep van Simwave op de VSO is ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Uitleg artikel 3.4
Grief 3 in principaal hoger beroep heeft in de eerste plaats betrekking op de uitleg van artikel 3.4 van de VSO (hierna verder: artikel 3.4). Volgens [appellant] is met de zinsnede dat “ [appellant] cs. verklaren dat in de periode tot 1 september 2018 door hen geen andere Simwave (mogelijk) schade toebrengende handelingen zijn verricht” bedoeld dat alleen in geval van schadetoebrengende handelingen sprake is van een overtreding. Omdat Simwave geen schade heeft geleden, is er geen overtreding van artikel 3.4, aldus [appellant] .
[appellant] stelt met zijn grief aan de orde hoe artikel 3.4 moet worden uitgelegd. Uitgangspunt is dat de uitleg van een overeenkomst dient plaats te vinden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Die maatstaf houdt kort gezegd in dat niet alleen de tekst van de overeenkomst van belang is, maar dat beslissend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Artikel 3.4 begint met de verwijzing naar het voorafgaande overleg tussen partijen over de door [appellant] vervalste contracten met NCLH en GHK (“de Partijen bekende discussies over de contracten met Norwegian Cruise Lines Holding (NCLH) en Genting Hong Kong (GHK)”). Zoals Simwave terecht naar voren heeft gebracht, duiden de daarna gebruikte bewoordingen “andere Simwave (mogelijk) schade toebrengende handelingen” gelet op die voorgeschiedenis logischerwijs op andere vervalsingen door [appellant] , en [appellant] heeft ook geen andere uitleg bepleit. Wel heeft hij bepleit dat de drie andere overeenkomsten die hij heeft vervalst (de overeenkomsten op naam van enerzijds Simwave en anderzijds RVE, Damen Shipyards en het Havenbedrijf, zie 3.10) niet tot schade hebben geleid. Of dat zo is, is echter niet relevant. Het gaat er blijkens de tekst van artikel 3.4 om of de handelingen (het vervalsen van contracten tussen enerzijds Simwave) “mogelijk” schade kunnen toebrengen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit zo is, omdat anderen op grond van die (vervalste) overeenkomsten de conclusie zouden hebben kunnen trekken dat Simwave met drie andere organisaties lucratieve overeenkomsten had gesloten waarvoor investeringen nodig waren (zie 4.6 van het vonnis). Het hof voegt daaraan toe dat, zoals Simwave terecht naar voren heeft gebracht, de handelingen van [appellant] ook tot reputatieschade voor Simwave konden leiden, namelijk in het geval dat extern aan het licht zou komen dat haar bestuurder diverse overeenkomsten had vervalst.
[appellant] heeft nog een beroep gedaan op de contra proferentem regel en op het feit dat hij (in tegenstelling tot Simwave) een natuurlijk persoon is die ten tijde van de ondertekening geen advocaat had, overspannen was en onder druk stond. Niet valt in te zien dat dit leidt tot een andere uitleg van artikel 3.4 dan de hiervoor weergegeven uitleg, mede nu [appellant] zijn beroep op overspannenheid en misbruik daarvan door Simwave onvoldoende heeft onderbouwd (zie hiervoor in 6.6 e.v.).
Klachtplicht
Uit het voorgaande volgt dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat [appellant] inbreuk heeft gemaakt op artikel 3.4, omdat zijn verklaring dat hij “geen andere Simwave (mogelijk) schade toebrengende handelingen” had verricht in de in artikel 3.4 beschreven periode, onjuist is. Volgens [appellant] komt Simwave toch geen beroep toe op het boetebeding in de VSO, omdat Simwave niet tijdig zou hebben geklaagd over de schending. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] op de klachtplicht verworpen en geoordeeld dat de klachtplicht volgens vaste jurisprudentie (HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1536) alleen toepasselijk is bij een tekortschietende prestatie, en niet op het nalaten om een overeengekomen prestatie te verrichten, zoals in dit geval aan de orde is (r.o. 4.8 van het vonnis). Grief 3 in principaal hoger beroep komt tegen dit oordeel op, maar [appellant] heeft niet inzichtelijk gemaakt dat en waarom de overweging van de rechtbank onjuist is. Zo heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt dat toch sprake is van een tekortschietende prestatie. Voor zover [appellant] betoogt dat een tekortschietende prestatie is gelegen in een schending van zijn verplichtingen als bestuurder op grond van de managementovereenkomst, miskent [appellant] dat Simwave aanspraak maakt op de boete wegens een inbreuk op artikel 3.4 van de VSO, en niet wegens een schending van de managementovereenkomst. Dit onderdeel van grief 3 in principaal hoger beroep faalt daarom.
Rechtsverwerking m.b.t. aanspraak Simwave op boete wegens drie vervalste overeenkomsten?
Grief 3 in principaal hoger beroep is tot slot gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van [appellant] op rechtsverwerking faalt omdat enkel tijdsverloop (van vier jaar) onvoldoende is om het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten dat Simwave [appellant] thans nog aanspreekt op zijn verzwijgen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is de maatstaf voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend zou worden gemaakt.
