GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 25 september 2025
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/1047 tot en met BK-24/1058
in het geding tussen:
(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 31 oktober 2024, nummers SGR 23/331, SGR 23/333, SGR 23/334, SGR 23/335, SGR 23/336, SGR 23/337, SGR 23/338, SGR 23/339, SGR 23/341, SGR 23/342, SGR 23/343 en SGR 23/353.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij op één aanslagbiljet opgenomen beschikkingen op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van – onder meer – de onroerende zaken plaatselijk bekend als [adressen] , alle te [woonplaats] (tezamen: de onroerende zaken), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld (de beschikkingen). Met de beschikkingen zijn op hetzelfde aanslagbiljet bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslagen in de van eigenaren geheven onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing eigenaren van het [Hoogheemraadschap] (de aanslagen).
De Heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de aanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Van de zijde van belanghebbende zijn op 10 januari 2025, 17 februari 2025, 20 mei 2025 en 7 juli 2025 nadere stukken ingekomen. De Heffingsambtenaar heeft op 26 juni 2025 een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 16 juli 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Op 25 december 2024 is een nota griffierecht verzonden aan het adres van gemachtigde van belanghebbende: [postadres] . De nota griffierecht vermeldt onder meer:
“U heeft een beroepschrift ingediend.
In verband daarmee is een griffierecht verschuldigd van € 559,00. Het bedrag moet uiterlijk op 22-01-2025 zijn bijgeschreven op rekening: (…).
Als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, kan uw beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard; dat wil zeggen dat uw beroepschrift niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen.
(…)”
De betalingsherinnering ter zake van de eerder verzonden nota griffierecht is op 24 januari 2025 per aangetekende post verzonden aan het voornoemde adres van de gemachtigde van belanghebbende. De betalingsherinnering vermeldt onder meer:
“Uit onze administratie blijkt dat u nog niet heeft voldaan aan mijn uitnodiging om het griffierecht te betalen. Het nog te betalen bedrag is € 559,00.
Ik deel u nu mee dat u het bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze brief moet hebben overgemaakt op rekening: (…).
Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de genoemde bankrekening, loopt u het risico dat uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaard wordt. Hierna krijgt u geen nieuwe gelegenheid om het griffierecht te betalen.
(…)”
Blijkens door de griffier bij PostNL ingewonnen en aan het dossier toegevoegde informatie is deze betalingsherinnering op 28 januari 2025 om 7:42 uur aangeboden bij het PostNL-punt [PostNL afhaallocatie] en om 9:30 uur afgehaald, waarbij voor ontvangst is getekend.
Uit de administratie van het Hof blijkt dat het verschuldigde griffierecht van € 559 niet is voldaan.
Beoordeling van het hoger beroep
Ontvankelijkheid hoger beroep
Op grond van artikel 8:41, lid 1, in samenhang met de artikelen 8:108 en 8:109 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van een hoger beroep griffierecht geheven. De termijn voor betaling van het griffierecht bedraagt vier weken, welke aanvangt met ingang van de dag na die van verzending van de nota griffierecht. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 8:41, lid 6, Awb). Bij de toepassing van deze bepaling dienen dezelfde maatstaven te worden gehanteerd als voor de toepassing van het op vergelijkbare wijze geformuleerde artikel 6:11 Awb (HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1132, BNB 2025/104).
Bij aangetekende brief van 24 januari 2025 is de betalingsherinnering verzonden. Daarin is gewezen op de betalingstermijn en de mogelijkheid dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven op de in die brief vermelde rekening. Het verschuldigde griffierecht is, naar niet in geschil is, niet voldaan. De aangetekende betalingsherinnering is niet terugontvangen door het Hof.
De gemachtigde stelt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest, omdat hij de betalingsherinnering niet heeft ontvangen.
Het Hof stelt voorop dat als een partij niet reageert op een aan haar gericht en per aangetekende post verzonden stuk, onderzocht moet worden of het stuk door PostNL op regelmatige wijze op het adres van die partij is aangeboden. Als het Hof op grond van de bevindingen van dat onderzoek concludeert dat PostNL het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden. Indien een partij betwist dat het stuk is uitgereikt of een afhaalbericht (op het juiste adres) is achtergelaten, brengt een goede procesorde mee dat het Hof, voor zover dat niet was gebeurd, die partij desgevraagd kennis laat nemen van de ter beschikking staande gegevens van PostNL. Het ligt op de weg van die partij het aan die gegevens ontleende vermoeden als hiervoor bedoeld te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat die partij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat die partij feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan de ontvangst of de aanbieding van het stuk, in weerwil van de ter beschikking staande gegevens van PostNL, redelijkerwijs kan worden betwijfeld (vgl. HR 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:705, BNB 2021/97).”
Bij het aangetekend verzenden van de betalingsherinnering wordt een verzendlabel verstrekt met een “Track & Trace-code”. De griffier heeft bij PostNL, met behulp van de op de verzendlabel vermelde “Track & Trace-code”, informatie ingewonnen en aan het dossier toegevoegd. Deze informatie rechtvaardigt het vermoeden dat het poststuk met betalingsherinnering op 28 januari 2025 op regelmatige wijze op het in 2.1 vermelde adres is aangeboden. Ter zitting heeft het Hof die informatie ter kennis gebracht van de gemachtigde van belanghebbende.
Het ligt op de weg van de gemachtigde van belanghebbende het vermoeden dat de betalingsherinnering op regelmatige wijze op het in 2.1 vermelde adres is aangeboden, te ontzenuwen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan de aanbieding van de betalingsherinnering in redelijkheid kan worden betwijfeld. Het Hof gaat daarom uit van het vermoeden dat de betalingsherinnering op regelmatige wijze op het in 2.1 vermelde adres is aangeboden. In zoverre is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 8:41, lid 6, Awb.
Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende gesteld dat hij de betalingsherinnering niet zelf heeft ontvangen. Hij wijst in dit verband erop dat de handtekening die uit de informatie van PostNL blijkt niet van hem is. Het Hof overweegt hierover als volgt. Indien een belanghebbende of zijn gemachtigde zich beroept op een verschoonbare termijnoverschrijding vanwege het feit dat een per aangetekende post verstuurd stuk waarvan is vast komen te staan dat het op regelmatige wijze op het juiste adres is aangeboden (zie 3.6) hem niet heeft bereikt omdat een ander dat stuk heeft afgehaald, ligt het op zijn weg om dienaangaande feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan aannemelijk geoordeeld kan worden dat het stuk belanghebbende of zijn gemachtigde niet heeft bereikt, of dat dit op zijn minst kan worden betwijfeld. De belastingrechter dient dan vervolgens te beoordelen of die feiten en omstandigheden leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting alleen gesteld dat de handtekening op de verzendgegevens van PostNL niet zijn handtekening is. Deze blote stelling is onvoldoende om twijfel te zaaien omtrent de vraag of de betalingsherinnering de gemachtigde van belanghebbende heeft bereikt. Het Hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de handtekening op de verzendgegevens van PostNL grote gelijkenis vertoont met de handtekening die voorkomt op beide pagina’s van het door de gemachtigde van belanghebbende ingediende hogerberoepschrift.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk.
Proceskosten
4. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is vastgesteld door E.P.A. Brakeboer, R.A. Bosman en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.
De griffier, de voorzitter,
X. Evers E.P.A. Brakeboer
De beslissing is op 25 september 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.