GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.340.551/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/648620/ HA ZA 23-501
Arrest van 11 maart 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar, kantoorhoudend in Eindhoven,
tegen
De Staat der Nederlanden,
zetelend in Den Haag,
verweerder,
advocaat: mr. M. Beekes, kantoorhoudend in Den Haag,
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Staat .
1. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of de Staat gehouden is tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade ten gevolge van een doorzoeking van zijn woonwagen en schuur in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.
De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 15 april 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2024;
de memorie van grieven van [appellant] ;
de memorie van antwoord van de Staat ;
de akte van [appellant] ;
de antwoordakte van de Staat .
3. Feitelijke achtergrond
[appellant] woont met zijn vrouw en kinderen op een woonwagencentrum op het adres [adres 1] in [woonplaats] . De woonwagen is zijn eigendom.
De officier van justitie heeft op 6 oktober 2022 de doorzoeking ter inbeslagneming van onder meer de woonwagen van [appellant] gevorderd. De rechter-commissaris in strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant heeft de vordering op 11 oktober 2022 toegewezen. In de beslissing van de rechter-commissaris wordt [appellant] als verdachte aangemerkt en wordt verwezen naar het door de officier van justitie aan zijn vordering ten grondslag gelegde proces-verbaal van de Politie Eenheid Oost-Brabant met kenmerk [kenmerk] van 5 oktober 2022.
In het proces-verbaal van 5 oktober 2022 staat onder meer vermeld:
“Onderzoek: [naam onderzoek]
(…)
Uit onderzoeksresultaten en de inzet van bijzondere bobmiddelen is gebleken dat [appellant] als verdachte aangemerkt kan worden.
(…)
Aantreffen drugslab aan de [adres 2] te [plaats 1] (België)
Op 22 juni 2022 wordt er door de Federale Gerechtelijke Politie te België een in werking zijnde productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen aan de [adres 2] te [plaats 1] (België) waar MDMA werd geproduceerd. (…) Uit de eerste onderzoeksbevindingen blijkt dat er een persoon op camerabeelden staat bij deze locatie die hoogstwaarschijnlijk betreft [broer appellant] (broer van [appellant] , hof). (…) Tevens bleek dat er een voertuig was waargenomen bij deze locatie dat qua omschrijving en een gedeelte van het kenteken overeenkwam met de Ford Transit met [kenteken 1] , waarvan in de betreffende onderzoeksperiode is vastgesteld dat deze in gebruik was bij [broer appellant] en vermoedelijk [betrokkene]
Mogelijk een ketel opgehaald en gebracht naar de [adres 3] te [plaats 2]
Na deze verdenking is er toestemming gegeven voor het plaatsen van een baken onder voertuig [kenteken 1] . Op dinsdag 2 augustus 2022 werd een baken geplaatst op bovengenoemd voertuig.
Uit het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] blijkt dat het voortuig met kenteken [kenteken 1] , welk voertuig blijkens onderzoeksgegevens vanaf dat moment in gebruik is bij [naam] , op 31 augustus 2022 is gestopt bij het adres [adres 4] te [plaats 3] . Uit het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 2] blijkt dat er in het bedrijf [bedrijf] aan het [adres 4] te [plaats 3] vermoedelijk ketels worden gemaakt ten behoeve van de productie van synthetische drugs. Vervolgens is het voertuig vanuit [plaats 3] naar [plaats 4] gereden waarbij het voertuig voor de nacht is geparkeerd nabij de woning van [naam] , aan de [straat 1] te ‘s- [plaats 4] .
Op 1 september 2022 omstreeks 07:36 uur vertrok het voertuig vanaf de [straat 1] te ‘s- [plaats 4] en reed, met een tussenstop op de [adres 5] te ‘s- [plaats 4] , naar het woonwagenkamp aan de [straat 2] te [woonplaats] . Het voertuig stopte in de directe nabijheid van de woning van [broer appellant] , namelijk de [adres 6] te [woonplaats] . Daarna reed het voertuig, met een tussenstop bij een tankstation aan de [plaats 5] , naar de [adres 3] te [plaats 2] . Binnen het onderzoek zijn de camerabeelden van het tankstation gevorderd en bekeken. Hierop is te zien dat onder meer [naam] samen met [broer appellant] en zijn broer [appellant] (roepnaam [appellant] ) [appellant] , geboren op [geboortedatum] , in het voertuig zaten.
