GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.325.568/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/614740 / HA ZA 21-230
Arrest van 22 juli 2025
in de zaak van
Energie Concurrent B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
appellante,
advocaat: mr. A.J. Fioole, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Eneco Consumenten B.V. (voorheen genaamd Eneco Energie Retail B.V.),
gevestigd in Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. H.T. Verhaar, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna EC en Eneco.
1. De zaak in het kort
EC heeft in 2007 30% van haar aandelen in Greenchoice B.V. verkocht aan Eneco. In de koopovereenkomst is een terugkoopoptie opgenomen. EC heeft de terugkoopoptie in 2020 ingeroepen. Volgens Eneco kon EC hier geen beroep op doen, omdat (i) de vervaltermijn van de terugkoopoptie toen al was verstreken en (ii) niet is voldaan aan een van de voorwaarden van de terugkoopoptie, namelijk de voorwaarde dat er sprake moet zijn van een ‘koerswissel’. EC heeft gevorderd dat Eneco meewerkt aan de uitoefening van de terugkoopoptie.
De rechtbank heeft de vordering afgewezen, omdat de terugkoopoptie is vervallen en bovendien niet aan de voorwaarde van een ‘koerswissel’ is voldaan. Het hof komt in deze uitspraak tot dezelfde conclusie als de rechtbank.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 14 oktober 2022, waarmee EC in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2022 (hierna: het vonnis);
de memorie van grieven van EC, met bijlagen;
de memorie van antwoord van Eneco, met bijlage;
de akte wijziging van eis van EC (die, met verwerping van het bezwaar van Eneco daartegen, door het hof is toegestaan);
de bijlagen (producties 25 en 26) die Eneco ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
Op 23 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3. Feitelijke achtergrond
EC is op 26 november 2002 opgericht met als doel een onderneming te starten die uitsluitend groene energie op de markt brengt. Met dat doel is op dezelfde datum Greenchoice B.V. (hierna: Greenchoice) opgericht. Bij de oprichting van Greenchoice verkreeg EC alle aandelen in het kapitaal van Greenchoice.
In 2006 is de Wijzigingswet Elektriciteitswet 1998 en Gaswet tot stand gekomen (hierna: de Splitsingswet). Op grond van de Splitsingswet mag een netwerkbeheerder geen deel uitmaken van een groep waartoe ook een rechtspersoon of vennootschap behoort die in Nederland energie produceert of levert. Dat betekende dat energiebedrijven die zich toelegden op zowel het beheren van een netwerk als het leveren van energie (gemengde energiebedrijven) hun netwerkbeheer moesten afsplitsen van hun energieleveringsactiviteiten. Deze splitsing diende vanaf 1 juli 2008 en uiterlijk 31 december 2010 plaats te vinden.
Eneco was een gemengd energiebedrijf in de onder 3.2 bedoelde zin.
De aandelen in Eneco werden destijds gehouden door 44 gemeenten in de provincie Zuid-Holland.
In 2006 is EC op zoek gegaan naar een strategische partner om de duurzaamheids-ambities van Greenchoice verder te ontwikkelen. EC is in dat kader in gesprek gegaan met Eneco. In juli 2007 hebben EC en Eneco per e-mail onderhandeld over een aandelenoverdracht. In een e-mailbericht van 16 juli 2007 van EC aan Eneco staat onder meer:
“(…) In het kort gaat het erom dat:
•We een terugkoopoptie hebben indien Eneco overgenomen wordt door een andere partij, en die andere partij de groenkoers verlaat; wij willen niet gekoppeld worden aan bijvoorbeeld kernenergie. Indien zo’n koerswijziging zich voordoet, verdwijnt in feite de basis van de samenwerking en heeft Greenchoice een probleem. (…)
Hieronder de aangepaste tekst.