[appellant] heeft ook in hoger beroep geen bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin naar voren gebracht. Er is dus slechts sprake geweest van tijdsverloop. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat het beroep op rechtsverwerking van [appellant] moet worden verworpen.
Op grond van het voorgaande falen alle onderdelen van grief 3 in het principaal hoger beroep.
Rechtsverwerking m.b.t. aanspraak Simwave op boete wegens indiensttreding CLIA?
Ook grief 1 in incidenteel hoger beroep heeft betrekking op rechtsverwerking. Deze grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (in 4.12 van het vonnis) dat Simwave haar recht heeft verwerkt om zich op schending van artikel 3.5 te beroepen wegens de indiensttreding van [appellant] bij CLIA, omdat (i) Simwave [appellant] op zijn eerste werkdag schriftelijk heeft gefeliciteerd met deze indiensttreding en (ii) de heer [naam 2] van CLIA heeft verklaard dat hij [oprichter] voorafgaand aan de indiensttreding heeft gebeld over de indiensttreding en [oprichter] toen heeft gezegd dat dit voor alle partijen een goede oplossing was en (iii) Simwave [appellant] pas vier jaar later heeft aangesproken op schending van artikel 3.5 van de VSO (hierna: het concurrentiebeding). Simwave voert met haar grief aan dat vast staat dat [appellant] het concurrentiebeding heeft geschonden zodat de boete is verschuldigd, en dat er slechts sprake is geweest van tijdsverloop.
Het hof verwijst naar de hiervoor genoemde maatstaf. Uit de hiervoor onder (i) en (ii) door de rechtbank genoemde omstandigheden volgt dat er niet slechts sprake is geweest van enkel tijdsverloop. Simwave heeft door haar felicitaties, en door het ‘instemmende’ telefoongesprek met CLIA dat resulteerde in de aanstelling van [appellant] bij CLIA (aldus de verklaring van [naam 2] ), het gerechtvaardigd vertrouwen bij [appellant] gewekt dat zij geen beroep zou doen op schending van het concurrentiebeding. Daarmee heeft zij ook haar recht verwerkt om aanspraak te maken op een boete wegens die schending. Dat omstandigheden (i) en (ii) hebben plaatsgevonden nadat [appellant] het concurrentiebeding al had geschonden, doet, anders dan Simwave betoogt, niet af aan het bij [appellant] gewekte gerechtvaardigd vertrouwen. Grief 1 in incidenteel hoger beroep faalt daarom.
Boete en matiging
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] artikel 3.4 van de VSO drie keer heeft geschonden zodat [appellant] drie keer de boete van € 100.000,- is verschuldigd. De rechtbank heeft die boete gematigd tot € 35.000,- per inbreuk, en [appellant] veroordeeld tot betaling aan Simwave van in totaal € 105.000,-. Zowel grief 4 in principaal hoger beroep als grief 2 in incidenteel hoger beroep richt zich tegen dit oordeel. Volgens [appellant] levert de verzwijging van de drie vervalste contracten slechts één inbreuk op. Ook betoogt [appellant] dat de matiging niet ver genoeg gaat. Volgens Simwave levert de schending van artikel 3.4 wel drie inbreuken op en gaat de matiging juist veel te ver.
Naar het oordeel van het hof stelt [appellant] zich terecht op het standpunt dat hij artikel 3.4 één keer heeft geschonden. Artikel 3.4 bevat een éénmalige verklaring van [appellant] over het ontbreken van andere (mogelijk) schadetoebrengende handelingen. [appellant] heeft daarom redelijkerwijs mogen begrijpen dat een eventueel onjuiste verklaring één inbreuk in de zin van artikel 3.6 oplevert. Dat [appellant] drie vervalste overeenkomsten heeft verzwegen, neemt niet weg dat er in artikel 3.4 slechts één onjuiste verklaring is afgelegd. Het hof verwerpt dus de stelling van Simwave dat de boete is gekoppeld aan iedere afzonderlijke “andere Simwave (mogelijk) schade toebrengende handelingen”. De tekst van artikel 3.4 en 3.6 duidt daar niet op en Simwave heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit een andere bedoeling volgt. Overigens geldt dat, voor zover de bepaling toch onduidelijk moet worden geacht, deze in dit specifieke geval in het nadeel van Simwave moet worden uitgelegd omdat zij de overeenkomst heeft opgesteld.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de door [appellant] verschuldigde boete zonder matiging € 100.000,- bedraagt. De vervolgvraag is of deze boete moet worden gematigd. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat een bedongen boete door de rechter op verzoek van de schuldenaar kan worden gematigd indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist (artikel 6:94 lid 1 BW). Deze maatstaf noopt tot terughoudendheid. De rechter mag pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, waarbij niet alleen zal moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.
De boete van € 100.000,- is naar het oordeel van het hof, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding, de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen en de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, buitensporig en toewijzing daarvan zou tot een onaanvaardbaar resultaat leiden. Meer in het bijzonder acht het hof het volgende van belang.