[appellant] bij bouw in loods
Op grond van artikel 126G van het Wetboek van Strafvordering is er heimelijk een camera geplaatst aan de achterzijde van de loods gelegen aan de [adres 3] te [plaats 2] , alsmede is er een camera geplaatst in deze loods.
Uit het proces-verbaal van bevindingen [nummer proces-verbaal 3] blijkt dat [appellant] , samen met onder meer [naam] en zijn broer [broer appellant] op dinsdag 27 september 2022 bouwwerkzaamheden aan het verrichten waren in de eerder genoemde loods te [plaats 2] . Uit de camerabeelden blijkt dat men meerdere ruimtes in de loods aan het maken is.
(…)
OVC-gesprekken
Uit OVC-gesprekken die op 29 september 2022 zijn opgenomen in het voertuig met kenteken [kenteken 1] blijkt dat [broer appellant] , [betrokkene] en [naam] (…) diverse termen gebruiken die te relateren zijn aan de productie van synthetische drugs.
Camerabeelden
Op de camerabeelden, die opgenomen zijn op 30 september 2022 in de loods te [plaats 2] blijkt dat er een opstelling is gebouwd ten behoeve van de productie van synthetische drugs.”
In het proces-verbaal van verdenking met kenmerk [nummer proces-verbaal 4] van 5 oktober 2022 staat onder meer vermeld dat de verdenking bestaat dat [appellant] betrokken is bij de opbouw van een productielocatie voor synthetische drugs op het adres [adres 3] te [plaats 2] .
De rechter-commissaris heeft voorafgaand aan de doorzoekingen op het woonwagencentrum ordemaatregelen bevolen. In het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 13 oktober 2022 staat hierover onder meer vermeld:
“In verband met de doorzoekingen (…) in en rondom een aantal woonwagens op het woonwagencentrum (wwc) aan de [straat 2] in [woonplaats] , beveelt de rechter-commissaris (…) de navolgende ordemaatregelen:
a. (het gebied rondom) de te doorzoeken woningen – inclusief aanwezige schuurtjes of andere bijgebouwen – op het wwc worden (met geblindeerde hekken) afgeschermd;
b. (…)
c. alle bewoners en bezoekers van de onder a en b bedoelde locatie dienen het wwc voor de duur van de doorzoekingen (naar verwachting maximaal twee dagen) te verlaten en aldus wordt hen tijdelijk de toegang tot de onder a en b bedoelde locatie ontzegd;
d. (…)
De ordemaatregelen zijn gegeven op grond van artikel 124 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) (…) Daarbij merkt de rechter-commissaris op dat de doorzoekingen plaatsvinden met het oog op de opsporing van misdrijven die – al dan niet – in georganiseerd verband worden gepleegd (…)
Tot slot zijn deze ordemaatregelen mede gegeven vanwege de veiligheid van degenen die aan de doorzoekingen deelnemen. Er zijn namelijk – zonder dat de rechter-commissaris daarover kan uitweiden – aanwijzingen dat:
- het georganiseerd verband zich afspeelt in een milieu waarbij het gebruik van (bedreiging met) geweld niet wordt geschuwd;
- er zich op de onder a en b bedoelde locatie (vuur)wapens bevinden;
- de op onder a en b bedoelde locatie (familieleden van) bewoners ook kunnen beschikken over (vuur)wapens
- er zich in het (ook recente) verleden op de onder a en b bedoelde locatie (geladen) (vuur)wapen(s) hebben bevonden;
- op het wwc wonende personen betrokken zijn bij de (internationale) handel in vuurwapens.
