ECLI:NL:GHDHA:2025:2866

ECLI:NL:GHDHA:2025:2866

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 18-11-2025
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer BK-25/54
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Naheffingsaanslag bpm. Vertrouwensbeginsel. Expliciete standpuntbepaling. Vernietiging naheffingsaanslag. Toekenning vergoeding van immateriële schade.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 18 november 2025

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/54

in het geding tussen:

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2024, nummer SGR 23/8379.

Procesverloop

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 428 (de naheffingsaanslag).

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.276 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Volkswagen Golf 1.5 TSI Life (de auto). De datum van eerste toelating is 22 april 2021.

In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [A B.V.] (het taxatierapport). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 31.262 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 17.775. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 6.510 in mindering gebracht wegens schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 11.265. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 3.542 (CO2-uitstoot van 123 gr/km).

De RDW heeft de auto op 5 januari 2022 gekeurd. Daarbij heeft de RDW de CO2-uitstoot van de auto vastgesteld op 132 gr/km (WLTP).

De Inspecteur heeft een bedrag van € 428 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van 132 gr/km (WLTP). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 4.730.

In het verweerschrift in eerste aanleg met dagtekening 26 april 2024 heeft de Inspecteur onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Er is inmiddels een wijzing van de CO2-uitstoot geweest in het kentekenregister. Door deze wijziging dient de naheffingsaanslag vernietigd te worden. De wijziging is doorgevoerd in OVI (RDW-applicatie) op 29 februari 2024.

Is belanghebbendes aangifte juist?

Het primaire standpunt is gegrond de naheffingsaanslag wordt vernietigd, ik kom daarom niet meer toe aan de beantwoording van deze subsidiaire grief.

Is de historische nieuwprijs juist?

Het primaire standpunt is gegrond de naheffingsaanslag wordt vernietigd, ik kom daarom niet meer toe aan de beantwoording van deze subsidiaire grief.

5. Conclusie

Het beroep is gegrond.

(…)”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“Beoordeling van het geschil

7. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de vermindering die voortvloeit uit de verlaging van de CO2-uitstoot in beginsel ertoe zou leiden dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.

8. Verweerder doet in verband met voornoemde vernietiging een beroep op interne compensatie. Daartoe stelt verweerder – kort gezegd – dat het taxatierapport dat ten grondslag ligt aan de aangifte van eiseres van bewijs dient te worden uitgesloten vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport kleven, en dat, nu er evenmin een adequate koerslijst beschikbaar is, had moeten worden nageheven op basis van een afschrijving bepaald met toepassing van de forfaitaire tabel. Alsdan is de naheffingsaanslag ondanks dat de historische nieuwprijs dient te worden verhoogd, niet te hoog en is het beroep daarom ongegrond, aldus verweerder. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

9. Eiseres heeft bij het doen van aangifte het standpunt ingenomen dat de handelsinkoopwaarde die wordt gebruikt ter bepaling van de afschrijving moet worden verminderd vanwege – niet in de gehanteerde koerslijst (in casu XRAY-rental) verwerkte – beschadigingen aan de auto. Verweerder betwist nu in zijn nader stuk alsnog dat de schade aan het voertuig tot het in het taxatierapport van eiseres opgenomen schadebedrag kan worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade. Eiseres draagt alsdan de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen aan het voertuig een waardedaling ten opzichte van de uit de gehanteerde koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben.[1]

10. Eiseres heeft verwezen naar het taxatierapport dat in haar opdracht bij gelegenheid van de aangifte is opgemaakt. Daarin is de schade naar haar mening duidelijk beschreven. Verweerder betoogt in beroep dat het rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiseres kleven. Verweerder wijst daarbij op het volgende:

- De handelsinkoopwaarde dient naar waarheid en aan de hand van een gedegen fysieke opname te worden vastgesteld; dat daarvan sprake is, is niet controleerbaar en ook niet waarschijnlijk, mede gegeven het korte tijdsbestek (15 minuten) dat met de opname is gemoeid geweest en waarin kennelijk onder andere het volgende is beoordeeld en de volgende werkzaamheden zijn verricht:

▪ wielophanging : redelijk

▪ velgen en banden : redelijk

▪ stuurinrichting : redelijk

▪ remmen : redelijk

▪ motor : goed werkende staat

▪ versnellingsbak en aandrijving : redelijk

▪ elektrische installatie : redelijk

▪ carrosserie : beschadigde staat

▪ interieur : redelijke staat

▪ algehele staat : bovenmatige schade

11. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, vanwege al de hiervoor genoemde punten, in onderlinge samenhang bezien en meer in het bijzonder ook de punten over de voor de opname gebruikte tijd, het niet duidelijk gemaakt zijn van hoe is omgegaan met gebruikersschade, het in aanmerking nemen van een vermindering wegens een schadeverleden zonder enige toelichting of onderbouwing en het zonder enige toelichting of onderbouwing uitgaan van een koerslijst voor een ex-rental voertuig, aan het taxatierapport van eiseres geen bewijskracht toekomt en dat op basis daarvan dan ook geen schade kan worden vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres geen afdoende verklaring heeft gegeven met betrekking tot de hiervoor genoemde punten die twijfels doen rijzen over de deugdelijkheid en betrouwbaarheid van het taxatierapport. Ook acht de rechtbank van belang de door verweerder geschetste discrepantie tussen enerzijds het aankoopbedrag van € 17.326 (inclusief Bpm) danwel (inclusief ook schade) € 22.894) en de in het taxatierapport vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 11.265; ook dat draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat het taxatierapport niet betrouwbaar en onbruikbaar is.

12. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres, tegenover de betwisting van verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde van de aangifte schade (niet zijnde normale gebruiksschade) op de auto bevond. Behoudens (de constateringen in) het taxatierapport, heeft zij dienaangaande niets, althans in ieder geval niet voldoende gesteld en/of overgelegd om enige schade op dat moment aannemelijk te maken. Op de foto’s van het voertuig in het dossier is ook geen (noemenswaardige) schade te zien, in ieder geval geen schade waarvoor de kwalificatie ‘normale gebruiksschade’ niet passend zou zijn. Voor zover eiseres in dit verband een beroep doet op beleid binnen de autobranche en stelt dat DRZ dit beleid niet heeft gevolgd en dat verweerder daarom de schade onvoldoende heeft betwist, volgt de rechtbank eiseres daarin niet, reeds omdat DRZ en verweerder aan een binnen de autobranche bestaand beleid niet gebonden zijn.

Dat verweerder de (taxatie van eiseres van de) auto niet heeft laten controleren door DRZ, maakt het vorenstaande niet anders. Dit neemt immers niet weg dat de bewijslast van gestelde schade op eiseres rust; zij moet aannemelijk maken dat de gestelde schade aanwezig is en terecht in aanmerking is genomen. Ook heeft eiseres geen enkel bewijs aangedragen van de door haar gebezigde aannames dat sprake is van een schadeverleden dat een waardevermindering rechtvaardigt en dat sprake is van een verleden als ex-rental dat een waardevermindering rechtvaardigt. Eiseres is aldus voor geen enkel punt op basis waarvan zij een waardevermindering heeft geclaimd in de op haar rustende bewijslast geslaagd.

13. Verweerder bepleit vervolgens terecht dat het gebruik van de taxatiemethode na verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is.[2] Immers, er is met het verwerpen van het taxatierapport van eiseres geen taxatierapport van de auto meer voorhanden. Alsdan kan de taxatiemethode ook niet (meer) worden toegepast en moet, naar verweerder ook stelt, in beginsel worden teruggevallen op de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingstabel.

14. Voor toepassing van de koerslijstmethode is, naar verweerder terecht stelt, vereist dat er een adequate (complete) uitdraai van een juiste koerslijst tot de gedingstukken behoort. Daarvan is hier geen sprake. Immers, er is enkel een koerslijst voorhanden van een ex-rental voertuig, terwijl door eiseres, op wie ook in dit verband de bewijslast rust, niet eens een begin van bewijs geleverd dat de auto een dergelijk ex-rental voertuig – dat wil zeggen een voertuig met een dusdanig huurverleden dat dit tot een blijvende waardevermindering leidt – is. Nu een juiste koerslijst (van een niet ex-rental voertuig) ontbreekt, kan ook de koerslijstmethode niet worden toegepast.

15. Het vorenstaande betekent dat verweerder terecht concludeert dat in dit geval de verschuldigde Bpm dient te worden berekend aan de hand van de forfaitaire tabel. Eiseres heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel, ook bij de aanpassing van de CO2-uitstoot als hiervoor benoemd, leidt tot een hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is. De rechtbank honoreert het beroep van verweerder op interne compensatie. De verlaging van de CO2-uitstoot, resulteert daarom niet in een verlaging of vernietiging van de naheffingsaanslag.

16. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat, gelet op de uitlatingen van verweerder in het verweerschrift over dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, de door verweerder in het nader stuk en ter zitting voorgestane interne compensatie in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwerpt dit beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel en overweegt daartoe het volgende.

17. In het verweerschrift heeft verweerder in dit verband – voor zover van belang – het volgende geconcludeerd en vermeld:

“4.1 Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Er is inmiddels een wijzing van de CO2-uitstoot geweest in het kentekenregister. Door deze wijziging dient de naheffingsaanslag vernietigd te worden. De wijziging is doorgevoerd in OVI (RDW-applicatie) op 29 februari 2024.

Is belanghebbendes aangifte juist?

Het primaire standpunt is gegrond de naheffingsaanslag wordt vernietigd, ik kom daarom niet meer toe aan de beantwoording van deze subsidiaire grief.

Is de historische nieuwprijs juist?

Het primaire standpunt is gegrond de naheffingsaanslag wordt vernietigd, ik kom daarom niet meer toe aan de beantwoording van deze subsidiaire grief.”

