GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 17 december 2025
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/860
in het geding tussen:
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 augustus 2024, nummer SGR 23/1852.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.200 (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 281,75;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;
- draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser;
- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 28 augustus 2025. Belanghebbende heeft met dagtekening 18 november 2025 een pleitnota ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft voor een Volkswagen T-Roc R 4motion (de auto) op aangifte een bedrag van € 4.602 aan bpm voldaan. De datum eerste toelating van de auto is 19 december 2019. Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). Daarbij is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 197 g/km (WLTP). De taxateur heeft bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde rekening gehouden met een bedrag van € 11.946,27 (100% van de schadecalculatie -/- correctie gebruikssporen ad € 500) aan schade aan de auto, een vermindering van € 2.500 vanwege ‘geen oordeel kilometerstand RDW-voertuigrapport’ en een handelsinkoopwaarde/koerslijstwaarde (onbeschadigd) van € 30.545. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 16.100.
De Inspecteur heeft de aangifte geselecteerd voor controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft geen schade, anders dan normale gebruikssporen, aan de auto vastgesteld. De Inspecteur heeft de verschuldigde bpm berekend op € 9.802 en de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 197 g/km (WLTP) en zijn de historische nieuwprijs, de netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde van de auto op grond van de koerslijst Eurotax vastgesteld op respectievelijk € 67.756, € 41.289 en € 36.394. Er is geen belastingrente berekend.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Prejudiciële vragen
5. De rechtbank overweegt vooraf dat zij niet verplicht is tot het stellen van
prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De
rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen
aan het HvJ EU te stellen.
Hoorplicht
6. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is eiser tenminste twee maal
uitgenodigd voor een hoorgesprek op 17 mei 2022. De brieven zijn per aangetekende post
aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door
gemachtigde geweigerd. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het
hoorgesprek op 21 april 2022 via WebEx. Er is geen afmelding van de gemachtigde van
eiser ontvangen en hij heeft ook niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het
hoorgesprek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende
gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan
gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan
ook voor rekening en risico van eiser. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen
sprake.
Kan het taxatierapport van eiser dienen?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het
taxatierapport van eiser niet kan dienen om de waarde van de auto te bepalen, omdat:
- zonder nadere toelichting en daarmee ten onrechte nagenoeg 100% van de berekende
schade in mindering is gebracht;
- zonder nadere motivering voor gebruikerssporen op grond van een tabel € 500 wordt
gerekend;
- zonder enige motivering € 2.500 wordt afgetrokken wegens tellerfraude ('geen oordeel
kilometerstand RDW’);
Om die redenen kan eiser zich niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van zijn
stelling dat teveel Bpm is nageheven.
Deskundigheid hertaxateur DRZ
8. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat
verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel
8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen
1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de
belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de
rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is
aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft,
afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden
aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.
Waardevermindering wegens schade
9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser
gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Eiser dient dus
tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade
meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Hij heeft daartoe verwezen naar
het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De daarin genoemde schade -
welke deels berust op niet onderbouwde schattingen/aannames - is echter niet, althans niet
in die mate, aangetroffen door DRZ. Nu eiser de schadetaxatie van DRZ onvoldoende
onderbouwd heeft weersproken, is eiser niet geslaagd in het van hem te vergen bewijs.
72% van de schade
10. Nu door DRZ geen schade is geconstateerd en eiser daartegenover niet aannemelijk
heeft gemaakt dat daarvan wél sprake is, behoeft eisers stelling dat niet 72%, maar 100%
van de reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht hier
geen behandeling.
Leemte in de wetgeving
1. I. Eiser heeft gewezen op een door hem geconstateerde leemte in de regelgeving.
Door deze leemte kan een belastingplichtige na de opname door de taxateur maar vóór het
doen van aangifte, werkzaamheden aan een voertuig (laten) verrichten. De verplichting om
een voertuig in ongewijzigde staat beschikbaar te houden geldt volgens eiser immers pas
vanaf de aangifte. De rechtbank overweegt dat de taxatierapport van eiser kennelijk niet de
toestand van de auto op het moment van het doen van aangifte beschrijven. Alleen als dat
het geval is, mag bij de aangifte worden uitgegaan van een taxatierapport. Dat het
taxatierapport niet ouder mag zijn dan één maand betekent niet dat op basis daarvan aangifte
mag worden gedaan, ook als de auto na taxatie en voor het doen van aangifte is hersteld.
Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
12. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie
een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken
alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die
verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook
niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder
heeft eiser bij brief van 12 november 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een
naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal
bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich
hierover uit te laten, van welke gelegenheid eiser geen gebruik heeft gemaakt. Aldus heeft
verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.
Betalings-en heffingsmodaliteiten
13. Eiser stelt dat de Bpm op de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is
geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de
belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie
in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt. De rechtbank verwijst daartoe naar
rechtsoverweging 5.1 van ECLI:NL:GHDHA:2023:1592 (en de geciteerde
rechtsoverweging 7 van de uitspraak van de rechtbank) en het arrest van de Hoge Raad van
23 september 2022.
Extra leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief
14. Eiser heeft slechts in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden bestaat voor
toepassing van extra leeftijdskorting. Hij heeft echter, tegenover de weerspreking door
verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er extra
leeftijdskorting moet worden toegepast. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken.
In het beroepschrift is weliswaar een kopje "Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager
tussenliggend tarief' opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt.
CO2 uitstoot
15. Eiser wijst er op dat als gevolg van de overgang van de NEDC meetmethode naar
de WLTP meetmethode is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot van auto’s. Eiser heeft
geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in de aangifte is uitgegaan van een te hoge
CO2-uitstoot. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere
CO2-uitstoot dan in de aangifte is vermeld. Verder geldt dat deze auto, waarvoor dus een
CO2-uitstoot is aangegeven van 197 gr/km gemeten volgens de WLTP-methode, een datum
eerste toelating heeft van 19 december 2019. Dat reeds betekent dat er geen andere
vergelijkbare Nederlandse auto is die volgens een andere methode is getest. Immers, alle
binnenlandse voertuigen die op dat moment toegang kregen tot de weg zijn volgens de
WLTP-methode getest.
Eisers verwijzing naar de omstandigheid dat voor de auto door de RDW twee CO2-uitstoten
zijn geregistreerd, te weten 197 gr/km (WLTP) en 176 gr/km (NEDC) kan hem evenmin
baten, omdat niet concreet is gesteld, laat staan inzichtelijk is gemaakt, dat toepassing van
de NEDC-uitstootwaarde in dit geval voordeliger zou zijn.
Correctiefactoren EurotaxGlass ’s
16. Eiser voert aan dat op de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst van
EurotaxGlass’s op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad 15% in mindering moet
worden gebracht vanwege de bijstelling marktsituatie en dealersituatie. De rechtbank volgt
eiser niet in dit standpunt, omdat in dit geval de aangiften niet is ingediend vóór 4 oktober
2021. Vanaf 4 oktober 2021 kende de EurotaxGlass koerslijst niet langer de mogelijkheid
om de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig te corrigeren in verband met de
markt- en dealersituatie. Dit betekent dat vanaf dit moment niet langer het risico bestaat dat
de uit het buitenland afkomstige auto aan een hogere belasting wordt onderworpen dan de
belasting die nog rust op gelijksoortige in het binnenland verhandelde, geregistreerde auto’s.
Alsdan kan geen beroep worden gedaan op deze jurisprudentie en hoeft geen rekening te
worden gehouden met de bewuste waardevermindering van 15%.
Historische nieuwprijs
17. Eiser stelt verder nog dat verweerder uitgaat van een onjuiste (te lage) historische
nieuwprijs omdat verweerder deze zelf hoger heeft berekend. Deze stelling ontbeert
feitelijke grondslag en wordt daarom door de rechtbank verworpen. Eisers stelling berust
namelijk op de (onjuiste) veronderstelling dat de zogenoemde PGA-waarde (die door
verweerder inderdaad op een hoger bedrag is berekend) hetzelfde is als de historische
nieuwprijs. Dat is niet zo; het zijn verschillende waarden die niet 1-op-1 uitwisselbaar zijn.
De door verweerder gehanteerde historische nieuwprijs komt overeen met die zoals door
eiser is aangegeven en door verweerder is gevolgd.
Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht
18. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht
te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest
verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke
belemmering voor de toegang tot de rechter vormt [1]. In het algemeen kan worden
aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf)
heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de
rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op
betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan
griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken
van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke
twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke
doeltreffendheidsbeginsel. [2] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve
rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van
de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.[3] Eiser heeft het voor
het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht,
zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige
geval geen sprake is.
Wettelijke rente en griffierecht
19. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het
Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Het voorgaande neemt niet weg
dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt
uitbetaald.