(…)
Nu de bewoners van de onder a en b bedoelde locatie voor de duur van de doorzoekingen die locatie moeten verlaten, zal aan hen (…) de mogelijkheid worden geboden om op kosten van de Staat in die periode gebruik te maken van een door de Staat geregelde ‘opvanglocatie’ evenals van eet/drinkvoorzieningen.”
Op 17 en 18 oktober 2022 zijn in het woonwagencentrum een aantal woonwagens doorzocht, waaronder de woonwagen van [appellant] en de daarbij behorende schuur. De politie heeft zich de toegang tot de woonwagen verschaft door de voordeur open te zagen. Verder is de betonvloer onder het hondenhok in de schuur opengebroken, teneinde na te gaan of zich daar een verborgen ruimte bevond.
Van de doorzoeking van de woonwagen van [appellant] heeft de rechter-commissaris op 7 februari 2023 een proces-verbaal opgemaakt waarin onder meer staat vermeld:
“(…) Voor het openen van de doorzoeking heeft de rechter-commissaris alle vertrekken bekeken en vervolgens de doorzoeking geopend (op 17 oktober 2022, hof) om 07:38 uur. (…)
Om 13:29 uur (op 18 oktober 2022, hof) heeft de rechter-commissaris de doorzoeking gesloten. Vervolgens heeft de rechter-commissaris zich er van vergewist dat alle vertrekken in ongeveer dezelfde toestand zijn achtergelaten als waarin de vertrekken zich vóór aanvang van de doorzoeking bevonden. Daartoe heeft de rechter-commissaris een groot deel van de woning gezogen met behulp van de stofzuiger en heeft zij het gevolg van de schade, ontstaan door het binnentreden door DSI, zo veel als mogelijk opgeruimd. (…)
De rechter-commissaris heeft ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek niets in beslag genomen: wel is een aantal goederen op eigen titel door de officier van justitie / politie in beslag genomen.”
In een brief van de zaaksofficier van justitie van 31 oktober 2023 staat onder meer vermeld:
“Op 17 en 18 oktober 2022 hebben er in onderzoek [naam onderzoek] diverse doorzoekingen plaatsgevonden. In het proces-verbaal van aanvraag doorzoeking [adres 1] van 5 oktober 2022 is de heer [appellant] als verdachte aangemerkt, hetgeen tevens blijkt uit het proces-verbaal van verdenking d.d. 5 oktober 2022. De doorzoekingen op 17 en 18 oktober 2022 hebben geen aanleiding gegeven om de heer [appellant] als verdachte te horen en bij gebreke aan voldoende wettig en overtuigend bewijs wordt de heer [appellant] niet langer als verdachte aangemerkt.”
De raadsman van [appellant] heeft de Staat bij brief van 15 februari 2023 aangesproken tot vergoeding van de door [appellant] ten gevolge van de doorzoeking geleden materiële en immateriële schade ten bedrage van in totaal € 32.675,17.
De Staat heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellant] heeft de Staat gedagvaard en de veroordeling van de Staat gevorderd tot betaling van € 57.520,31, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2023 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
[appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door tijdens de doorzoeking van zijn woonwagen en schuur schade aan te richten en niet te vergoeden, althans, indien de doorzoeking als rechtmatig moet worden aangemerkt, dat de Staat onbehoorlijk heeft gehandeld door de schade niet te vergoeden.
