GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.348.060/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : C/10/673613 / HA RK 24-129
Beschikking van 1 juli 2025
in de zaak van
het bestuur van de [naam stichting] gevestigd te Rotterdam,
bestaande uit:
1. [bestuurslid 1],
2. [bestuurslid 2] en
3. [bestuurslid 3],
verzoeker in hoger beroep,
kantoorhoudend in Rotterdam,
hierna gezamenlijk te noemen: het bestuur,
en ieder afzonderlijk: [bestuurslid 1], [bestuurslid 2] en [bestuurslid 3],
advocaat: mr. W.G. Reddingius, kantoorhoudend in Rotterdam,
met als belanghebbenden in hoger beroep:
1. [belanghebbende 1],
wonend in Bloemendaal,
hierna te noemen: [belanghebbende 1],
en:
2. [naam kind 1] (geboren [geboortedatum]) en
3. [naam kind 2] (geboren [geboortedatum]),
hierna te noemen: de kinderen,
beiden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordigers [belanghebbende 1] en [bestuurslid 1].
1. De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om het verzoek van het bestuur om de statuten van de [naam stichting] (hierna: de stichting) te wijzigen. De rechter kan een dergelijk verzoek toestaan als ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild (art. 2:294 BW). De rechtbank heeft geoordeeld dat niet aan dit vereiste is voldaan en heeft het verzoek afgewezen.
Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de gevraagde statutenwijziging (grotendeels) toewijsbaar is.
2. Procesverloop in hoger beroep
Op 3 september 2024 heeft het hof het beroepschrift ontvangen waarmee het bestuur in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2024 (hierna: de beschikking). Op 16 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij het bestuur zijn standpunt heeft laten toelichten door zijn advocaat en door bestuurslid [bestuurslid 1]. [bestuurslid 1] trad daarnaast op als vertegenwoordiger van de kinderen. [belanghebbende 1] is als belanghebbende en als vertegenwoordiger van de kinderen opgeroepen, maar zij heeft de mondelinge behandeling niet bijgewoond. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.
Mr. Reddingius heeft desgevraagd nog aan het hof gestuurd (bij brief van 19 mei 2025): de akte van oprichting van de stichting en de juiste versies van producties 14 en 15. Daarnaast heeft hij (ongevraagd) gestuurd: een brief van 17 mei 2025 van [bestuurslid 1] aan het hof, de akte van statutenwijziging van 3 oktober 2018 en de huidige statuten van de stichting, die ook bij het beroepschrift gevoegd waren (hierna: de statuten).
3. Feitelijke achtergrond
De stichting is op 20 november 2017 opgericht door [bestuurslid 1] en [belanghebbende 1], die toen gehuwd waren. [bestuurslid 1] en [belanghebbende 1] zijn gescheiden op 14 juli 2021.
[bestuurslid 1] en [belanghebbende 1] zijn bij de oprichting van de stichting benoemd tot bestuurders van de stichting. [belanghebbende 1] heeft zich op 22 juni 2021 teruggetrokken als bestuurder. [bestuurslid 1] is nog steeds bestuurder, naast [bestuurslid 2] en [bestuurslid 3].
De statuten bevatten de volgende bepalingen (waarbij met “Oprichter 1”, “Oprichter 2” en “de Afstammelingen” zijn bedoeld: [bestuurslid 1], [belanghebbende 1] en de kinderen). Deze bepalingen zijn sinds de oprichting niet gewijzigd.
“DOEL/WIJZE VAN VERWEZENLIJKING
Artikel 3
(…)
3. De stichting heeft met het totaal van haar algemeen nuttige activiteiten geen
winstoogmerk.
4. De stichting heeft niet ten doel het doen van uitkering(en) aan haar oprichter(s) en/of aan haar directeur(en) en/of aan eventuele medewerkende(n) en/of aan één of meer anderen, die van een orgaan van de stichting deel uitmaken of bij de stichting enig belang hebben.
