GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.333.419/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/632163 / HA ZA 22-573
Arrest van 26 augustus 2025
in de zaak van
[appellante] , handelend onder de naam [eenmanszaak] ,
wonend in [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. du Bois, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
KMS Automotive B.V.,
gevestigd in Schoonhoven,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.M. Schouten-Hennen, kantoorhoudend in Alkmaar.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en KMS.
1. De zaak in het kort
Twee automonteurs hadden interesse in de overname van het (autoreparatie)bedrijf van [appellante] . Zij hebben vooruitlopend op die overname werkzaamheden in dat bedrijf uitgevoerd en KMS opgericht. Uiteindelijk is de overname niet doorgegaan. KMS heeft vervolgens een factuur voor de werkzaamheden gestuurd. [appellante] heeft die niet betaald. Volgens [appellante] was niet afgesproken dat zij voor de werkzaamheden zou betalen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen partijen wel is afgesproken dat er voor de werkzaamheden zou worden betaald. Omdat geen uurtarief is overeengekomen, heeft de rechtbank een uurtarief bepaald en [appellante] veroordeeld tot betaling van bijna € 70.000,- (plus nevenvorderingen). Beide partijen voeren in hoger beroep (onder meer) aan dat het door de rechtbank bepaalde tarief niet redelijk is. Het hof oordeelt in deze uitspraak dat het door de rechtbank bepaalde tarief wel redelijk is. Wel wijst het hof nog btw toe over het door [appellante] verschuldigde bedrag.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 15 augustus 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2023 (hierna: het vonnis);
de memorie van grieven van [appellante] ;
de memorie van antwoord, tevens incidenteel hoger beroep van KMS, met bijlagen;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellante] .
Op 20 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellante] en haar advocaat zijn toen niet verschenen. De advocaat van KMS heeft de zaak mondeling toegelicht. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
3. Feitelijke achtergrond
[appellante] drijft een eenmanszaak (hierna: de eenmanszaak) die zich onder andere bezighoudt met de reparatie van oldtimers.
Medio maart 2021 hebben automonteurs [automonteur 1] (hierna: [automonteur 1] ) en [automonteur 2] (hierna: [automonteur 2] ) gesprekken gevoerd met [appellante] over een mogelijke overname van de onderneming van [appellante] .
Op 16 maart 2021 hebben [automonteur 1] en [automonteur 2] met medeweten [appellante] hun baan opgezegd. Vanaf april/mei 2021 zijn zij werkzaamheden voor de eenmanszaak gaan verrichten, hoofdzakelijk bestaande uit het repareren en restaureren van oldtimers. Zij hadden nog geen ervaring met het werken met oldtimers en verrichtten hun werkzaamheden onder begeleiding van [begeleider] (hierna: [begeleider] ), de man van [appellante] .
Op 7 mei 2021 hebben [automonteur 1] en [automonteur 2] KMS opgericht (toen nog geheten: [voormalige bedrijfsnaam] , hierna ook: KMS). [automonteur 1] en [automonteur 2] zijn de (indirect) bestuurders van KMS.
Op 15 mei 2021 is per WhatsApp bericht aan [appellante] een foto gestuurd van een envelop van de kamer van koophandel geadresseerd aan “ [voormalige bedrijfsnaam] ”. [appellante] heeft daarop geantwoord “Dank voor het doorgeven”.
Op de facebookpagina van [appellante] is op 3 juni 2021 melding gemaakt van een uitbreiding:
“U heeft het misschien al gelezen of gezien per 1 juni is er een uitbreiding gekomen bij ons (…) in [woonplaats] .
[voormalige bedrijfsnaam] .
Een afdeling die gespecialiseerd is in inkoop en verkoop van Nieuw en gebruikte auto’s. (…)”
Op 8 februari 2022 heeft KMS een factuur van € 873,83 (excl. btw) aan de eenmanszaak gestuurd met als omschrijving “Geleverde onderdelen volgens afspraak”. [appellante] heeft deze factuur voldaan.
Begin maart 2022 is duidelijk geworden dat het niet tot een overname zou komen, omdat partijen het niet eens werden over de prijs.