De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 27 maart 2024, gepubliceerd onder ECLI:NL:RBDHA:2024:4021, afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat, samengevat, niet is voldaan aan de twee criteria voor een vordering van een gewezen verdachte tot schadevergoeding op de voet van onrechtmatige overheidsdaad in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie. Uit het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming van 5 oktober 2022 blijkt voldoende van een redelijk vermoeden van schuld ten opzichte van [appellant] . De rechter-commissaris heeft gezien zijn beslissing van 11 oktober 2022 op grond hiervan [appellant] als verdachte aangemerkt. Als er voor de civiele rechter nog ruimte zou bestaan dit oordeel te toetsen, zou de uitkomst zijn dat dit oordeel juist is. Nu niet kan worden gezegd dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden heeft ontbroken omdat er wel een redelijk vermoeden van schuld was, kan [appellant] zijn vordering niet baseren op dit criterium. [appellant] kan zijn vordering evenmin baseren op het criterium dat uit het strafdossier blijkt van zijn onschuld en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie en justitie berustte. De omstandigheid dat de politie en de zaaksofficier van justitie van oordeel waren dat het onderzoek onvoldoende wettig en overtuigend bewijs had opgeleverd tegen [appellant] is onvoldoende om van gebleken onschuld te kunnen spreken. Niet kan worden gezegd dat de doorzoeking op een disproportionele wijze ten uitvoer is gelegd. De rechtbank acht gelet hierop de doorzoeking van de woonwagen van [appellant] niet onrechtmatig.
5. Vorderingen in hoger beroep
[appellant] is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het vonnis. Hij heeft vier grieven tegen het vonnis aangevoerd. [appellant] vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de rechtbank.
6. Beoordeling in hoger beroep
Het hof stelt voorop dat er op grond van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, naast de (schade)vergoedingsmogelijkheden die het Wetboek van Strafvordering biedt, voor een gewezen verdachte twee mogelijkheden bestaan tot schadevergoeding in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie op grond van onrechtmatige overheidsdaad:
a. in de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd is met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv heeft ontbroken (het zogenoemde a-criterium);
b. in de tweede plaats kan zich, ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, het geval voordoen dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte (het zogenoemde b-criterium).
Bij het onder a bedoelde criterium moet de vraag of ter zake van het optreden van politie of justitie een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond – waartoe ten minste is vereist dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit in de zin van art. 27 Sv – beoordeeld worden naar het tijdstip waarop dat optreden plaats heeft. Een dergelijk vermoeden kan het instellen van een strafvervolging rechtvaardigen, ook indien bij voorbeeld in verband met onzekerheid met betrekking tot de reikwijdte van de betrokken strafbepaling, niet bij voorbaat vaststaat dat een veroordeling zal kunnen volgen. Slechts indien bij voorbaat vaststaat dat geen veroordeling zal kunnen volgen of in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de strafbepaling valt waarop de tenlastelegging is toegesneden, is het instellen van een strafvervolging niet gerechtvaardigd en dus onrechtmatig.
Het onder b genoemde gebleken onschuld-criterium is een restrictief criterium, dat enerzijds is ingegeven door de gedachte dat een risicoaansprakelijkheid in die zin dat de Staat het risico draagt schade te moeten vergoeden, indien de strafvervolging ten slotte, om welke reden dan ook, niet tot een veroordeling leidt, niet kan worden aanvaard, en dat anderzijds verband houdt met de onwenselijkheid dat de burgerlijke rechter zich anders in de regel ertoe genoopt zou zien in een daarop niet toegesneden procedure vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de strafrechter is toegerust en geroepen, en die deze, in geval van vrijspraak, veelal reeds bij gewijsde heeft beantwoord (zie voor een en ander onder meer HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1526, rov. 2.8.2-2.8.3, en HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, rov. 3.3, 3.5 en 3.6.1 inzake Begaclaim).
Uit het voorgaande volgt dat grief I, die klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling ten onrechte is uitgegaan van het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2006, ongegrond is. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet alleen had mogen uitgaan van de criteria van dit arrest maar voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad op grond van de redelijkheid en billijkheid rekening had moeten houden met de bijzondere situatie van dit geval, faalt. De door [appellant] in de toelichting op de grief aangevoerde omstandigheden, die door de Staat gemotiveerd zijn betwist, brengen niet met zich dat een ander criterium dient te worden gehanteerd dan hiervoor weergegeven. Voor zover de grief klaagt dat er in feite geen redelijk vermoeden van schuld was in de zin van artikel 27 Sv verwijst het hof naar het oordeel met betrekking tot grief II. De grief slaagt niet.
Grief II richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende is gebleken dat ten aanzien van [appellant] sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.