(…)
• De terugkoopoptie vervalt in ieder geval [DATUM] . [NB Greenchoice
stelt een termijn van 10 jaar voor. ENECO acht het redelijk om de
termijn van de effectuering van de terugkoopoptie impliciet te
koppelen aan de periode waarop we uiterlijk gesplitst moeten zijn,
zijnde waarschijnlijk, 1 januari 2011 + 12 maanden]. [reactie in rood van EC; toevoeging hof] Wij willen graag vasthouden aan de termijn van 10 jaar. (…)”
Bij koopovereenkomst van 24 juli 2007 heeft EC 30% van de aandelen in het kapitaal van Greenchoice aan Eneco verkocht (hierna: de koopovereenkomst). In de koopovereenkomst staat onder meer het volgende (waarbij met EER is bedoeld: Eneco, met GEA: Greenchoice en met ECBV: EC):
“ 11. TERUGKOOPOPTIE ECBV
Indien:
de meerderheid van de aandelen van de EER danwel van haar
groepsmaatschappijen (waaronder begrepen wordt een houdstermaatschappij) worden of reeds zijn overgedragen aan anderen dan Nederlandse publieke aandeelhouders (" Change of Control "); en
EER haar strategie met betrekking tot haar positie voor duurzame energie verlaat of reeds heeft verlaten (" Koerswissel ");
heeft ECBV het recht de Aandelen [de 30% van de aandelen in Greenchoice; toevoeging hof] op het moment dat zich een Change of Control en/of Koerswissel voordoet, terug te kopen (de "Terugkoopoptie"), tenzij EER op het moment van de Change of Control en de Koerswissel de meerderheid van de aandelen in GEA houdt of GEA op dat moment evenmin een strategie met betrekking tot duurzame energie heeft.
In geval van Change of Control geldt de Terugkoopoptie indien de nieuwe aandeelhouder binnen 3 maanden nadat deze partij aandeelhouder geworden is, niet schriftelijk bevestigd heeft EER’s strategie met betrekking tot haar positie voor duurzame energie te handhaven. ECBV heeft vanaf het moment van zulke bevestiging dan wel het uitblijven daarvan het recht om binnen 1 maand schriftelijk aan te geven de Terugkoopoptie uit te willen oefenen. Deze termijn van 1 maand is niet van toepassing indien Greenchoice niet door EER geïnformeerd is over de Change of Control. Indien ECBV de Terugkoopoptie uitoefent, spannen partijen zich in om EER’s aandelen in GEA binnen 6 maanden na datum kennisgeving ECBV, aan ECBV, over te dragen. Indien zulks niet na 9 maanden is geschied, vervalt de Terugkoopoptie. Op het moment dat de Aandelen zijn overgedragen aan ECBV als gevolg van de uitoefening van de Terugkoopoptie, zegt GEA automatisch de Dienstverleningsovereenkomst op en maken partijen nadere afspraken over hun lopende inkoop verplichtingen. De Dienstverleningsovereenkomst is effectief niet meer van kracht drie maanden na datum van overdracht van de Aandelen.
De Terugkoopoptie vervalt in ieder geval op 8 jaar na Leveringsdatum, of zoveel eerder dat 11.1 respectievelijk artikel 11.2 en 11.9 geldt, maar kan ook later vervallen indien een procedure of termijn zoals omschreven in artikel 11.2 en/of artikel 11.9 ingezet is, maar nog steeds loopt.
(…)
Gedurende een periode van 2 jaar mag ECBV in geen geval de aandelen GEA verkregen van EER ingevolge de Terugkoopoptie, verkopen aan een partij zonder strategie met betrekking tot duurzame energie.
(…)
14. NOTARIS
Partijen verklaren dat:
de Notaris een partner is van Clifford Chance LLP;
Clifford Chance LLP de juridisch adviseur is van de ENECO partijen en dat [naam 1] Notarissen de juridisch adviseur is van ECBV in de Transactie;
zij akkoord gaan dat de Notaris de Akte van Levering zal passeren en dat dit niet in de weg staat dat Clifford Chance LLP als juridisch adviseur optreedt voor EER.”
Verder staat in artikel 1.1 van de koopovereenkomst dat de Leveringsdatum (genoemd in artikel 11.3) de datum van ondertekening van de overeenkomst is.
Eneco heeft in 2008 de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) in rechte betrokken omdat volgens haar de Splitsingswet in strijd was met Europeesrechtelijke bepalingen en rechtsbeginselen en daarom buiten werking gesteld moest worden. Uiteindelijk is eind 2016, na hoger beroep en na in cassatie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde prejudiciële vragen, geoordeeld dat de uit de Splitsingswet voortvloeiende splitsingsverplichting ook voor Eneco gold.
Op 31 januari 2017 zijn de activiteiten van het Eneco-concern op grond van de Splitsingswet gesplitst in een netwerkbedrijf en een energiebedrijf.