Op 29 maart 2022 heeft KMS een factuur van € 133.714,83 (inclusief btw) verzonden voor de uren die [automonteur 1] en [automonteur 2] voor de eenmanszaak hebben gewerkt. In de omschrijving is vermeld dat het totaal aantal werkdagen 397 bedraagt, en is per kalendermaand (over de periode april 2021 tot en met februari 2022) gespecificeerd hoeveel dagen er is gewerkt. Voor [automonteur 1] is een (gereduceerd) uurtarief van € 55,- toegepast en voor [automonteur 2] een (eveneens gereduceerd) uurtarief van € 42,50 (beide exclusief btw en uitgaande van 5,75 productieve uren per werkdag). Op 4 april 2022 heeft KMS een betalingsherinnering gestuurd.
Bij aangetekende brief van 11 april 2022 heeft [appellante] onder meer aan KMS geschreven:
“Na aanleiding van de factuur en de betalingsherinnering van [voormalige bedrijfsnaam] delen wij u mede dat wij het hier niet mee eens zijn, en dus ook niet dit gaan betalen maar alles wel in redelijkheid gaan bekijken. Jullie hebben uit jullie eigen een uur tarief genomen waar echt niet over gesproken is en waar wij ook geen afspraak hebben over gemaakt ondanks dat wij diverse malen naar dit gevraagd hebben, maar dan kwam er als antwoord eerst maar zoveel mogelijk afmaken dan komen we er wel uit, dus geen duidelijk antwoord gehad. (…)
En een van de laatste punten willen wij een duidelijk overzicht van de gewerkte dagen met als uitleg welke auto’s en wat er aan gedaan is, dit ook voor ons om het duidelijk te krijgen wat er gedaan is en door wie.”
Op 19 april 2022 heeft KMS hierop onder meer als volgt geantwoord:
“We kunnen blijven discussiëren over wat wel en wat niet maar wij denken niet dat dat opschiet. Wij zijn coulant geweest met het aantal uren dat we bij jullie hebben gewerkt en hanteren een marktconform uurtarief. Financieel gaan we er al op achteruit.
Onze voorkeur heeft dan ook een snelle afhandeling zodat beide partijen verder kunnen en deze situatie achter zich kunnen laten.”
Op 25 april 2022 heeft KMS nogmaals een betalingsherinnering gestuurd. [appellante] heeft de factuur onbetaald gelaten.
4. Procedure bij de rechtbank
KMS heeft [appellante] gedagvaard en betaling gevorderd van € 133.714,83 (inclusief btw) als vergoeding voor de door [automonteur 1] en [automonteur 2] gewerkte uren.
[appellante] heeft verweer gevoerd en heeft op haar beurt een vordering in reconventie ingesteld. Die vordering maakt geen onderdeel uit van het hoger beroep en blijft daarom onbesproken.
De rechtbank heeft de vordering in conventie gedeeltelijk toegewezen en [appellante] veroordeeld tot betaling van € 69.679,- (te vermeerderen met de wettelijke handelsrente). De rechtbank heeft onder meer vastgesteld dat [automonteur 1] ruim 1.193 uren heeft gewerkt en [automonteur 2] ruim 1.033 uren. Overwogen is dat € 35,- een redelijk uurtarief is voor de door [automonteur 1] gewerkte uren en € 27,- voor de door [automonteur 2] gewerkte uren (omdat hij minder ervaren is). Verder is [appellante] veroordeeld tot betaling van € 1.471,79 aan buitengerechtelijke incassokosten (te vermeerderen met de wettelijke rente), € 2.223,53 aan beslagkosten en € 6.942,72 aan proceskosten in conventie.
5. Vordering in hoger beroep
In principaal hoger beroep van [appellante]
[appellante] wil dat het hof de vorderingen van KMS alsnog geheel afwijst en heeft daartoe vijf bezwaren (grieven) tegen het vonnis aangevoerd. Zij stelt kort gezegd dat de werkzaamheden van [automonteur 1] en [automonteur 2] plaatsvonden met het oog op een mogelijke overname en dat niet is afgesproken dat zij daarvoor zou betalen. Ook voert [appellante] aan dat zij alleen te maken had met [automonteur 1] en [automonteur 2] , niet met KMS.
In incidenteel hoger beroep van KMS
KMS heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, en twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. KMS vindt dat de rechtbank van een te laag uurtarief is uitgegaan. Ook stelt zij dat is verzuimd om btw toe te wijzen. Zij vordert alsnog betaling van het gehele factuurbedrag, inclusief btw.