De rechter-commissaris heeft de vordering van de officier van justitie tot doorzoeking ter inbeslagneming bij beslissing van 11 oktober 2022 toegewezen. Uit de vordering van de officier van justitie van 6 oktober 2022 blijkt dat gelet op de feiten en/of omstandigheden gerelateerd in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met kenmerk [kenmerk] van 5 oktober 2022, geciteerd in rechtsoverweging 3.3, en het proces-verbaal van verdenking met kenmerk [nummer proces-verbaal 4] van diezelfde datum, waarnaar in eerstgenoemd proces-verbaal wordt verwezen, de verdenking bestaat dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 10a Opiumwet. Hieruit volgt dat de rechter-commissaris van oordeel was dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 27 Sv. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er tegen dat de juistheid van deze beslissing van de rechter-commissaris door de civiele rechter wordt getoetst. Een uitzondering hierop doet zich slechts voor indien een uitspraak van het EHRM, waarmee de rechter-commissaris geen rekening heeft kunnen houden, tot de conclusie noopt dat de beslissing van de rechter-commissaris tot stand is gekomen op zodanige wijze dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van artikel 6 EVRM. Gesteld noch gebleken is dat hiervan in het onderhavige geval sprake is. De blote stelling van [appellant] dat het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris op het verkeerde been heeft gezet en onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, hetgeen de Staat gemotiveerd heeft betwist, is hiertoe, mede gelet op de inhoud van voormelde processen-verbaal, onvoldoende.
Bovendien was naar het oordeel van het hof ten tijde van het strafvorderlijk optreden ten aanzien van [appellant] sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 27 Sv. Uit het hiervoor in rechtsoverweging 3.3 geciteerde proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming van 5 oktober 2022 blijkt, naar de rechtbank ook heeft overwogen en waartegen [appellant] geen grief heeft gericht, dat [appellant] samen met onder anderen zijn broer werkzaamheden heeft verricht aan een opstelling in een loods in [plaats 2] die kort daarna ten behoeve van de productie van synthetische drugs is of kon worden gebruikt en dat hij ten behoeve van die opstelling mogelijk met anderen materiaal, een ketel, heeft opgehaald. Gelet hierop was ten tijde van de doorzoeking sprake van een redelijk vermoeden dat [appellant] zich schuldig had gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische (hard)drugs. Dit blijkt ook uit het proces-verbaal van verdenking van 5 oktober 2022. De door [appellant] in de toelichting op de grief naar voren gebrachte argumenten doen hieraan niet af. Voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld is niet vereist dat [appellant] vooraf is gehoord of geïnformeerd over zijn status als verdachte door de politie of het Openbaar Ministerie. Wetenschap bij [appellant] dat het materiaal zou worden gebruikt voor het vervaardigen van drugs is hiertoe evenmin noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor eventuele verklaringen van de betrokkenen bij de loods over de rol van [appellant] . Ten aanzien hiervan geldt voorts dat het moet gaan om een redelijk vermoeden van schuld ten tijde van het strafvorderlijk optreden, zodat verklaringen van een later datum in beginsel niet relevant zijn. De, door de Staat gemotiveerd betwiste, stelling dat het Openbaar Ministerie kennelijk blindelings is uitgegaan van een redelijk vermoeden van schuld, faalt gezien de inhoud van het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming van 5 oktober 2022 en het proces-verbaal van verdenking van diezelfde datum, waarop de officier van justitie zijn vordering tot doorzoeking heeft gebaseerd. Dat het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris onjuist heeft geïnformeerd is gelet hierop eveneens onjuist. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de rechter-commissaris zich blindelings heeft gebaseerd op de informatie van het Openbaar Ministerie, nu de beslissing van de rechter-commissaris van 11 oktober 2022 blijkens zijn inhoud is gebaseerd op voornoemd proces-verbaal van aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming van 5 oktober 2022. De grief faalt.
Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet gebleken is van de onschuld van [appellant] .
