GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer hof : 200.350.440/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11142397 \ CV EXPL 24-2555
Arrest van 4 november 2025
in de zaak van
[de man] ,
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. S. Meeuwsen, kantoorhoudend in Gorinchem,
tegen
[de vrouw] ,
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.G. de Jong, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.
1. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 9 januari 2025, waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2024 (hierna: het bestreden vonnis);
de memorie van grieven van de man, met bijlagen;
de memorie van antwoord van de vrouw, met bijlagen.
Beide partijen hebben arrest gevraagd, en hun procesdossier overgelegd (inclusief de stukken uit eerste aanleg). Het hof zal op basis hiervan arrest wijzen.
2. Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van twee kinderen.
De vrouw heeft op 28 januari 2024 een bedrag van € 7.000,- overgeboekt naar de bankrekening van de man. Op dat moment wilden partijen verder met hun relatie, die na een verbreking kort daarvoor was hersteld.
Enige tijd later is er een woning geleverd aan de man (hierna: de woning). Voormeld bedrag van € 7.000,- is aangewend voor de woning. Zonder dit bedrag was de man niet in staat de financiering van de woning rond te krijgen.
Kort daarna is de relatie van partijen weer beëindigd en is de man daar alleen gaan wonen.
3. Procedure bij de rechtbank
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis, voor zover van belang, de man veroordeeld om € 7.000,- te betalen aan de vrouw met de wettelijke rente daarover vanaf 25 april 2024 tot het hele bedrag zal zijn betaald. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
4. Vordering in hoger beroep
De man vordert het hof het bestreden vonnis te vernietigen en de vordering van de vrouw alsnog af te wijzen met veroordeling van haar in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
De vrouw verweert zich en vordert het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden, en de man te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.
5. Beoordeling in hoger beroep
Schending van de waarheidsplicht (grief I)
In eerste aanleg heeft de vrouw primair gesteld dat er tussen haar en de man een geldleningsovereenkomst is gesloten ter zake van het door haar aan de man verstrekte bedrag van € 7.000,-. Zij stelt dat zij deze samen met de man op haar computer heeft gemaakt en digitaal ondertekend. [de man] betwist dit en voert aan, dat zijn handtekening onder deze tekst is vervalst. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een lening van de vrouw aan de man. De kantonrechter heeft hieraan ten grondslag gelegd dat, nu het door de vrouw overgelegde document geen handtekening bevat die door de man zelf is gezet, nergens de instemming van de man uit blijkt en dus aan de overgelegde uitdraai van de geldleningsovereenkomst geen bewijskracht kan worden toegekend. Ook de verklaring van de broer van de vrouw is daartoe onvoldoende, aldus de kantonrechter.
Tegen dit oordeel is het hoger beroep niet gericht. De man stelt in hoger beroep echter wel dat de kantonrechter de inleidende vordering – die op een andere grond is toegewezen – had moeten afwijzen omdat de vrouw wat betreft het bovenstaande de waarheidsplicht van artikel 21 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden. De man stelt dat de vrouw in de door haar overgelegde geldleningsovereenkomst zijn (digitale) handtekening heeft vervalst. Hieraan had de kantonrechter een passend gevolg moeten geven, namelijk afwijzing van de inleidende vordering.
Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De rechter bepaalt zelf of hij aan een dergelijke schending gevolgen verbindt en zo ja, welke dit zijn.
Het hof stelt voorop dat het feit, dat de kantonrechter geen bewijskracht toekent aan de overgelegde uitdraai van de leningsovereenkomst, niet automatisch met zich brengt dat in rechte vast is komen te staan dat de overgelegde uitdraai is vervalst. Het hof kan – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw – niet vaststellen dat de in het geding gebrachte leningsovereenkomst valselijk is opgemaakt en de handtekening buiten medeweten van de man onder het door de vrouw overgelegde document is geplaatst. Dit betekent dat grief I om die reden al niet kan slagen.