Op 24 maart 2020 hebben de aandeelhouders van Eneco (de hiervoor genoemde 44 gemeenten) hun aandelen in Eneco overgedragen aan een consortium van Mitsubishi Corporation (hierna: Mitsubishi) en Chubu Electric Power Co., Inc. (hierna: Chubu), waarbij Mitsubishi 80% en Chubu 20% van die aandelen heeft verkregen.
Bij brief van 20 juli 2020 heeft EC de terugkoopoptie uit de koopovereenkomst ingeroepen.
4. Procedure bij de rechtbank
EC heeft Eneco gedagvaard en gevorderd (na wijziging van eis en samengevat weergegeven): Eneco te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering door Eneco aan EC van 5.400 aandelen in het geplaatste kapitaal van Greenchoice, tegen betaling van € 32.612.040, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Eneco in de proceskosten, vermeerderd met rente.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en EC in de proceskosten veroordeeld. Daartoe is kort gezegd overwogen dat de vervaltermijn van de koopoptie van acht jaar ruimschoots is verstreken. Verder is overwogen dat EC niet kan worden gevolgd in de uitleg die zij geeft aan het vereiste van een ‘koerswissel’. Ook is geoordeeld dat het beroep van EC op de redelijkheid en billijkheid faalt.
5. Vordering in hoger beroep
EC vordert vernietiging van het vonnis en alsnog toewijzing van haar vordering, die zij in hoger beroep heeft gewijzigd. EC vordert thans een verklaring voor recht dat, samengevat:
(i) toen EC de terugkoopoptie inriep, aan de voorwaarden voor de uitoefening van de terugkoopoptie was voldaan, althans EC gerechtigd was de terugkoopoptie uit te oefenen en deze met succes heeft ingeroepen, en
(ii) Eneco gehouden is uitvoering te geven aan de terugkoopoptie.
Verder vordert EC dat Eneco wordt veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
EC heeft zeven grieven naar voren gebracht. Daarmee betoogt EC in de kern dat de rechtbank de terugkoopoptie onjuist heeft uitgelegd en het beroep op die terugkoopoptie ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Volgens EC mocht zij er redelijkerwijs van uitgaan dat een beroep op de terugkoopoptie mogelijk was. In ieder geval geldt volgens EC dat het beroep van Eneco op het verval van de terugkoopoptie en op de voorwaarde van een koerswissel bij Eneco, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. EC voert in dit verband onder meer het volgende aan:
Er bestaat een rechtstreeks verband tussen de splitsing van Eneco en de terugkoopoptie. Het was de bedoeling dat EC na de splitsing van Eneco een aantal jaren de tijd zou hebben om het 30% belang in Greenchoice terug te kopen. Eneco bedong de terugkoopoptie immers omdat Eneco als gevolg van de Splitsingswet haar bedrijfsonderdeel met betrekking tot de levering van energie moest privatiseren en de kans bestond dat dit bedrijfsonderdeel na de privatisering in handen zou komen van een partij zonder ‘groene’ koers. Doordat Eneco zich tegen de Splitsingswet heeft verzet, en zich niet heeft gehouden aan de wettelijke splitsingsdeadline van 31 december 2010, heeft de splitsing van Eneco pas na het verstrijken van de optiedeadline plaatsgevonden.
Indien de redenering van de rechtbank wordt gevolgd, dan heeft de terugkoopoptie geen nut gehad, omdat de splitsing pas na de vervaltermijn van acht jaar heeft plaatsgevonden en EC vóór de splitsing geen belang had bij het inroepen van de terugkoopoptie. Het is te wijten aan een omstandigheid in de invloedsfeer van Eneco dat het zo lang heeft geduurd voordat de splitsing plaatsvond;
Eneco had haar strijd tegen de Splitsingswet ook kunnen voeren zonder het nut van de terugkoopoptie verloren te laten gaan. Zij had de optietermijn kunnen opschorten, maar heeft dat niet gedaan;
Het was de bedoeling van partijen dat de terugkoopoptie kon worden ingeroepen als sprake zou zijn van een koerswissel bij Eneco of bij de aandeelhouders van Eneco, ook al is in de koopovereenkomst alleen verwezen naar een koerswissel van Eneco. EC mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat Eneco begreep dat EC het 30% belang niet slechts moest kunnen terugkopen als Eneco haar groene koers zou veranderen, maar ook als de (nieuwe) aandeelhouders van Eneco dat zouden doen. Omdat de nieuwe aandeelhouders van Eneco, Mitsubishi en Chubu, ‘vervuilers’ zijn, is er sprake van een koerswissel;
EC is over de contractuele bepalingen ten aanzien van de vervaltermijn van de terugkoopoptie en het vereiste van een koerswissel niet juridisch bijgestaan en haar (middellijk) bestuurders hadden geen juridische achtergrond.