De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee een duidelijk standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het geschilpunt over de CO2-uitstoot. Daaraan is de bewuste conclusie ‘vernietiging van de naheffingsaanslag’ verbonden. Bij de overige geschilpunten – waaronder begrepen de juistheid van eiseres haar aangifte en daarmee dus ook de (omvang van de) in aanmerking te nemen schade – heeft verweerder aangegeven dat hij aan de beantwoording daarvan niet toekomt vanwege de conclusie met betrekking tot het primaire geschilpunt, zijnde de CO2-uitstoot. De (tegemoetkomende) standpuntinname van verweerder in het verweerschrift is dus specifiek beperkt tot het bewuste geschilpunt over de CO2-uitstoot. Het strekt naar het oordeel van de rechtbank dan te ver om daarin ook een toezegging/standpuntbepaling te mogen/kunnen lezen met betrekking tot andere elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, zoals bijvoorbeeld de in aanmerking te nemen schade. Met de uitlatingen in het verweerschrift is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgeven van (een) standpunt(en) door verweerder met betrekking tot de overige elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, waardoor verweerder zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie zou hebben prijsgegeven. Eiseres heeft de uitlating in het verweerschrift redelijkerwijs ook niet zo kunnen of mogen opvatten. De mededeling ‘door deze wijziging dient de naheffingsaanslag vernietigd te worden’, maakt ook niet dat de standpuntinname van verweerder breder kan worden getrokken, juist omdat deze conclusie zo specifiek is gekoppeld aan het bewuste standpunt over de CO2-uitstoot. Onder deze omstandigheden staat het verweerder vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten in te nemen. Die grenzen heeft verweerder met zijn beroep op interne compensatie naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden. Gelet op dit alles faalt het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel.

18. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het ter zitting gedane verzoek van de gemachtigde van eiseres om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.

(…)

[1] Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.

[2] Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31, alsook HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en HR ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en op een te hoog bedrag is vastgesteld, meer specifiek of de Inspecteur een beroep op interne compensatie toekomt en of de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Tot slot concludeert belanghebbende tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten en in de vergoeding van immateriële schade.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Vertrouwensbeginsel

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte het beroep op interne compensatie van de Inspecteur heeft gehonoreerd. Volgens belanghebbende is het beroep op interne compensatie in strijd met het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert belanghebbende aan dat de Inspecteur in zijn verweerschrift heeft toegezegd dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd en dat het beroep gegrond is. Om die reden kan door de Inspecteur niet in een later stadium alsnog interne compensatie worden toegepast, aldus belanghebbende.

Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur toezeggingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden mocht afleiden dat de Inspecteur er onvoorwaardelijk mee akkoord was dat de naheffingsaanslag zou worden vernietigd (vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, BNB 2020/120, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439, BNB 2021/95). Uit het verweerschrift in eerste aanleg blijkt dat de Inspecteur uitdrukkelijk en ondubbelzinnig het standpunt heeft ingenomen dat belanghebbendes primaire standpunt gegrond is en dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de Inspecteur geen enkel voorbehoud heeft opgenomen ten aanzien van de vernietiging van de naheffingsaanslag. Verder neemt het Hof in aanmerking dat de aanvulling op het verweerschrift, waarin de Inspecteur het beroep op interne compensatie heeft gedaan, pas vijf maanden later is ingediend. Een uitkomst waarin de naheffingsaanslag niet wordt vernietigd is dan ook in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Conclusie naheffingsaanslag

Gelet op het voorgaande dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd.

Vergoeding van immateriële schade

Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de bezwaar- en beroepsfase.

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Hierbij geldt dat voor de bezwaarfase een termijn van een half jaar als redelijk wordt beschouwd en dat voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar als redelijk wordt beschouwd.

Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 13 december 2022 en hij heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 10 november 2023. Het beroepschrift is op 11 december 2023 door de Rechtbank ontvangen en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 20 december 2024. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak doet, zijn twee jaar en (afgerond) één maand verstreken. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 500. De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Het Hof zal de Inspecteur veroordelen tot betaling van genoemd bedrag van € 500.

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

De gemachtigde van belanghebbende stelt dat zijn bedrijfsmodel, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het hoger beroep is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van ‘no cure no pay’ heeft en dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (Whpkv) om die reden in het onderhavige geval toepassing mist. Volgens de gemachtigde van belanghebbende kwalificeert hij als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, waarbij hij verwijst naar het arrest HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382. Mede gelet op het voornoemde arrest van 26 september 2025 en de verklaringen van de gemachtigde ter zitting dat hij een vast tarief van € 750 in rekening brengt en dat zijn bedrijfsmodel in 2025 gelijk aan dat in 2024 is gebleven, merkt het Hof de gemachtigde van belanghebbende aan als een bijzonder geval als in het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Anders dan de Inspecteur, ziet het Hof geen aanleiding om aan de verklaringen van de gemachtigde van belanghebbende te twijfelen. Het Hof berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom zonder inachtneming van de Whpkv.

Er bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten wegens beroepsmatig verleende bijstand vast op € 4.922 (€ 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorgesprek) à € 647 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak)).

Voorts dient de Inspecteur aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 944 (€ 365 en € 579) te vergoeden.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof:

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.

De griffier, de voorzitter,

T.S.K.L. Tjon A. van Dongen

De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?