(…)
SAMENSTELLING, BENOEMING, DEFUNGEREN
Artikel 6
(...)
7. De benoeming van bestuurders geschiedt als volgt:
a. indien de Oprichter 1 en/of Oprichter 2 deel uitmaken van het bestuur worden bestuurders benoemd door het bestuur, waarbij het bestuur volledig aanwezig dient te zijn;
b. na defungeren van zowel Oprichter 1 als Oprichter 2, als bestuurders van de stichting worden een of meer opvolgend bestuurders benoemd door een commissie, welke wordt gevormd door de Afstammelingen, mits de betreffende afstammeling reeds de leeftijd van een en twintig (21) jaar heeft bereikt, waarbij iedere persoon één (1) stem heeft;
c. mocht conform sub b geen benoeming kunnen plaatsvinden dan zal de rechtbank worden gevraagd om tot benoeming van bestuursleden over te gaan.
De hiervoor onder sub a bedoelde benoemingsbesluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen waarbij de Oprichters [hof: [bestuurslid 1] en [belanghebbende 1]], voor zover ze deel uitmaken van het bestuur, ten gunste van (“voor”) de benoeming dienen te stemmen.
De hiervoor onder sub b bedoelde benoemingsbesluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
8. De benoemingsbesluiten genoemd in het vorige lid behoeven de goedkeuring van de benoemings en-adviescommissie.
(...)
STATUTENWIJZIGING
Artikel 14
1. Het bestuur is bevoegd te besluiten de statuten te wijzigen, behoudens artikel 6 lid 8, artikel 14 en artikel 16 lid 4. Genoemde artikelen kunnen niet worden gewijzigd. Voor het wijzigen van artikel 6 lid 7 is goedkeuring nodig van de Oprichters en de Afstammelingen.
(…)”
Het bestuur heeft in zijn vergadering van 23 januari 2024 (onder meer) besloten om artikel 6 lid 7 van de statuten te wijzigen in de volgende tekst:
“De bestuurders worden benoemd door het bestuur, waarbij het bestuur volledig aanwezig dient te zijn. Benoemingsbesluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen”
In de notulen is dit besluit als volgt toegelicht:
“De stichting wenst haar statuten te herzien naar aanleiding van onder meer het
veranderde maatschappelijke klimaat rondom ANBI-stichtingen die opgericht en
gefinancierd zijn/worden door één ondernemer. De bijzondere rol die momenteel is toebedeeld aan enig donateur en bestuurslid [bestuurslid 1] en/of zijn Afstammelingen past daarin niet meer.
Deze rol kan bovendien leiden tot fiscale risico's en reputatieschade die de beoogde maatschappelijk impact van de stichting negatief beïnvloeden.
Ook neemt het bestuur in haar overwegingen mee dat een autonoom opererend bestuur zal bijdragen aan de motivatie van (toekomstige) bestuursleden. Het bestuur verwacht dat dit zal bijdragen aan het realiseren van haar maatschappelijke doelstelling.”
Op grond van artikel 14 lid 1 van de statuten is voor de onder 3.4 genoemde statutenwijziging de goedkeuring nodig van [bestuurslid 1], [belanghebbende 1] en de kinderen (vertegenwoordigd door [bestuurslid 1] en [belanghebbende 1]). [belanghebbende 1] heeft haar goedkeuring geweigerd.
Vervolgens heeft het bestuur de rechtbank verzocht om de statuten te wijzigen. Dat verzoek is afgewezen in de onder 2.1 genoemde beschikking (zie ook hierna onder 4).
Bij kortgedingvonnis van 2 augustus 2024 (hierna: het kortgedingvonnis) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, op vordering van [bestuurslid 1], [belanghebbende 1] veroordeeld tot, kort gezegd, het verlenen van goedkeuring aan de hiervoor onder 3.4 genoemde statutenwijziging. Ook is bepaald dat als [belanghebbende 1] dat niet tijdig doet, het vonnis dezelfde kracht heeft als een door [belanghebbende 1] ondertekende volmacht aan [bestuurslid 1] om toestemming te geven. Het kortgeding vonnis is niet ten uitvoer gelegd en de statuten zijn sinds 3 oktober 2018 niet gewijzigd.