6. Beoordeling in hoger beroep
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of EC gerechtigd is de terugkoopoptie in artikel 11 van de koopovereenkomst uit te oefenen. Meer in het bijzonder verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag (i) of de vervaltermijn van de terugkoopoptie in artikel 11.3 van de koopovereenkomst is verstreken en (ii) of is voldaan aan het vereiste van een ‘koerswissel’ als bedoeld in artikel 11.1.2 van de koopovereenkomst.
Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld en tussen partijen ook niet in geschil is, dienen de hiervoor genoemde bepalingen in de koopovereenkomst te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Die maatstaf houdt kort gezegd in dat niet alleen de tekst van de overeenkomst van belang is, maar dat beslissend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf dienen de omstandigheden ten tijde van het aangaan van de overeenkomst in aanmerking te worden genomen. Ook latere omstandigheden kunnen van belang zijn, zoals het gedrag van partijen bij de uitvoering van de overeenkomst, omdat dat gedrag kan wijzen op hetgeen partijen met hun afspraken hebben beoogd.
Vervaltermijn terugkoopoptie
Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat de vervaltermijn van de terugkoopoptie is verstreken en verwerpt het standpunt van EC dat de vervaltermijn van de koopoptie moet worden gerelateerd aan het moment van de splitsing van Eneco. Het hof licht dit als volgt toe.
In de eerste plaats duidt de tekst van artikel 11.3 erop dat partijen een ‘harde’ vervaldatum hebben beoogd, onafhankelijk van het moment van de splitsing van Eneco. De tekst van de in de koopovereenkomst opgenomen vervaltermijn luidt immers (voor zover van belang): “De Terugkoopoptie vervalt in ieder geval op 8 jaar na Leveringsdatum (…).”. Het “vervallen” van de terugkoopoptie na een vaste periode van acht jaar wijst erop dat het moment van splitsing van Eneco niet van invloed is op de vervaldatum. In de tekst van artikel 11.3 is ook niet verwezen naar het moment van splitsing.
Ook uit de onderhandelingen over de vervaltermijn die partijen voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst hebben gevoerd, volgt dat partijen een ‘harde’ vervaldatum hebben beoogd, onafhankelijk van (het moment van) de splitsing van Eneco. Uit de e-mail van 16 juli 2007 blijkt weliswaar dat Eneco had voorgesteld om de vervaltermijn afhankelijk te stellen van de uiterlijke datum van splitsing, maar ook dat EC dat voorstel uitdrukkelijk heeft verworpen, en een vaste termijn van tien jaar heeft voorgesteld. Vervolgens zijn partijen een vaste termijn overeengekomen (van acht jaar). EC kan dan ook niet worden gevolgd in haar standpunt dat partijen, ondanks de bewoordingen van artikel 11.3, bedoeld hebben de termijn afhankelijk te stellen van het moment van splitsing. Partijen hebben juist welbewust gekozen voor een vaste vervaltermijn die niet afhankelijk was van het moment van splitsing.