Conclusie
20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
21. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding
van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen
op 25 januari 2022 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 15 februari
2023. De uitspraak van de rechtbank is op 21 augustus 2024 gedaan. Dat is dus twee jaar en
zeven maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met zeven
maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 25 februari 2023 uitspraak op bezwaar
heeft gedaan dient de overschrijding geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend.
22. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële
schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft
ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van
dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Uit de
overgelegde machtigingen volgt niet dat de schadevergoedingen aan de gemachtigde
toekomen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof Den Haag
op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding
van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door verweerder.
Proceskosten
23. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om
verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert
zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[4] Deze kosten stelt de
rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een
derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het
verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor
0,25).
(…)
[1] vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië,
ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook Hoge Raad 11 oktober 2019,
ECLl:NL:HR:2019:1579.
[2] ECLI:NL:HR:2019:I579, r.o. 3.1.4.
[3] ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6.
[4] ECLI:NL:HR:2023:1526.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is evenals bij de Rechtbank in geschil de hoogte van de verschuldigde bpm. Voorts heeft belanghebbende diverse formele, Unierechtelijke standpunten ingenomen. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding en de immateriëleschadevergoeding onjuist heeft vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop hij recht heeft.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Inleiding
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die partijen toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot het oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen over bijna alle geschilpunten die partijen verdeeld houden. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die voor deze geschilpunten tot een andere conclusie leiden. Zelfs al zouden de aangetekend verzonden uitnodigingen voor de hoorzitting in werkelijkheid een andere inhoud hebben gehad, zoals belanghebbende veronderstelt, dan nog zou terugwijzing naar de Inspecteur niet voor de hand liggen. Een goed gesprek tussen partijen is ter zitting van het Hof al niet mogelijk. De verwachting is dat een gesprek tussen partijen zonder aanwezigheid van een onafhankelijke derde zinloos zou zijn, zoals de Inspecteur stelt. Het Hof zal hierna slechts de geschilpunten over de CO2-uitstoot en de historische nieuwprijs in relatie met de handelsinkoopwaarde beoordelen, alsmede het nieuwe standpunt over de vermeende onrechtmatigheid van de controle.
CO2-uitstoot
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot op grond van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op 159 g/km moet worden gesteld. Belanghebbende verwijst naar een, volgens hem, identiek voertuig van Amerikaanse origine. Volgens de Inspecteur is het door belanghebbende aangedragen voertuig niet vergelijkbaar met de auto. Het betreft een Volkswagen Tiguan en geen Volkswagen T-Roc.
Volgens de openbaar beschikbare gegevens is het opgegeven vergelijkingsvoertuig een Volkswagen Tiguan, waarvan type, variant en uitvoering niet zijn geregistreerd. Dit voertuig is vier maanden ouder dan de auto en de massa rijklaar, de wielbasis en het netto maximumvermogen wijken af. Over gebruik, slijtage en opties is niets bekend. Het Hof wijst er voorts op dat de auto uit Duitsland afkomstig is, zodat vergelijking met een op basis van Amerikaanse eisen en specificaties gebouwd voertuig niet voor de hand ligt. Gelet op het voorgaande verwerpt het Hof het standpunt van belanghebbende.
Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde
Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld. Deze is gelijk aan de door de Inspecteur vastgestelde PGA-waarde (privégebruik auto). De Inspecteur bestrijdt dit standpunt. Het is aan belanghebbende om de historische nieuwprijs aannemelijk te maken. De door belanghebbende bepleite koerslijst Eurotax bevat geen historische nieuwprijs. Belanghebbende is niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast, aldus de Inspecteur.
Het Hof volgt belanghebbende in dit standpunt. Dit standpunt heeft namelijk niets te maken met (de verdeling van) de bewijslast, maar alles met de letterlijke toepassing van de wettekst. Deze wettekst schrijft voor dat de historische nieuwprijs de bpm van de auto zelf bevat. De netto catalogusprijs (€ 41.289) is in het rapport van DRZ vermeld en is tussen partijen niet (langer) in geschil. Dat de koerslijst Eurotax de historische nieuwprijs niet noemt, maakt dan ook niet uit. Met behulp van de netto catalogusprijs, de btw en de bruto bpm van de auto zelf is de historische nieuwprijs eenvoudig te berekenen. De uitkomst is gelijk aan de door de Inspecteur berekende PGA-waarde in de bijlage bij de kennisgeving van de naheffingsaanslag die aan belanghebbende is verstuurd.