6. Beoordeling in hoger beroep
Het gaat in deze zaak in de kern om de volgende vragen:
Is er een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [appellante] een vergoeding is verschuldigd aan KMS voor de werkzaamheden van [automonteur 1] en [automonteur 2] ? (Grieven 1 en 2 principaal hoger beroep)
Zo ja, hoeveel gewerkte uren komen voor vergoeding in aanmerking en tegen welk uurtarief? (Grieven 3 en 4 principaal hoger beroep, grieven 1 en 2 incidenteel hoger beroep)
De overeenkomst
Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, en met wie, afhankelijk is van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Aanbod en aanvaarding behoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden. Zij kunnen in elke vorm plaatsvinden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. Niet uitgesloten is dat op enig moment na het sluiten van de overeenkomst een ander dan een van de oorspronkelijke contractspartijen in de plaats van die oorspronkelijke contractspartij dient te worden aangemerkt als contractspartij.
Het hof constateert dat beide partijen ervan zijn uitgegaan dat [appellante] voor de werkzaamheden van [automonteur 1] en [automonteur 2] zou betalen. Dit volgt uit de factuur van KMS en de brief die [appellante] in reactie daarop heeft gestuurd (zie onder 3.11). Uit die brief blijkt dat [appellante] slechts bezwaren had met betrekking tot de hoogte van de factuur. Zij schreef verder dat zij de factuur “in redelijkheid” gaat bekijken en dat zij al diverse malen heeft gevraagd naar een tarief (“Jullie hebben uit jullie eigen een uur tarief genomen waar echt niet over gesproken is en waar wij ook geen afspraak hebben over gemaakt ondanks dat wij diverse malen naar dit gevraagd hebben (…).”). Ook vroeg [appellante] om “een duidelijk overzicht van de gewerkte dagen met als uitleg welke auto’s en wat er aan gedaan is (…).”. Dit verzoek om een overzicht zou zinloos zijn geweest indien [appellante] meende dat zij niets hoefde te betalen. Uit de brief van [appellante] valt dus af te leiden dat (al dan niet stilzwijgend) was afgesproken dat [appellante] voor de werkzaamheden zou betalen. Hoe dan ook hebben [automonteur 1] en [automonteur 2] de uitlatingen van [appellante] als zodanig mogen opvatten.
Los van de hiervoor besproken brief geldt dat [appellante] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zij voor de werkzaamheden van [automonteur 1] en [automonteur 2] moest betalen. In dit kader is van belang (i) dat de werkzaamheden werden uitgevoerd door [automonteur 1] en [automonteur 2] als professionele automonteurs, (ii) [automonteur 1] en [automonteur 2] dat deden nadat zij met medeweten van [appellante] hun baan in de autobranche hadden opgezegd, (iii) zij een groot aantal uur in de eenmanszaak hebben gewerkt over een relatief lange periode van ongeveer 11 maanden, en (iv) [appellante] profiteerde van die werkzaamheden omdat zij die factureerde aan haar klanten (zie r.o. 3.11 van het vonnis).
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel (net zoals de rechtbank) dat (mondeling dan wel stilzwijgend) is overeengekomen dat [appellante] voor de werkzaamheden van [automonteur 1] en [automonteur 2] zou betalen. Ook deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat het daarbij gaat om een overeenkomst van aanneming van werk.
Aan het voorgaande doet niet af dat het de intentie was dat [automonteur 1] en [automonteur 2] , c.q. KMS, de onderneming van [appellante] zouden overnemen. De door [appellante] gemaakte vergelijking met een due diligence onderzoek (waarbij partijen hun eigen kosten dragen als de beoogde overname niet doorgaat) gaat niet op. Het gedurende bijna een jaar uitvoeren van reparaties aan auto’s is niet aan te merken als due diligence onderzoek. Verder is van belang dat [appellante] profijt heeft gehad van de werkzaamheden van [automonteur 1] en [automonteur 2] , door de facturering daarvan aan haar klanten. De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat [automonteur 1] en [automonteur 2] moesten worden ingewerkt omdat zij nog geen ervaring hadden met de reparatie van oldtimers, rechtvaardigde weliswaar de verwachting van een gereduceerd uurtarief (zie hierna onder 6.12), maar niet dat het werk ‘voor niets’ werd verricht. [automonteur 1] en [automonteur 2] hebben dit ook nimmer zo hoeven opvatten (dat zij ‘gratis’ zouden werken).