4. Procedure bij de rechtbank
Het bestuur heeft (na wijziging van haar verzoek) de rechtbank verzocht om artikel 14 lid 1 van de statuten te wijzigen. [belanghebbende 1] heeft verweer gevoerd.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, kort gezegd omdat de door het bestuur aangevoerde omstandigheden volgens de rechtbank niet leiden tot het oordeel dat ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild.
5. Verzoek in hoger beroep
Het bestuur verzoekt het hof om de beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de statuten van de stichting te wijzigen conform productie 14 en te verstaan dat deze statutenwijziging door de griffier van het hof zal worden ingeschreven in het in art. 2:289 BW bedoelde register. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is aan de zijde van het bestuur bevestigd dat het verzoek in hoger beroep zo moet worden begrepen dat art. 14 lid 1 van de statuten (dat nu luidt: “Het bestuur is bevoegd te besluiten de statuten te wijzigen, behoudens artikel 6 lid 8, artikel 14 en artikel 16 lid 4. Genoemde artikelen kunnen niet worden gewijzigd. Voor het wijzigen van artikel 6 lid 7 is goedkeuring nodig van de Oprichters en de Afstammelingen”) wordt gewijzigd in:
“Het bestuur is bevoegd te besluiten de statuten te wijzigen, behoudens artikel 3 lid 3, artikel 3 lid 4, artikel 14 lid 1 en artikel 16 lid 4. Genoemde artikelen kunnen niet worden gewijzigd.”
Het bestuur heeft onder meer het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd:
De intentie van [bestuurslid 1] bij de oprichting van de stichting was om kapitaal dat [bestuurslid 1] met de verkoop van zijn onderneming had verworven, op een eerlijke manier te delen en om een positieve maatschappelijke impact te realiseren.
Na de oprichting van de stichting zijn er diverse conflicten tussen [bestuurslid 1] en [belanghebbende 1] ontstaan, onder meer met betrekking tot de stichting. Zij hebben inmiddels meer dan tien rechtszaken tegen elkaar gevoerd. Het voortbestaan van de stichting als ‘familiestichting’ ruïneert het leven van beide oprichters en brengt schade toe aan de kinderen. Dit gevolg hebben de oprichters bij de oprichting niet gewild en het is daarom gerechtvaardigd dat de statuten worden gewijzigd, zodanig dat de stichting geen ‘familiestichting’ meer is.
Het maatschappelijk klimaat is na de oprichting van de stichting ingrijpend veranderd; ondernemers die hun vermogen weggeven aan een ‘eigen’ goede doel worden inmiddels gezien als belastingontduikers. Ook dit gevolg is bij de oprichting niet gewild. De omvorming van de stichting tot een ‘gewone’ stichting, in plaats van een ‘familiestichting’, komt aan de maatschappelijke bezwaren tegemoet. Het verhoogt bovendien de motivatie van (toekomstige) bestuurders, die dan autonoom kunnen beslissen, en het vergemakkelijkt het aantrekken van nieuwe bestuurders.
Ongewijzigde instandhouding van de statuten levert belastingrisico’s op voor [bestuurslid 1] als oprichter en voor de stichting, wegens de veranderde anbi-regeling en het verscherpte toezicht op anbi’s. De schenking die [bestuurslid 1] aan de stichting heeft gedaan, zou op grond van gewijzigde regelgeving nu niet meer zijn toegestaan. [belanghebbende 1] heeft zich eerder op het standpunt gesteld dat het vermogen in de stichting aan haar terugvalt als de anbi-status komt te vervallen, en het bestuur vermoedt dat [belanghebbende 1] dit in de toekomst wil bewerkstelligen. Ook daarom is het van belang dat er geen sprake meer is van een stichting met een familiekarakter.