De boete is verschuldigd omdat [appellant] niet naar waarheid heeft verklaard over het aantal door hem vervalste contracten. Hoewel dat op zichzelf zeer laakbaar is, constateert het hof ook dat Simwave zorgvuldiger te werk had kunnen gaan. Simwave heeft [appellant] in artikel 3.4 een verklaring laten afleggen op straffe van een boete in geval van onjuistheid daarvan, zonder [appellant] een termijn te gunnen om de juistheid van die verklaring te verifiëren, dus om bij zichzelf te rade te gaan of er niet toch nog andere vervalste contracten waren. [appellant] heeft dus nauwelijks tijd gehad om de verklaring tot zich te laten doordringen. Het gevolg van deze handelwijze is dat van het boetebeding geen prikkel c.q. aansporing tot nakoming heeft kunnen uitgaan; reeds door de ondertekening van de VSO door [appellant] , was de boete verschuldigd. Indien Simwave [appellant] bedenktijd had gegund, was [appellant] wel aangespoord om openheid van zaken te geven.
Ook neemt het hof in aanmerking dat Simwave de boeteclausule pas jaren na dato heeft ingeroepen, [appellant] niet heeft geprofiteerd van zijn onjuiste verklaring en Simwave op haar beurt geen schade heeft geleden door het afleggen van de onjuiste verklaring. Ongeveer twee maanden na de ondertekening van de VSO met daarin de verklaring, op 7 november 2018, heeft Simwave ontdekt dat die verklaring onjuist was. Simwave heeft niet gesteld dat zij in die periode van twee maanden is uitgegaan van de juistheid van de verklaring van [appellant] en daardoor schade heeft geleden. Anders dan Simwave veronderstelt, gaat het er niet om of Simwave schade heeft geleden doordat [appellant] valse contracten heeft opgesteld. De inbreuk bestaat immers niet uit het vervalsen van contracten zelf, maar uit het onjuist verklaren daarover (zie hiervoor onder 6.24).
Verder moet in aanmerking worden genomen dat de boete is verschuldigd door [appellant] als natuurlijk persoon tegenover Simwave als professionele organisatie en dat de VSO voorziet in nog andere maatregelen jegens [appellant] . [appellant] heeft immers definitief afscheid genomen van Simwave (niet alleen als indirect bestuurder maar ook als aandeelhouder).
Alles afwegende is het hof van oordeel dat het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Het hof zal de boete tot de helft matigen, dus tot in totaal € 50.000,-. De overige door partijen aangevoerde argumenten vóór dan wel tegen matiging van de boete, zijn naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden en leiden niet tot een ander oordeel. Grief 4 in principaal hoger beroep slaagt dus gedeeltelijk, omdat het hof van oordeel is dat in totaal € 50.000,- aan boete is verschuldigd, en niet € 105.000,- zoals de rechtbank heeft geoordeeld. Grief 2 in incidenteel hoger beroep slaagt niet.
Rente
Met grief 4 in het principaal hoger beroep komt [appellant] ook op tegen de door de rechtbank toegewezen wettelijke handelsrente. [appellant] voert terecht aan dat niet de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW is verschuldigd, maar de wettelijke rente (artikel 6:119 BW). Artikel 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. De VSO is geen handelsovereenkomst. De boete is niet aan te merken als een tegenprestatie voor door Simwave aan [appellant] geleverde goederen of diensten. Ook dit onderdeel van grief 4 in het principaal hoger beroep slaagt dus.
Proceskosten
Het hof onderschrijft de compensatie van proceskosten in conventie in eerste aanleg, omdat in conventie beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld; slechts een beperkt deel van de vordering van Simwave is toegewezen. Grief 5 in principaal hoger beroep, waarmee is betoogd dat Simwave in de proceskosten in conventie in eerste aanleg moet worden veroordeeld, slaagt dus niet. Datzelfde geldt voor grief 3 in incidenteel hoger beroep, waarmee wordt betoogd dat [appellant] in de proceskosten in conventie in eerste aanleg moet worden veroordeeld.
Omdat Simwave in hoger beroep is aan te merken als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Die proceskosten worden aan de zijde van [appellant] begroot op:
dagvaarding € 105,31
griffierecht € 1.780,-
salaris advocaat € 10.716,- (3 punten x tarief V van € 3.572,-)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.779,31
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
Het hof zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, is van onvoldoende zwaarwegend belang ten opzichte van het belang van Simwave bij de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Of de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad had moeten verklaren, zoals Simwave betoogt met grief 3 in incidenteel hoger beroep, kan in het midden blijven.
7. Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2023 voor zover [appellant] daarbij in conventie is veroordeeld tot betaling aan Simwave van € 105.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 december 2022 tot de dag van volledige betaling, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] tot betaling aan Simwave van een bedrag van € 50.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 5 december 2022 tot de dag van volledige betaling,
Dit arrest is gewezen door mr. M.E. Honée, mr. R.S. van Coevorden en mr. K.J.O. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025 in aanwezigheid van de griffier.