ECLI:NL:GHDHA:2025:2863

ECLI:NL:GHDHA:2025:2863

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 24-12-2025
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer 200.350.270/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verdeling vennootschappelijk vermogen is naar het oordeel van het hof geen nevenvoorziening in de zin van artikel 827 Rv.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.350.270/01

zaaknummer rechtbank : C/09/651706 en C/09/655910

rekestnummer rechtbank : FA RK 23-5585 en FA RK 23-7765

beschikking van de meervoudige kamer van 24 december 2025

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. N. Çiçek te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Erik te Den Haag.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummers (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

De vrouw is op 22 januari 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De man heeft op 1 april 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

De vrouw heeft op 23 mei 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 24 januari 2025 met bijlage, ingekomen op 13 februari 2025;

een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 1 april 2025 met bijlage, ingekomen op 2 april 2025;

een journaalbericht van de zijde van de man van 10 september 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een tolk in de taal Turks, [tolk] ;

de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3. De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2013 te [plaats] gehuwd.

4. De omvang van het geschil

Deze zaak betreft de echtscheiding van partijen met nevenvoorzieningen. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De bestreden beschikking is op 11 november 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij de bestreden beschikking is daarnaast, voor zover in hoger beroep van belang:

uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man aan de vrouw in het kader van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap € 196,42 moet betalen;

het meer of anders verzochte afgewezen.

De vrouw verzoekt het hof in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en opnieuw rechtdoende:

te bepalen dat de garagebox staande en gelegen aan [adres]

(hierna te noemen: de garagebox) verkocht en geleverd dient te worden aan (een) derde(n), waartoe de man in ieder geval:

a. dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst;

b. dient mee te werken aan de levering van de garagebox;

c. 50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering van de garagebox;

de bij verkoop gerealiseerde overwaarde (verkoopopbrengst minus verkoopkosten en eventuele hypothecaire geldlening) ieder van partijen bij helfte zal toekomen;

2. te bepalen dat de man aan de vrouw in het kader van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap een bedrag van € 50.193,42 moet betalen.

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

In principaal hoger beroep:

I. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroepschrift, althans haar verzoeken af te wijzen;

In incidenteel hoger beroep:

II. primair:

a. te bepalen dat de onderneming een verwerving is van partijen en te bepalen dat de onderneming een negatieve waarde heeft en dat de vrouw draagplichtig is voor de schulden van de onderneming, althans dat de vrouw aan de man dient te voldoen € 2.778,-;

b. te bepalen dat de garagebox dient te worden verkocht aan een derde waarmee de schulden van de onderneming kunnen worden afgelost en partijen bij helfte delen in de resterende negatieve waarde van de onderneming;

III. subsidiair:

te bepalen dat de onderneming een verwerving is van de man en te bepalen dat gelet op de negatieve waarde van de onderneming de vrouw geen vordering heeft op de man uit hoofde van de verrekening van de verwerving;

IV. de garagebox aan de man toe te delen althans te bepalen dat de man gerechtigd is tot overname althans verkoop van de garagebox en te bepalen dat de vrouw hieraan haar medewerking dient te verlenen;

V. althans een verdeling zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

VI. de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de overige verzoeken te bekrachtigen.

Kosten rechtens.

De vrouw verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel hoger beroep van de man integraal af te wijzen.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep, voor zover mogelijk, gezamenlijk beoordelen.

5. De motivering van de beslissing

Afwikkeling huwelijksvermogensregime

Rechtsmacht, toepasselijk recht en peildatum

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter op dit punt rechtsmacht heeft. Dit was en is als zodanig ook niet tussen partijen in geschil.

Geen grief is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat op (de afwikkeling van) het huwelijksvermogensregime van partijen van [huwelijksdatum] 2013 tot [huwelijksdatum] 2023 het Turkse recht van toepassing is en met ingang van [huwelijksdatum] 2023 het Nederlands recht. Het hof gaat daar eveneens van uit.

Evenmin hebben partijen een grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat de peildatum voor de vaststelling van de omvang van de ontbonden gemeenschap 2 augustus 2023 is, zijnde de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, en dat omdat die peildatum in de periode ligt waarbinnen het Turkse recht van toepassing is op (de afwikkeling van) het huwelijksvermogensregime van partijen de rechtbank op dit punt uitsluitend het Turkse recht toepast. Het hof gaat daar daarom eveneens van uit en zal dat eveneens doen.