[belanghebbende 1] heeft zich bij herhaling op het standpunt gesteld dat zij controle wenst te verkrijgen over de stichting teneinde vermogen aan zichzelf toe te bedelen. Haar standpunt is echter in strijd met de statuten, waarin staat dat er geen uitkeringen aan oprichters mogen plaatsvinden. De verzochte statutenwijziging leidt ertoe dat [belanghebbende 1] niet meer mag interveniëren met het beleid en de governance van de stichting. Dat is ook in overeenstemming met de vaststellingovereenkomst die [belanghebbende 1] en [bestuurslid 1] hebben gesloten.
[belanghebbende 1] heeft het hof schriftelijk bericht dat zij blijft bij het standpunt dat zij in eerste aanleg en in het tussen [bestuurslid 1] en haar gevoerde kort geding (zie onder 3.7) naar voren heeft gebracht. Dat standpunt komt er kort gezegd op neer dat [belanghebbende 1] het niet eens is met de verzochte statutenwijziging. Zij heeft er onder meer op gewezen dat zij en [bestuurslid 1] als oprichters hebben besloten de stichting met anbi-status op te richten en daarin vermogen te storten om aan goede doelen te schenken. Volgens [belanghebbende 1] heeft de stichting vervolgens echter vijf miljoen euro geïnvesteerd in Metrics Matter B.V., een commercieel bedrijf van [bestuurslid 1], dat niet als goed doel is aan te merken. Ook heeft [belanghebbende 1] aangevoerd dat bestuursleden [bestuurslid 2] en [bestuurslid 3] een persoonlijke relatie hebben met [bestuurslid 1] en dat zij slechts “opvulling” zijn van het bestuur, aangezien [bestuurslid 1] bepaalt wat er gebeurt. [belanghebbende 1] wil, als [bestuurslid 1] geen bestuurder meer is, zelf weer het bestuur hebben over het vermogen van de stichting, dat volgens haar voor 50% van haar afkomstig is. Verder stelt [belanghebbende 1] dat de helft van het aan de stichting geschonken bedrag terugvalt aan haar als [bestuurslid 1] zich niet aan een overeengekomen schenking houdt. Daarom heeft zij naar eigen zeggen een gerechtvaardigd belang bij het behoud van de huidige statuten.
6. Beoordeling in hoger beroep
Het gaat in deze zaak om het verzoek om een bepaling in de statuten van de stichting te wijzigen. Het hof kan die wijziging toestaan, indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild, en de statuten de mogelijkheid van wijziging niet voorzien of zij die tot wijziging bevoegd zijn, nalaten om de statuten te wijzigen (art. 2:294 BW).
Het hof zal het verzoek met inachtneming van de wetsgeschiedenis beoordelen. Uit die wetsgeschiedenis volgt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek om statutenwijziging, de wil van de stichter bij de oprichting tot richtsnoer moet nemen, en dat de wijziging daarom zo min mogelijk dient af te wijken van de bestaande statuten. De rechter dient de wil van de stichter bij oprichting te transponeren naar de huidige omstandigheden. Indien de oprichter nog leeft, is zijn later tot uiting komende wil niet beslissend. De term ‘redelijkerwijze’ brengt bij de beoordeling een objectief element naar voren. De opdracht is aan de rechter verleend, omdat een onpartijdige beslissing dan het best wordt gewaarborgd. De rechter is bij zijn beslissing in zoverre niet gebonden aan de verzochte wijziging in de statuten. Hij kan waar nodig andere wijzigingen aanbrengen.
Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat oprichters [bestuurslid 1] en [belanghebbende 1] het erover eens zijn dat hun wil bij oprichting was om een algemeen nut beogende instelling (anbi) op te richten teneinde vermogen aan goede doelen ten goede te laten komen. Inmiddels hebben [bestuurslid 1] en [belanghebbende 1] echter diverse hoogoplopende conflicten met betrekking tot de stichting. Zo bestrijdt [belanghebbende 1] onder meer het ‘goede doel’ karakter van een donatie waartoe het bestuur - waar [bestuurslid 1] deel van uitmaakt - heeft besloten. Ook stelt [belanghebbende 1] dat zij, als [bestuurslid 1] zich niet aan bepaalde afspraken houdt, aanspraak heeft op terugbetaling van een deel van het aan de stichting geschonken bedrag. [bestuurslid 1] bestrijdt dat op zijn beurt.
Het gevolg van de diverse conflicten tussen [bestuurslid 1] en [belanghebbende 1] is dat de stichting reputatieschade lijdt. Dit blijkt genoegzaam uit het door het bestuur overgelegde artikel in het Financieele Dagblad waarin het conflict tussen [belanghebbende 1] en [bestuurslid 1] breed is uitgemeten en waarin wordt gesproken over gesjoemel met gelden in de stichting. De conflicten hebben bovendien tot gevolg dat het bestuur niet goed in staat is de stichting efficiënt te besturen en dat het aantrekken van nieuwe bestuurders wordt bemoeilijkt.
Bij ongewijzigde handhaving van de statuten zullen [bestuurslid 1] en [belanghebbende 1] als oprichters en (potentiële) bestuurders met elkaar en aan de stichting verbonden blijven. Hun conflicten over het beleid en het bestuur van de stichting zullen in dat geval blijven voortbestaan. Ook de hiervoor beschreven negatieve gevolgen voor de stichting kunnen dan blijven voortduren. Voldoende aannemelijk is dat niet alleen [bestuurslid 1] (die dat heeft gesteld), maar ook [belanghebbende 1] die conflicten en gevolgen bij de oprichting redelijkerwijs niet heeft gewenst. Naar het oordeel van het hof is dus voldaan aan het vereiste van art. 2:294 BW dat ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild. Ook is voldaan aan het vereiste dat de statuten de mogelijkheid van de gevraagde wijziging niet voorzien; het bestuur is op grond van artikel 14 lid 1 van de statuten immers niet bevoegd (althans niet zonder goedkeuring) tot wijziging van art. 6 lid 7, art. 6 lid 8 en art. 14 (waaraan het bestuur art. 3 lid 3 en art. 3 lid 4 wil toevoegen, zie hiervoor onder 5.1).
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild. De verzochte statutenwijziging is daarom grotendeels toewijsbaar. Het hof acht alleen niet toewijsbaar het verzoek van het bestuur om in art. 14 lid 1 van de statuten, niet meer te verwijzen naar art.14 (als artikel dat niet kan worden gewijzigd), maar slechts naar art. 14 lid 1. Het hof dient immers zo min mogelijk af te wijken van de bestaande statuten en het bestuur heeft de noodzaak van wijziging op dit onderdeel van zijn verzoek niet toegelicht, ook niet toen daar tijdens de mondelinge behandeling naar is gevraagd. Het hof zal de statuten wijzigen zoals hierna in het dictum is bepaald. Overeenkomstig art. 2:302 BW zal het hof bepalen dat de griffier deze beschikking, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, zal inschrijven in het handelsregister.
7. Beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2024;
wijzigt art. 14 lid 1 van de statuten van de stichting in die zin dat deze bepaling komt te luiden:
Het bestuur is bevoegd te besluiten de statuten te wijzigen, behoudens artikel 3 lid 3, artikel 3 lid 4, artikel 14 en artikel 16 lid 4. Genoemde artikelen kunnen niet worden gewijzigd.;
wijst het meer of anders verzochte af;
bepaalt dat de griffier deze beschikking, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, zal inschrijven in het handelsregister.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E. Honée, P. Volker en A.F.J.A. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025 in aanwezigheid van de griffier.