ECLI:NL:GHDHA:2025:2818

ECLI:NL:GHDHA:2025:2818, Gerechtshof Den Haag, 13-06-2025, nummers BK-21/1022 tot en met BK-21/1026

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 13-06-2025
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer nummers BK-21/1022 tot en met BK-21/1026
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

geheimhouding

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Beslissing van 13 juni 2025

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

enkelvoudige geheimhoudingskamer

nummers BK-21/1022 tot en met BK-21/1026

in het geding tussen:

[X] Limited te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: F.P.G. Pötgens)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procesverloop

Belanghebbende heeft voor de jaren 2005, 2006 en 2007 aangiften vennootschapsbelasting ingediend en – voor, onder meer, de jaren 2009 en 2010 – verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting. Aldus heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf van dividendbelasting voor elk van de genoemde jaren.

De Inspecteur heeft de in 1.1 bedoelde verzoeken afgewezen bij beschikkingen van 25 maart 2016.

De Inspecteur is bij in één brief vervatte uitspraken op bezwaar van 27 mei 2020 niet tegemoetgekomen aan de bezwaren tegen de beschikkingen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank). De Rechtbank heeft op 5 augustus 2021 uitspraak gedaan. De beslissing van de Rechtbank luidt:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 1.500;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 1.122;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 354 aan haar vergoedt.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat de zaken heeft verwezen naar het gerechtshof Den Haag (het Hof). Het Hof heeft de zaken aangehouden in afwachting van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat is gewezen op 7 november 2024 (ECLI:EU:C:2024:932). Partijen hebben op verzoek van het Hof op het arrest gereageerd. De Inspecteur heeft op 6 juni 2025 een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan, nadat het Hof de Inspecteur op verzoek van belanghebbende bij bericht van 20 mei 2025 had verzocht bepaalde stukken alsnog te verstrekken. De Inspecteur heeft de stukken bij brief van 6 juni 2025 ingediend.

De geheimhoudingskamer heeft besloten het verzoek zonder zitting te behandelen.

Overwegingen

Op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb kan de Inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, te overleggen (geheimhouding) dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, lid 5, Awb is beperkte kennisneming enkel toegestaan met toestemming van de andere partij. Bij de toepassing van artikel 8:29 Awb dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de Inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die de weigering om stukken te verstrekken rechtvaardigen.

De Inspecteur heeft met een beroep op beperkte kennisneming dan wel, indien belanghebbende het Hof geen toestemming geeft in de hoofdzaken van de stukken kennis te nemen, geheimhouding, drie overeenkomsten met bijlagen overgelegd tussen de Inspecteur en [Bank] , die namens belanghebbende verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting heeft ingediend. De Inspecteur betwist om te beginnen dat de overeenkomsten op de zaken betrekking hebbende stukken zijn, aangezien de oudste overeenkomst in 2013 is gesloten en de zaken betrekking hebben op de jaren 2005 tot en met 2007, 2009 en 2010. De Inspecteur stelt zich voorts op het standpunt dat de overeenkomsten gegevens van derden bevatten en dat kennisname door belanghebbende de privacy van deze derden kan schenden. De Inspecteur wijst erop dat de overeenkomsten zijn gebaseerd op modelovereenkomsten die openbaar zijn.

Belanghebbende bestrijdt het standpunt van de Inspecteur. De door belanghebbende verzochte stukken kunnen van belang zijn voor de vraag of de Inspecteur het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat belanghebbende als opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde van de door belanghebbende ontvangen dividenden moet worden beschouwd. Deze stukken hebben daarmee op de zaken van belanghebbende betrekking en dienen te worden overgelegd. Gezien de relevantie van deze stukken is het van belang dat zij tijdens de zitting van 26 juni 2025 kunnen worden besproken.

Het Hof stelt voorop dat binnen het bestek van het verzoek van de Inspecteur uitsluitend een beslissing kan worden genomen over de vraag of het verzoek gerechtvaardigd is, al dan niet deels. Of de stukken op de zaken betrekking hebben, is een beslissing die is voorbehouden aan de zetel die de hoofdzaken zal behandelen.

Overeenkomsten die de Belastingdienst met derden sluit, horen niet thuis in het dossier van een belastingplichtige. Een derde mag erop vertrouwen dat de inspecteur de inhoud van dergelijke overeenkomsten niet met anderen deelt en omgekeerd mag de inspecteur erop vertrouwen dat de derde de overeenkomsten evenmin aan anderen bekendmaakt.

Het Hof heeft de in openbare bronnen (Stcrt. 2018, 17300, en Stcrt. 2023, 26401) gevonden modelovereenkomsten vergeleken met de stukken die de Inspecteur met een beroep op artikel 8:29 Awb heeft ingebracht. Dit betreft de bijlagen B en C bij de brief van de Inspecteur. De bijlagen B en C zijn gesteld in de Engelse taal, maar komen verder letterlijk overeen met de openbare modelovereenkomsten. De enige specifieke gegevens die deze overeenkomsten persoonlijk maken, zijn de data en de namen en handtekeningen van ambtenaren en medewerkers van [Bank] . Deze gegevens mag de Inspecteur onleesbaar maken of afdekken. Het Hof ziet, gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt over de inhoud, niet in welk belang de Inspecteur heeft met het geheimhouden van de rest van deze overeenkomsten. Deze dient de Inspecteur dan ook alsnog in het geding te brengen.

De overeenkomst in bijlage A, opgesteld in de Engelse taal, is niet één op één terug te vinden in een openbare bron. Deze overeenkomst is gebaseerd op het besluit van 25 januari 2012, nr. DGB 2012/20M (Stcrt. 2012, 2568). De inhoud van de overeenkomst is, gelijk die van de overeenkomsten in de bijlagen B en C, voornamelijk administratief en technisch van aard. Het is onwaarschijnlijk dat belanghebbende, gelet op hetgeen zij heeft aangevoerd, enig belang heeft bij kennisneming van deze overeenkomst of de daarbij horende bijlagen. Weging van de wederzijdse belangen leidt tot de conclusie dat de Inspecteur bijlage A en de twee daarbij horende bijlagen niet aan belanghebbende hoeft te verstrekken.

De Inspecteur heeft aangegeven niet akkoord te zullen gaan met bekendmaking van de overeenkomsten aan belanghebbende en in dat geval een beroep te doen op geheimhouding van deze stukken. Dit betekent dat de zetel die de hoofdzaken zal behandelen, hieruit de gevolgtrekkingen zal maken die hem geraden voorkomen (artikel 8:31 Awb). Het Hof zal de Inspecteur toch in de gelegenheid stellen om binnen één week aan te geven welke gevolgen hij aan deze beslissing verbindt. Belanghebbende krijgt ook één week de tijd om mee te delen of de zetel die de hoofdzaken zal behandelen mag kennisnemen van de stukken en gegevens waarvoor het verzoek om beperkte kennisneming wordt toegewezen. Indien belanghebbende deze toestemming geeft, kan de zetel het beroep op het vertrouwensbeginsel aan de hand van deze stukken beoordelen.

Beslissing

Het Gerechtshof:

Deze beslissing is gedaan door A. van Dongen, lid van de geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd A. van Dongen

De beslissing is op 13 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.

Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, lid 5, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026011406 FutD 2026-0102
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?