Inleiding

In het kader (van de afwikkeling) van het huwelijksvermogensregime van partijen staat uitsluitend nog tussen hen ter discussie de verdeling van het vennootschappelijk vermogen van de onderneming [de onderneming] (hierna te noemen: [de onderneming] ), althans de vaststelling van het aandeel van de vrouw daarin, of en in hoeverre de garagebox onderdeel vormt (van het vermogen) van [de onderneming] en of en in hoeverre de schulden bij [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] schulden van [de onderneming] betreffen, althans of en in hoeverre de vrouw daarvoor hoofdelijk aansprakelijk dan wel draagplichtig is, en of en op welke wijze die garagebox en schulden anders in de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen moeten worden betrokken.

Standpunten

De vrouw voert – kort weergegeven – het volgende aan. Op 28 juni 2016 heeft de man [de onderneming] , destijds [de onderneming] , in de vorm van een eenmanszaak opgericht. Omwille van fiscale voordelen is de eenmanszaak op 1 januari 2018 omgezet in een vennootschap onder firma, waarvan beide partijen medevennoot waren. De vrouw is op 1 april 2023 als vennoot van [de onderneming] uitgetreden. Met terugwerkende kracht is per 1 januari 2023 als medevennoot toegetreden de schoonzus van de man. Dit neemt volgens de vrouw niet weg dat de waarde van [de onderneming] vanwege de echtscheiding van partijen bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Voor de vaststelling van die waarde zal volgens haar moeten worden uitgegaan van de jaarrekening 2021 van [de onderneming] , nu de man van de financiële situatie van die onderneming in de periode nadien nimmer objectieve financiële stukken heeft overgelegd en de cijfers die uit de wel door hem overgelegde stukken volgen afwijken van wat gebruikelijk was in de periode voor een echtscheiding tussen partijen aan de orde was (2022). Zij schat de waarde van [de onderneming] aan de hand daarvan en rekening houdend met een groei van de onderneming na 2021 op € 100.386,84. De vrouw stelt dat bij de vaststelling van de waarde van [de onderneming] geen rekening moet worden gehouden met de schulden bij [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . Niet alleen heeft de vrouw zelf niet meegetekend voor het aangaan van een kredietovereenkomst bij [bedrijf 1] en meent zij dus niet hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor die schuld, maar ook omdat zij het bestaan van de schulden bij [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] betwist. Daarnaast stelt de vrouw dat van het vermogen, en dus de waarde, van [de onderneming] geen onderdeel uitmaakt (de waarde van) de garagebox. De garagebox behoort namelijk tot het privévermogen van partijen, een ieder voor de helft, en betreft daarmee een afzonderlijke verwerving van partijen. Het eigendom van de garagebox blijkt ook uit het uittreksel uit het Kadaster. De vrouw wijst er in dat verband op dat de garagebox is gekocht met € 65.000,- van de privébankrekening van partijen, welk bedrag onder meer bestaat uit de verkoopopbrengst van de gouden sieraden van de vrouw van € 20.000,-. Dat voornoemd uittreksel uit het Kadaster ook vermeldt als ‘Betrokken samenwerkingsverband’ [de onderneming] , doet aan het voorgaande niets af. Datzelfde geldt volgens de vrouw voor het gegeven dat de man de garagebox na de aankoop daarvan door partijen in privé vanuit fiscaal oogpunt op de balans van [de onderneming] heeft opgenomen. Dit is namelijk zonder overleg met en toestemming van de vrouw gebeurd. In de visie van de vrouw kan voor wat betreft de garagebox dan ook wel degelijk afzonderlijk van de verdeling van de voornoemde waarde van [de onderneming] worden bepaald dat de garagebox moet worden verkocht aan een derde en de verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.

