GERECHTSHOF DEN HAAG
Team familie
zaaknummer : 200.352.612/01
rekestnummer rechtbank : JE RK 24-2124
zaaknummer rechtbank : C/09/676294
beschikking van de meervoudige kamer van 1 oktober 2025
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. I.G.M. van Gorkum te Den Haag,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de pleegvader] en [de pleegmoeder] ,
wonende op het een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegvader en de pleegmoeder,
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2025 uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking). Bij deze beschikking is tevens de zaak C/09/677371/ JE RK 24-2265 behandeld (en aangehouden). Hiertegen is dit hoger beroep niet gericht.
2. Het geding in hoger beroep
De moeder is op 20 maart 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De gecertificeerde instelling heeft op 14 mei 2025 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 14 april 2025, met bijlagen, ingekomen op 15 april 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 24 april 2025, met bijlage, ingekomen op 25 april 2025.
De raad heeft het hof bij brief van 21 mei 2025 bericht niet op de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.
De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling 1] en [vertegenwoordiger van de gecertificeerde insteling 2] ;
- de pleegmoeder;
Aan [pleegzorgmedewerker] , pleegzorgmedewerker, en [gedragswetenschapper] , gedragswetenschapper, is bijzondere toegang verleend.
De moeder heeft ter zitting spreeknotities overgelegd.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Uit de moeder is geboren [de minderjarige] , op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).
De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
Bij beschikking van 3 november 2021 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling en de gecertificeerde instelling een machtiging verleend om de minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen. Bij beschikking van 30 januari 2024 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 3 februari 2025. Bij beschikking van 5 november 2024 is de machtiging om de minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd tot 3 februari 2025.
De minderjarige verblijft sinds december 2021 bij de pleegouders.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – naast de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 3 februari 2026 – de aan de gecertificeerde instelling verleende machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg tevens verlengd tot 3 februari 2026.
De moeder is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende
- te bepalen dat het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing wordt afgewezen, althans dat de machtiging uithuisplaatsing wordt verkort tot een zo kort mogelijke termijn;
- te bepalen dat ten onrechte het perspectiefbesluit is bekrachtigd;
kosten rechtens.
De gecertificeerde instelling verzoekt het hof de moeder niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Over het perspectiefbesluit zal de rechter zich in dit kader een oordeel dienen te vormen op grond van de overwegingen uit de beschikking van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148). De rechter kan het perspectiefbesluit alleen toetsen voor zover dit noodzakelijk is in verband met de beslissingen en verzoeken die (mede) voortvloeien of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige, zoals in dit geval de beslissing op het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging. Alle partijen zijn het erover eens dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt sinds de minderjarige uit huis is geplaatst. Ook heeft zij zich steeds op positieve wijze ingezet in het traject dat aanvankelijk is ingezet om te komen tot terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder. Ondanks deze positieve ontwikkelingen is er sinds november 2023 geen contact tussen de moeder en de minderjarige omdat de minderjarige zeer sterk ontregeld raakt van dit contact. Het traject bij [hulpverleningsinstantie 1] , gericht op het geven van therapie aan de minderjarige en het bewerkstellingen van contactherstel met de moeder, moest vanwege de zeer extreme ontregeling van de minderjarige eind 2024 zelfs vroegtijdig geheel worden beëindigd. De onderliggende reden voor de zware ontregeling van de minderjarige is tot op heden niet met zekerheid achterhaald. In het kader van het contactherstel met de moeder zal hier nog nader onderzoek naar worden gedaan, zoals in het aangehouden deel van de in eerste aanleg aanhangige procedure is bevolen. Door [hulpverleningsinstantie 1] is geadviseerd om de minderjarige eerst tot rust te laten komen en de tijd te geven om weer terug te komen in zijn ‘kalme brein’. Dit is ook de visie van het expertiseteam, waar de gecertificeerde instelling deze zaak heeft ingebracht. Inmiddels heeft de gecertificeerde instelling een andere hulpverleningsinstantie ( [hulpverleningsinstantie 2] ) gevonden die de therapie voor de minderjarige opnieuw wil oppakken. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting echter naar voren gebracht dat de minderjarige deze maand ook begint op de basisschool en daar moet wennen, zodat het daarom op dit moment te belastend voor hem is om met deze therapie te beginnen. Wanneer dit wel kan is op dit moment nog niet te zeggen. Van belang hiervoor is in ieder geval dat de minderjarige voldoende ‘rust in zijn hoofd’ heeft, gewend is op school en toe kan komen aan zijn eigen ontwikkeling. Het verloop en de mogelijke uitbreiding van het contact met de moeder is steeds afhankelijk van de draagkracht van de minderjarige.
Het hof heeft aldus geconstateerd dat er nog geen zicht op is op welke termijn de therapie kan starten en overweegt dat als dit nieuwe traject leidt tot contactherstel, dit met kleine stapjes zal moeten gaan. Het hof overweegt verder dat de minderjarige inmiddels bijna vier jaar is, uit huis is geplaatst toen hij een maand oud was, na twee maanden bij het huidige pleeggezin is geplaatst, daar goed is gehecht en er op dit moment nog geen zicht is op contactherstel, laat staan op een mogelijke terugplaatsing bij de moeder.
Gelet op dit alles is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken en dat het door de gecertificeerde instelling genomen perspectiefbesluit, dat inhoudt dat de minderjarige niet bij de moeder zal opgroeien, dient te worden onderschreven.
Voor zover de moeder nog naar voren heeft gebracht dat de minderjarige op dit moment, vanwege zijn jonge leeftijd, geen last ervaart van de onduidelijkheid in zijn opvoedperspectief, zodat de gecertificeerde instelling het perspectiefbesluit te vroeg heeft genomen, overweegt het hof dat het desondanks in het belang van de minderjarige is dat er duidelijkheid en zekerheid komt over zijn opvoedsituatie. Ook voor de moeder en de pleegouders dient de onzekerheid over het perspectief van de minderjarige te eindigen. Onzekerheid bij hen kan bovendien ook leiden tot onrust bij de minderjarige.
Het hof begrijpt daarnaast dat het lange wachten voor de moeder enorm moeilijk is en dat zij zo snel mogelijk contactherstel wenst. Het hof begrijpt ook dat de moeder wenst dat de rechtbank een vinger aan de pols kan houden door het uitspreken van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur. Gelet op het voorgaande, en de nog resterende termijn van de verlenging van de uithuisplaatsing, ziet het hof hier echter onvoldoende redenen voor. Bovendien wordt in het aangehouden deel van de in eerste aanleg aanhangige procedure al een vinger aan de pols gehouden wat betreft het contactherstel tussen de moeder en de minderjarige.
Ten overvloede overweegt het hof dat de moeder altijd de moeder van de minderjarige zal blijven en haar rol in het leven van de minderjarige van groot belang blijft. Het valt te prijzen dat de moeder enorm hard aan zichzelf heeft gewerkt en dat zij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ter zitting is duidelijk geworden dat de gecertificeerde instelling zich in blijft zetten om zo spoedig mogelijk contactherstel te realiseren. Het hof gaat ervan uit dat alle betrokkenen zich hiervoor dan ook zullen blijven inspannen.
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof,
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.F. Mollema, H.J.M. Smid-Verhage en B. du Fossé, bijgestaan door mr. M.J. Meeusen als griffier en is op 1 oktober 2025 uitgesproken door mr. A.A.F. Donders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.