Wisselende standpunten, feitelijke grondslag, onverschuldigde betaling (grieven II en III)
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de man veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 7.000,-. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat de man wisselende standpunten inneemt over de reden waarom de vrouw hem het geld heeft gegeven, en dat dan ook onvoldoende blijkt dat de vrouw de man het geld heeft geschonken. Zelfs als het een schenking zou zijn, had de man moeten begrijpen dat deze is gedaan onder de voorwaarde dat de relatie bestendig zou zijn geworden, hetgeen niet het geval is, aldus de kantonrechter.
De man is het met deze overwegingen niet eens. Hij betwist wisselende standpunten te hebben ingenomen (grief II) en stelt dat de kantonrechter ten onrechte de feitelijke gronden heeft aangevuld door te overwegen dat de man had moeten begrijpen dat de betaling is gedaan toen het erop leek dat partijen (toch) samen verder zouden gaan (grief III). Volgens hem is dit niet door de vrouw aan haar vordering ten grondslag gelegd.
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter niet de feitelijke gronden heeft aangevuld, aangezien uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat tijdens de zitting met partijen is besproken dat de betaling van het bedrag van € 7.000,- heeft plaatsgevonden met het oog op het samen verder gaan van partijen. De vrouw heeft klaarblijkelijk naar voren willen brengen dat, nu dit niet is gebeurd, (ook) hierin een reden is gelegen dat de man het geld moet terugbetalen. De vrouw doet daarbij (subsidiair) een beroep op onverschuldigde betaling als grondslag voor haar vordering. Een schenking onder een voorwaarde kan, afhankelijk van de vervulling van die voorwaarde, leiden tot een onverschuldigde betaling, waardoor er alsnog moet worden terugbetaald. Grief III van de man faalt daarom. Grief II van de man slaagt wel, aangezien de kantonrechter aan zijn oordeel tot terugbetaling door de man mede ten grondslag heeft gelegd dat de man wisselende standpunten heeft ingenomen in de procedure. Dit laatste blijkt echter niet uit de overgelegde stukken. Dit brengt mee dat het hof de zaak inhoudelijk zal beoordelen.
Voor toewijzing van een vordering uit onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW is vereist dat er zonder rechtsgrond een betaling heeft plaatsgevonden. De vrouw moet als eisende partij feiten en omstandigheden stellen, en zo nodig bewijzen, waaruit blijkt dat er een rechtsgrond ontbreekt. Dit is niet veranderd door de stelling van de man, in het kader van zijn betwisting, dat sprake is van een schenking. Niet ter discussie staat dat de man de woning niet kon kopen zonder het bedrag van € 7.000, - te krijgen en dat hij dit bedrag heeft gestoken in de aanschaf van de woning. De vrouw heeft de man het bedrag bewust gegeven voor de aankoop van de woning, terwijl duidelijk was dat de man dit niet zomaar zou kunnen terugbetalen, en zonder dat het hof kan vaststellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een eventuele terugbetaling daarvan of dat de verstrekking van het bedrag onder voorwaarden zou zijn gedaan. Naar het oordeel van het hof kan uit hetgeen door de vrouw is aangevoerd niet de conclusie worden getrokken dat de man had moeten begrijpen dat hij bij beëindiging van de relatie het geldbedrag zou moeten terugbetalen. Dat sprake was van een voorwaardelijke schenking, kan dan ook niet worden vastgesteld.
Nu er verder ook geen bewijsaanbod is gedaan in hoger beroep, is de vrouw niet in haar onderbouwing geslaagd. Dit betekent dat de grief van de man doel treft, zodat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de inleidende vordering van de vrouw alsnog zal afwijzen.
Proceskosten (grief IV)
Partijen zijn ex-partners, om die reden zal het hof de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep compenseren. De vordering van de man om de vrouw te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep (grief IV) en de vordering van de vrouw om de man in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen, zal het hof dan ook afwijzen. Het hof zal het bestreden vonnis ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg bekrachtigen.
6. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin de man is veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 7.000,- en de wettelijke rente;
wijst af de inleidende vordering van de vrouw, strekkende tot veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 7.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2024;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover daarin de proceskosten in eerste aanleg zijn gecompenseerd;
compenseert ook de proceskosten in hoger beroep;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. I. Reijngoud, mr. A.F. Mollema en mr. H.A. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.