De man stelt dat [de onderneming] een verwerving van partijen dan wel hem alleen is en als zodanig in de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen moet worden betrokken. Volgens de man betekent dit dat de waarde van [de onderneming] moet worden vastgesteld en een positieve waarde tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld en een negatieve waarde door partijen een ieder voor de helft moet worden gedragen, althans de vrouw in dat laatste geval niets uit de afwikkeling toekomt. De man meent dat sprake is van een negatieve waarde van [de onderneming] van € 5.556,-. Bij de vaststelling van de waarde van [de onderneming] moet zijns inziens worden uitgegaan van de jaarrekening 2021, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de schulden bij [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . Voor de schuld bij [bedrijf 1] heeft de vrouw volgens hem wel degelijk zelf getekend en de andere schulden zijn ontstaan doordat partijen door uitgaven aan vakanties en renovatie van de echtelijke woning geen financiële middelen meer over hadden om de zakelijke lasten te voldoen. Anders dan de vrouw stelt, bestaat volgens hem dus geen aanleiding die schulden buiten beschouwing te laten en alleen voor zijn rekening te laten komen. De man wijst erop dat de (waarde van de) garagebox reeds onderdeel uitmaakt van de waarde van [de onderneming] Die garagebox behoort immers tot het vermogen van [de onderneming] en niet tot het privévermogen van partijen, een ieder voor de helft. De garagebox is volgens hem ook door partijen in de hoedanigheid van vennoten van [de onderneming] gekocht. Dit blijkt ook uit de koopovereenkomst en de akte van levering van de garagebox. De (waarde van de) garagebox zal zijns inziens dus niet afzonderlijk moeten worden verdeeld. Wel zal nog moeten worden bepaald dat de garagebox als onderdeel van de onderneming aan de man wordt toegedeeld, zonder verrekening, en dat de man gerechtigd is de garagebox over te nemen of verkopen. Zonder de medewerking van de vrouw is de man daartoe namelijk niet in staat.

Oordeel hof

[de onderneming] betreft een vennootschap onder firma naar Nederlands recht. Een dergelijke vennootschap onder firma is een bijzondere gemeenschap en heeft een afgescheiden vermogen, een vermogen dat dus losstaat van het privévermogen van de vennoten van die vennootschap onder firma. Het afgescheiden vermogen omvat alle ingebrachte goederen en schulden van de vennootschap onder firma. De garagebox behoort tot dit vennootschappelijk vermogen. Het hof verwijst naar de koopovereenkomst van 13 augustus 2019 en de akte van verdeling van 30 april 2020 die betrekking hebben op die garagebox, waaruit blijkt dat de garagebox door partijen in hun hoedanigheid van (mede)vennoot van [de onderneming] is gekocht en als zodanig ook aan hen is geleverd. Tevens staat de garagebox in de jaarrekening van [de onderneming] opgenomen op de balans.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat in het kader van de echtscheiding van partijen de waarde van het vennootschappelijk vermogen van [de onderneming] moet worden verdeeld, althans dat de vrouw de helft van het vennootschappelijk vermogen van [de onderneming] toekomt. Wat de waarde is van het vennootschappelijk vermogen, is tussen hen in geschil. Het hof is echter van oordeel dat de verzoeken van partijen die hierop betrekking hebben geen nevenvoorziening zijn als bedoeld in artikel 827 lid 1 Rv. Die verzoeken kunnen naar het oordeel van het hof namelijk niet worden gekwalificeerd als een nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 lid 1 sub b Rv (“b. voorzieningen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening van inkomsten of van vermogen;”) en voldoen in dit geval evenmin aan het in artikel 827 lid 1 sub g Rv vermelde criterium (“g. een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met f, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.”). Het hof overweegt daartoe dat inmiddels is gebleken dat, naast de uittreding van de vrouw als medevennoot van [de onderneming] per 1 april 2023 en de toetreding van de schoonzus van de man als medevennoot van [de onderneming] per 1 januari 2023, [de onderneming] per 2 augustus 2023 is ontbonden en opgehouden te bestaan. Die uittreding, toetreding en ontbinding alsmede de fiscale en financiële consequenties daarvan liggen niet aan het hof voor en zijn ook niet in de processtukken naar voren gebracht. Het hof acht de verzoeken van partijen strekkende tot de vaststelling van de hoogte en de verdeling van het vennootschappelijk vermogen van [de onderneming] , althans de vaststelling van het aandeel van de vrouw in dat vennootschappelijk vermogen, daarmee onvoldoende onderbouwd en dermate complex en dus niet van eenvoudige aard, dat de behandeling van die verzoeken de procedure aanzienlijk zullen vertragen. Het hof is dan ook van oordeel dat de onderhavige echtscheidingsprocedure zich er niet toe leent om die verzoeken te behandelen. Daarbij komt dat het hof, evenals de rechtbank, over onvoldoende stukken en/of gegevens beschikt om de hoogte van het vennootschappelijk vermogen van [de onderneming] en de aandelen van de man, althans partijen, daarin te kunnen vaststellen. Partijen hebben nagelaten alle voor die vaststelling relevante (financiële) stukken te overleggen, waaronder de vof-overeenkomst, de uittredingsovereenkomst, de ontbindingsovereenkomst en alle (financiële) stukken die daarop betrekking hebben.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal bekrachtigen en de verzoeken van partijen zal afwijzen.

Proceskosten

Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, L. Koper en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. M.N.C. Zuiderwijk als griffier, en is op 24 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?