Verder neemt het hof in aanmerking dat de gedragingen van partijen na het sluiten van de koopovereenkomst, er niet op wijzen dat het de bedoeling was de vervaltermijn afhankelijk te stellen van de datum van splitsing van Eneco. Toen bekend was dat de splitsing van Eneco niet binnen de wettelijke splitsingstermijn had plaatsgevonden, hebben partijen geen nadere vervaltermijn bepaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft EC naar voren gebracht dat zij dit destijds wel mondeling aan de orde heeft gesteld bij de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]), de toenmalige bestuurder van Eneco, maar dat [naam 2] toen te kennen gaf dat een splitsing van Eneco niet aan de orde zou zijn. Eneco heeft tijdens de mondelinge behandeling betwist dat partijen destijds over een verlenging hebben gesproken. Maar wat daarvan verder ook zij, ook als ervan wordt uitgegaan dat het door EC gestelde gesprek heeft plaatsgehad, volgt daaruit niet dat partijen hebben bedoeld om de vervaltermijn afhankelijk te stellen van de splitsing van Eneco zoals EC stelt. Het lijkt er veeleer op dat [naam 2] c.q. Eneco uitging van de goede afloop van de procedure tegen de Staat (zie onder 3.7) zodat splitsing niet aan de orde zou zijn. Uit hetgeen EC over het gesprek met [naam 2] heeft aangevoerd blijkt in elk geval niet dat Eneco ervan uitging dat de vervaltermijn van de terugkoopoptie was gerelateerd aan het moment van splitsing van Eneco. Verder verwerpt het hof het standpunt van EC dat Eneco na het uitstellen van de splitsing, op eigen initiatief de vervaltermijn had moeten opschorten. Het was veeleer aan EC - de partij die een beroep zou kunnen doen op de terugkoopoptie - om hiertoe actie te ondernemen.
Op grond van het voorgaande (de tekst van de terugkoopoptie, de onderhandelingen daarover en de gedragingen van partijen nadien) oordeelt het hof dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de terugkoopoptie acht jaar na de leveringsdatum (24 juli 2007) zou vervallen, dus op 25 juli 2015. Hetgeen EC heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. In dit kader overweegt het hof nog het volgende.
Het hof verwerpt de stelling dat EC geen belang had bij het inroepen van de terugkoopoptie zolang de splitsing niet had plaatsgevonden en dat de terugkoopoptie daarom feitelijk geen nut heeft gehad. Eneco heeft er terecht op gewezen dat het mogelijk was geweest dat Eneco vóór de splitsing zou zijn verkocht, en dat EC in dat geval een beroep op de terugkoopoptie had kunnen doen. Ook heeft Eneco er terecht op gewezen dat als de splitsing wel tijdig (met inachtneming van de wettelijke splitsingstermijn) had plaatsgevonden, daarmee niet zou zijn gegeven dat de terugkoopoptie voor EC wel ‘nut’ had in de zin dat zij een beroep op de terugkoopoptie had kunnen doen. EC kon dat immers alleen indien er binnen de vervaltermijn een change of control zou plaatsvinden. Verder is van belang dat het de keuze van EC is geweest om de uitoefeningstermijn van de terugkoopoptie los te koppelen van de splitsing (zie onder 3.5). Eventuele negatieve gevolgen hiervan zoals een verminderd ‘nut’ van de terugkoopoptie, dienen daarom voor rekening en risico van EC te blijven.
In het midden kan blijven of EC geen bijstand van een advocaat heeft gehad bij de onderhandelingen over (de tekst van) de terugkoopoptie, zoals EC stelt maar Eneco betwist. Ook als EC geen juridische bijstand heeft gehad, moet het voor haar (middellijk) bestuurders, die de onderhandelingen voerden, redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de terugkoopoptie na acht jaar (na de leveringsdatum) zou vervallen. De tekst van de terugkoopoptie is wat dat betreft duidelijk, ook voor niet-juristen. Overigens mocht Eneco er redelijkerwijs van uitgaan dat EC wel juridische bijstand had, aangezien dit in de koopovereenkomst is vermeld (zie artikel 14.1.2). Het komt voor rekening en risico van EC indien zij niettemin heeft nagelaten zich op dit onderdeel van de transactie te laten adviseren.
De conclusie van het voorgaande is dat de vervaltermijn van de terugkoopoptie op 25 juli 2015 is verstreken zodat het beroep dat EC in 2020 op de vervaltermijn heeft gedaan, te laat is.
Anders dan EC betoogt, is het beroep van Eneco op de vervaltermijn niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. EC heeft in dit kader argumenten aangevoerd die hiervoor al zijn besproken en verworpen. Verder is nog van belang dat Eneco de splitsing niet heeft uitgesteld om een beroep van EC op de terugkoopoptie onmogelijk te maken - EC stelt dat ook niet -, maar omdat Eneco bezwaren had tegen de Splitsingswet. Dat uitstel is daarom niet van voldoende gewicht om te concluderen dat het beroep van Eneco op het verstrijken van de optietermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Koerswissel
Het hof deelt ook het oordeel van de rechtbank dat niet is voldaan aan het in de koopoptie opgenomen vereiste van een ‘koerswissel’. Het standpunt van EC dat de partijbedoeling was dat niet alleen een koerswissel van Eneco zelf, maar ook een koerswissel van de aandeelhouders van Eneco zou gelden als een koerswissel in de zin van de koopovereenkomst, wordt verworpen. Het hof licht dit hierna toe.
