Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2022 en op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 14 maart 2023 in de strafzaken tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-810034-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 79 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tevens is er een beslissing genomen omtrent het beslag, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Voorts is de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-305647-22 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
Namens de verdachte is tegen de vonnissen hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 10-810034-20:
1.hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2019 tot en met 28 januari 2020 te Maassluis, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer (gebruikers)hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij in of omstreeks de periode van 21 januari 2020 t/m 28 januari 2020 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam en/of te Maassluis en/of te Maasland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [getuige] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door die [getuige] de woorden toe te voegen: "zeg tegen de politie dat je een gebruiker bent die bij verschillende dealers drugs koopt" en/of "als je dit niet doet dan komen we er wel achter", althans woorden van gelijke aard/strekking;
Zaak met parketnummer 09-305647-22 (gevoegd):
1.hij in of omstreeks 11-08-2022 t/m 12-08-2022 te Maasland, gemeente Midden-Delfland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer invullen 11.0 gram heroïne en 21.7 gram cocaïne gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd en dat de verdachte - na voeging van deze zaken - ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-810034-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde en ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-305647-22 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 79 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd worden verklaard.
De vonnissen waarvan beroep
De vonnissen waarvan beroep kunnen niet in stand blijven reeds omdat de zaken in hoger beroep door het hof zijn gevoegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-810034-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 09-305647-22 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 10-810034-20:
1.hij in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 28 januari 2020 te Maassluis, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer (gebruikers)hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij in of omstreeks de periode van 21 januari 2020 t/m 28 januari 2020 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam en/of te Maassluis en/of te Maasland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [getuige] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door die [getuige] de woorden toe te voegen: "zeg tegen de politie dat je een gebruiker bent die bij verschillende dealers drugs koopt" en/of "als je dit niet doet dan komen we er wel achter", althans woorden van gelijke aard/strekking;
Zaak met parketnummer 09-305647-22:
1.hij in of omstreeks de periode 11-08-2022 t/m 12-08-2022 te Maasland, gemeente Midden-Delfland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer invullen 1,0 gram heroïne en 21,7 gram cocaïne gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 10-810034-20 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 10-810034-20 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.
Het in de zaak met parketnummer 09-305647-22 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Procesafspraken
Op 31 maart 2025 werd door het Openbaar Ministerie schriftelijk aan het hof medegedeeld dat het in de onderhavige zaken met de verdediging procesafspraken heeft gemaakt. Op 8 mei 2025 zijn door het Openbaar Ministerie de in een door de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadslieden ondertekend schrijven van 28 april 2025 neergelegde procesafspraken, met daarin vervat het door partijen voorgestane afdoeningsvoorstel, aan het hof gezonden.
De procesafspraken luiden als volgt:
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal conform de procesafspraken gerekwireerd.
De raadsman heeft zich – bij wijze van pleidooi – aan de vordering van de advocaat-generaal gerefereerd.
Kan het hof acht slaan op de procesafspraken?
De Hoge Raad heeft in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, overwogen dat de rechter alleen acht kan slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
Het hof overweegt hieromtrent in de onderhavige zaak als volgt.
De verdachte was samen met zijn raadsman aanwezig op de terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2025. Op die terechtzitting zijn de procesafspraken besproken met de verdachte. Op basis van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdere verdedigingsrechten.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op de voorliggende procesafspraken (het afdoeningsvoorstel).
De strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn broer in een periode van twee maanden bezig gehouden met de handel in cocaïne en heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het bezit van cocaïne en heroïne. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Ook leiden handel in en gebruik van harddrugs veelal tot (andere) vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.
Daarnaast heeft de verdachte, eveneens samen met zijn broer, een getuige getracht te beïnvloeden in zijn verklaring bij de politie. De verdachte was ervan op de hoogte dat verschillende getuigen werden benaderd door de politie en hij heeft doelbewust geprobeerd invloed uit te oefenen op de inhoud van de verklaring van deze getuige. Dit is een ernstig vergrijp, omdat een ieder die getuige is geweest van een voor een geding relevante feit, daarover ten overstaan van de politie dan wel een rechter in vrijheid en onbelemmerd behoort te kunnen verklaren. Beperkingen van deze vrijheid, van welke aard ook, ondermijnen de rechtsorde.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 mei 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op het volgende.
De verdachte heeft gedurende twee jaar onder toezicht gestaan van de reclassering. Hoewel het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis, waaraan dit toezicht was verbonden, door de rechtbank was opgeheven, was de reclassering in veronderstelling dat de schorsing doorliep. In dat - onverplichte - kader heeft de verdachte zich gehouden aan een meldplicht en een contactverbod en heeft hij naar zijn zeggen verbleven in een instelling voor begeleid wonen. De verdachte heeft het toezicht dus positief afgerond.
Het hof heeft verder geconstateerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. In de zaak met parketnummer 10-810034-20 is de redelijke termijn aangevangen op 28 januari 2020, de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte. In eerste aanleg zijn meer dan twee jaren verstreken tussen het aanvangen van de termijn en het vonnis, dat is gewezen op 14 oktober 2022. De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden met ongeveer negen maanden. In de appelfase zijn ook meer dan twee jaren verstreken tussen het namens de verdachte instellen van het hoger beroep op 25 oktober 2022 en het wijzen van het arrest op 4 juni 2025. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met ruim zeven maanden.
Voorts is in de zaak met parketnummer 09-305647-22 de redelijke termijn van berechting in hoger beroep overschreden met ongeveer twee maanden, nu het hoger beroep is ingesteld op 15 maart 2023 en het hof arrest wijst op 4 juni 2025.
De overschrijding van de redelijke termijn heeft een matigende werking op de op te leggen straf en is blijkens de schriftelijke toelichting van het afdoeningsvoorstel een van de aan de door partijen daarin overeen gekomen straf ten grondslag liggende factoren geweest.
Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat de straffen die het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn overeengekomen en die zij hebben vervat in het afdoeningsvoorstel, in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak. Het hof zal die straffen, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk in duur aan de tijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht, een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur en verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan ook opleggen als passend en geboden.
Met betrekking tot de verbeurdverklaring merkt het hof nog op dat de inbeslaggenomen voorwerpen (geldbedragen van € 1.045,50 en € 170,00) vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu deze aan de verdachte toebehoren en door middel van het in de zaak met parketnummer
10-810034-20 onder 1 bewezenverklaarde feit zijn verkregen.
Het hof heeft bij de verbeurdverklaring rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de vonnissen waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-810034-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 09-305647-22 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-810034-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 09-305647-22 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 79 (negenenzeventig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1045,50 euro (G5969640);
- 170 euro (G5969644).
Dit arrest is gewezen door mr. J.P.L.M. Remmerswaal, als voorzitter, en mr. L.C. van Walree en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.G. Ouwens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 juni 2025.
mr. B.W. Mulder is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.