Partijen bij de overeenkomst
Het hof is het ook eens met de rechtbank dat de hiervoor bedoelde overeenkomst is gesloten met KMS (in oprichting), en dus niet met [automonteur 1] en [automonteur 2] zoals [appellante] (subsidiair) heeft betoogd. [automonteur 1] en [automonteur 2] hadden immers het voornemen om hun werkzaamheden uit te oefenen in KMS en hebben [appellante] ook in kennis gesteld van de oprichting van KMS (zie onder 3.5). Vervolgens is er gecorrespondeerd op naam van KMS (zie onder 3.7 e.v.). Uit deze omstandigheden heeft [appellante] redelijkerwijs moeten afleiden dat KMS haar wederpartij was. Dat zij daar ook daadwerkelijk vanuit is gegaan, blijkt uit de facebookpagina waarin zij heeft verwezen naar de uitbreiding van haar onderneming met KMS (zie onder 3.6), uit het feit dat zij de factuur van 8 februari 2022 van KMS heeft betaald en uit haar bezwaar tegen de op 29 maart 2022 verstuurde factuur, dat zij heeft gericht aan KMS.
Aan het voorgaande doet niet af dat KMS is opgericht nadat de werkzaamheden van [automonteur 1] en [automonteur 2] al een aanvang hadden genomen. [automonteur 1] en [automonteur 2] konden immers rechtshandelingen verrichten namens de nog op te richten vennootschap (art. 2:203 BW). Zoals KMS heeft aangevoerd, zijn die rechtshandelingen na de oprichting (stilzwijgend) bekrachtigd door KMS.
Het uurtarief
Vast staat dat partijen geen uurtarief hebben afgesproken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarom een redelijke prijs voor de werkzaamheden moet worden bepaald (op grond van artikel 7:752 BW). In dat verband is aansluiting gezocht bij het gangbare ZZP uurtarief voor automonteurs (bij gebrek aan door de aannemer ‘gewoonlijk bedongen prijzen’ en ‘gewekte verwachtingen’ in de zin van art. 7:752 lid 1 BW). In de door [appellante] overgelegde factuur van [naam] van Staat Projecten B.V. (hierna: [naam] ) heeft de rechtbank een objectief aanknopingspunt gevonden voor een nadere bepaling daarvan. [naam] heeft als ervaren automonteur werkzaamheden voor de eenmanszaak verricht tegen een uurtarief van € 35,- (exclusief btw). De rechtbank heeft dit uurtarief gerekend voor de uren van [automonteur 1] , die ook ervaren is, en € 27,- voor [automonteur 2] , die minder ervaren is.
Volgens [appellante] zijn de door de rechtbank gehanteerde uurtarieven te hoog. Zij betoogt dat [naam] ervaring had met het repareren en restaureren van oldtimers, en [automonteur 1] en [automonteur 2] niet, en dat daarom moet worden uitgegaan van een uurtarief van € 25,-.
KMS betoogt op haar beurt dat de door de rechtbank gehanteerde uurtarieven te laag zijn. Zij voert aan dat KMS een besloten vennootschap is met twee bestuurders, en dat zij daarom meer (administratie-, salaris- en overhead)kosten heeft dan een zzp-er zoals [naam] . Ook heeft KMS diverse facturen van collega-garages overgelegd en een artikel over werkplaatstarieven met betrekking tot oldtimers. KMS stelt bovendien dat moet worden aangenomen dat [naam] een ‘vriendentarief’ heeft gehanteerd, omdat hij bevriend was met [begeleider] en [begeleider] (die zelf een uurtarief hanteerde van € 85,- excl. btw) ziek was. Verder voert KMS nog aan dat er niet veel verschil zit tussen het verrichten van werkzaamheden aan oldtimers en gewone auto’s, en dat zij al een lager tarief heeft gehanteerd dan gebruikelijk in de markt, omdat [automonteur 1] en [automonteur 2] moesten worden ingewerkt.