Tussen partijen is voorts in geschil of belanghebbende de koerslijst Eurotax mag gebruiken voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde. De Inspecteur meent van niet, omdat de CO2-uitstoot afwijkt. Rekening moet worden gehouden met alle plussen en minnen ten opzichte van het voertuig in de koerslijst. Het is onduidelijk welke invloed die afwijking heeft op de handelsinkoopwaarde van de auto. Belanghebbende is niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast, aldus de Inspecteur.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende de koerslijst Eurotax mag gebruiken. Wat betreft merk, model, type, uitvoering en leeftijd komt de auto overeen met de gegevens in de koerslijst. Overeenstemming op deze punten is voldoende (HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472). Dat de CO2-uitstoot afwijkt, maakt voor het gebruik van de koerslijst niet uit.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de correctiefactoren markt- en dealersituatie in de koerslijst Eurotax alsnog moeten worden toegepast.
Bij de koerslijst Eurotax staat als disclaimer vermeld:
“Het gebruik van de schuifknoppen "Marktsituatie handelaar" en "Marktsituatie" worden niet meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- of prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het arrest HR_2019_1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen moet worden door de gebruiker waar het Arrest dit anders heeft belicht. Daarom zijn de Indicatoren "Marktsituatie handelaar" en "Marktsituatie" voortaan op 0% gezet.”
Op basis van de disclaimer van Eurotax constateert het Hof dat de correctie voor beide genoemde factoren in de onderhavige periode 0% bedraagt. Dit betekent dat de handelsinkoopwaarde niet met 15% wordt verlaagd.
Het Hof ziet geen aanleiding om de handelsinkoopwaarde te verminderen met 10%, omdat de auto een ex-rental zou zijn. Hiervan heeft belanghebbende geen enkel bewijs bijgebracht.
Bij een netto catalogusprijs van € 41.289, 21% btw en een bruto bpm van € 19.941 (NEDC 176 g/km, tarief 2020) is de historische nieuwprijs € 69.900 (de PGA-waarde). De handelsinkoopwaarde is € 36.394. De afschrijving bedraagt dan 47,93%, zodat de verschuldigde bpm (bij een bruto bpm van € 18.250) € 9.502 bedraagt. Het Hof vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.900 (€ 9.502 - € 4.602). Voor vergoeding van rente over een eventuele teruggaaf dient belanghebbende zich te wenden tot de ontvanger.
Belanghebbende heeft in de pleitnota een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, ECLI:EU:C:1978:173. Uit dit arrest zou volgen dat een belastingcontrole van uit andere lidstaten afkomstige voertuigen, terwijl in het binnenland rondrijdende voertuigen hiervan zijn vrijgesteld, niet is toegestaan. Het Hof verwerpt dit beroep. Het HvJ EU heeft in diverse, recentere, arresten geoordeeld dat een lidstaat belasting mag heffen over gebruikte voertuigen die uit andere lidstaten worden ingevoerd en duurzaam binnen de lidstaat worden gebruikt (HvJ EU 19 december 2013, X, EU:C:2013:857, punt 35, en het door belanghebbende aangehaalde arrest HvJ EU 16 november 2023, NM, ECLI:EU:C:2023:888). Het belastbare feit mag niet de grensoverschrijding zijn en de heffing mag niet gepaard gaan met controles aan de grens, maar daarvan is bij de heffing van bpm geen sprake. Het is de Inspecteur toegestaan om de benodigde controles uit te voeren om toezicht te kunnen houden op de juiste heffing van de bpm.
De Rechtbank heeft de vergoeding wegens immateriële schade juist vastgesteld. Het Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een (immateriële)schadevergoeding voor hoger beroep. De redelijke termijn is in hoger beroep nog niet verstreken.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
Het Hof ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor het bezwaar, het beroep en het hoger beroep. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet het Hof geen aanleiding. Aan het Unierecht alleen kan belanghebbende het recht op een dergelijke vergoeding niet ontlenen.
Het Hof stelt de kosten voor het bezwaar, het beroep en het hoger beroep, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.914,50, berekend als volgt: € 647 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar (1 punt x € 647 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (2 punten (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting Rechtbank) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 453,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (2 punten (1 punt hogerberoepschrift, 1 punt zitting) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak) x 0,25). De hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep is bepaald op de voet van artikel 19a Wet bpm. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dient te worden aangemerkt als een bijzonder geval (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670).
Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof:
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, M.J.M. van der Weijden en W. de Wit, in aanwezigheid van T.S.K.L. Tjon, griffier.
De griffier, De voorzitter,
T.S.K.L. Tjon A. van Dongen
De beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.