Partijen zijn blijkens de tekst van artikel 11.1 overeengekomen dat EC een terugkoopoptie heeft indien er sprake is van (i) een Change of Control en (ii) een koerswissel. Onder een koerswissel wordt verstaan het geval dat “EER” - waarmee Eneco is bedoeld - haar strategie met betrekking tot haar positie voor duurzame energie (hierna kortweg: groene koers) verlaat of reeds heeft verlaten. In bedoelde tekst is alléén verwezen naar een koerswissel van Eneco, en niet ook van de aandeelhouders van Eneco. De tekst van de koopovereenkomst ondersteunt het standpunt van EC dus niet, en EC heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de tekst van de koopovereenkomst de bedoeling van partijen niet juist weergeeft. EC heeft weliswaar verwezen naar de e-mail van 16 juli 2007, waarin namens EC tot uitdrukking is gebracht dat EC niet “gekoppeld” wil worden aan een niet-groene partij die Eneco overneemt, maar partijen hebben er niettemin voor gekozen om in de uiteindelijke tekst van de koopovereenkomst slechts te verwijzen naar de koers van “EER” c.q. Eneco, en niet ook die van haar aandeelhouders. Eneco behoefde daarom redelijkerwijs niet te verwachten dat de verwijzing naar “EER” in artikel 11.1 van de koopovereenkomst niet alleen betrekking had op Eneco zelf, maar ook op haar aandeelhouders.
EC heeft er nog op gewezen dat Eneco een groen imago had, dat haar voormalige bestuurder [naam 2] de initiator van de vergroening was en ook hij wilde voorkomen dat Eneco in handen van een “vervuilende aandeelhouder” zou komen. Ook heeft zij gewezen op artikel 11.8 van de koopovereenkomst, dat betrekking heeft op de situatie dat EC de terugkoopoptie uitoefent en de teruggekochte aandelen vervolgens verkoopt aan een derde. Uit dit alles volgt echter niet dat Eneco de op zichzelf duidelijke tekst over een koerswissel bij Eneco, redelijkerwijs ruimer heeft moeten begrijpen, en wel zodanig dat ook een koerswissel van de aandeelhouders van Eneco aanspraak zou geven op terugkoop van de aandelen.
Wat betreft het betoog van EC dat zij geen juridische bijstand had ten aanzien van de redactie van artikel 11.1.2 van de koopovereenkomst over de koerswissel, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 6.9 is overwogen.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat een koerswissel van de aandeelhouders van Eneco niet geldt als een koerswissel in de zin van de koopovereenkomst en vaststaat dat Eneco na 24 maart 2020 haar strategie met betrekking tot haar positie voor duurzame energie niet heeft verlaten. Ook daarom komt EC geen beroep toe op de terugkoopoptie. In het midden kan blijven of de aandeelhouders van Eneco als ‘vervuilend’ zijn aan te merken, zoals EC stelt maar Eneco betwist. Ook kan in het midden blijven of een schriftelijke bevestiging in de zin van artikel 11.2 van de koopovereenkomst ontbreekt (hetgeen EC heeft gesteld maar Eneco heeft betwist). Anders dan EC stelt, volgt uit de tekst van die bepaling niet dat een koerswissel in de zin van 11.1.2 van de koopovereenkomst wordt verondersteld als geen schriftelijke bevestiging heeft plaatsgehad.
Het hof volgt EC niet in haar betoog dat het beroep van Eneco op artikel 11.1.2 van de koopovereenkomst, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De argumenten die EC in dit kader heeft aangevoerd zijn hiervoor al besproken en verworpen.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat alle grieven falen en dat het hoger beroep van EC niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen en de gewijzigde vordering afwijzen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe, bij gebrek aan een voldoende concreet (op feiten en omstandigheden toegesneden) bewijsaanbod. Het hof zal EC als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Eneco op:
griffierecht € 11.379,-
salaris advocaat € 12.434,- (2 punten × tarief VIII van € 6.217,-)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 23.991,-
7. Beslissing
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, G.C. de Heer en A.A. Bootsma en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025 in aanwezigheid van de griffier.