Het hof verwerpt de door beide partijen aangevoerde bezwaren tegen de door de rechtbank gehanteerde uurtarieven en neemt die tarieven over, en ook de motivering daarvoor in r.o. 3.7 tot en met r.o. 3.10 van het vonnis. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe. De in de markt gehanteerde (consumenten)tarieven zijn niet maatgevend in dit geval. Niet alleen omdat [automonteur 1] en [automonteur 2] niet rechtstreeks voor klanten werkten (maar voor de eenmanszaak), maar ook omdat zij de werkzaamheden in een bijzondere context uitvoerden, namelijk met het oog op de (eventuele) overname van de eenmanszaak. Zij werden daarom ingewerkt door [begeleider] , en ook omdat zij zelf nog geen ervaring met oldtimers hadden. Deze omstandigheden rechtvaardigen dat wordt uitgegaan van een aanzienlijk lager tarief dan de door KMS genoemde tarieven.
Het argument van KMS dat er vanuit een besloten vennootschap is gewerkt legt naar het oordeel van het hof geen gewicht van betekenis in de schaal, aangezien bij de uitvoering van de werkzaamheden gebruik is gemaakt van de werkplaats van de eenmanszaak en van daar aanwezige apparatuur en gereedschap.
Het hof verwerpt de redenering van [appellante] dat van een nog lager tarief moet worden uitgegaan, omdat [automonteur 1] en [automonteur 2] minder relevante werkervaring hadden dan [naam] . De rechtbank heeft met dat gegeven al voldoende rekening gehouden, door ten dele uit te gaan van een lager uurtarief dan dat van [naam] . Per saldo is voldoende rekening gehouden met het verschil in werkervaring, waarbij mede van belang is dat [automonteur 1] en [automonteur 2] wel ervaren ‘gewone’ automonteurs waren.
Het aantal gewerkte uren
Het hof deelt ook het oordeel van de rechtbank over het aantal uren dat voor vergoeding in aanmerking komt. Meer in het bijzonder is ook het hof van oordeel dat KMS de urenopgave voldoende heeft gespecificeerd, in het licht van de omstandigheden dat (i) [appellante] de gewerkte uren uiteindelijk moest factureren aan haar klanten en dat ook deed en (ii) de werkzaamheden lange tijd plaatsgevonden onder toezicht van [appellante] en [begeleider] (die dus zicht hadden op het aantal uren dat [automonteur 1] en [automonteur 2] voor de eenmanszaak hebben gewerkt) in het kader van een inwerktraject met het oog op de eventuele overname van de eenmanszaak door KMS. Gelet hierop heeft [appellante] de door KMS overgelegde urenopgave onvoldoende betwist, ook in hoger beroep.
De tussenconclusie is dat grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep falen en ook grief 1 in incidenteel hoger beroep.
Btw
Met grief 2 in incidenteel hoger beroep voert KMS aan dat de rechtbank heeft verzuimd om btw over de vergoeding toe te wijzen. [appellante] heeft zich op dit onderdeel gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Deze grief slaagt. De rechtbank heeft het verschuldigde uurtarief exclusief btw vastgesteld en had over het totaal verschuldigde bedrag van € 69.679,- 21% btw moeten toewijzen, zoals is gevorderd. Het hof zal de btw alsnog toewijzen, zodat de vordering wordt toegewezen tot het bedrag van € 84.311,59.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van KMS gedeeltelijk slaagt. Het hof zal het vonnis vernietigen voor zover de gevorderde btw van 21% over het door de rechtbank gehanteerde uurtarief is afgewezen, die btw alsnog toewijzen en het vonnis voor het overige bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep (waarmee ook grief 5 in principaal hoger beroep faalt). De kosten in het incidenteel hoger beroep zullen worden gecompenseerd. Het ligt niet in de rede om [appellante] in die kosten te veroordelen, aangezien zij de bestreden beslissing over de btw niet heeft uitgelokt en zij zich in hoger beroep op dit onderdeel heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof begroot de proceskosten in principaal hoger beroep aan de zijde van KMS op:
griffierecht € 2.135,-
salaris advocaat € 4.426 ,- (2 punten × tarief IV van 2.213,-)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.739,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
7. Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2023 voor zover daarbij in conventie € 69.679,- is toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 29 april 2022 tot de dag van volledige betaling,
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellante] om aan KMS te betalen een bedrag van € 84.311,59 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 29 april 2022 tot de dag van volledige betaling;
Dit arrest is gewezen door mr. M.E. Honée, M.J. van Cleef-Metsaars en mr. K.J.O. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2025 in aanwezigheid van de griffier.