Voor zover de grief betoogt dat het hiervoor in rechtsoverweging 6.1 onder b weergegeven gebleken onschuld-criterium onjuist is omdat vrijwel niemand zijn onschuld kan bewijzen, geldt dat dit criterium blijkens het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1526, niet in strijd is met de onschuldpresumptie neergelegd in artikel 6 lid 2 EVRM. De omstandigheid dat hij, naar [appellant] betoogt in de toelichting op de grief, niet door het Openbaar Ministerie als verdachte is gehoord en niet de kans heeft gekregen zijn onschuld te bewijzen brengt evenmin met zich dat het gebleken onschuld-criterium onjuist is. Een gewezen verdachte die zich beroept op het gebleken onschuld-criterium behoeft immers zijn onschuld niet te bewijzen, maar dient slechts voldoende gespecificeerd te stellen dat uit het strafdossier blijkt van zijn onschuld en dient daartoe de desbetreffende stukken uit het strafdossier in het geding te brengen.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ook in hoger beroep niet voldoende onderbouwd gesteld dat uit de stukken betreffende de strafzaak blijkt van zijn onschuld en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.
Het Openbaar Ministerie heeft bij brief van de zaaksofficier van justitie van 31 oktober 2023, hiervoor deels geciteerd in rechtsoverweging 3.8, laten weten dat [appellant] bij gebreke aan voldoende wettig en overtuigend bewijs niet langer als verdachte wordt aangemerkt, hetgeen materieel neerkomt op een sepot. Volgens vaste rechtspraak is het feit dat een strafzaak in een sepot is geëindigd wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs niet voldoende voor het oordeel dat de onschuld van de gewezen verdachte is gebleken in de hiervoor bedoelde zin.
Uit de omstandigheid dat [appellant] niet is gehoord door het Openbaar Ministerie kan niet worden afgeleid dat is gebleken van zijn onschuld. Dat [appellant] niet staat vermeld in het door [appellant] overgelegde eind proces-verbaal met betrekking tot onder meer de strafzaak [naam onderzoek] van 19 april 2023, waaruit volgens [appellant] blijkt dat hij niets van doen heeft met de betreffende zaak, is hiertoe evenmin voldoende. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie slechts de andere verdachten heeft opgenomen in het eind proces-verbaal en de zaak tegen [appellant] heeft geseponeerd, betekent immers niet dat blijkt van de onschuld van [appellant] . De enkele betwisting dat [appellant] opzettelijk werkzaamheden in of aan een drugslaboratorium heeft verricht en zijn stelling dat hij van niets wist en dat duidelijk is dat hij onschuldig was, leiden niet tot het oordeel dat is gebleken van zijn onschuld, nog daargelaten dat een en ander niet blijkt uit het strafdossier. [appellant] heeft als zodanig ook niet betwist dat hij (degene was die) op 1 en 27 september 2022 met twee medeverdachten in een voertuig zat en aanwezig was bij de loods in [plaats 2] zoals vermeld in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming en het proces-verbaal van verdenking. De door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden zijn ook in onderling verband en samenhang bezien niet voldoende voor het oordeel dat gebleken is van zijn onschuld. De grief faalt.
Grief IV klaagt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de doorzoeking niet op disproportionele wijze is geschied.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 11 oktober 2022 de vordering van de officier van justitie tot doorzoeking ter inbeslagneming toegewezen. Zoals hiervoor geoordeeld in rechtsoverweging 6.6 brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich dat deze beslissing als zodanig niet door de civiele rechter kan worden getoetst. Voor zover [appellant] in de toelichting op de grief betoogt dat in de gegeven omstandigheden geen toestemming tot doorzoeking had mogen worden gegeven stuit dit betoog hierop af. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat echter niet in de weg aan een toetsing door de civiele rechter van de proportionaliteit van de wijze waarop de doorzoeking heeft plaatsgevonden.
[appellant] bestrijdt in hoger beroep niet het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.4 van het vonnis dat de aard van de verdenking (de productie van harddrugs) onmiddellijk binnentreden rechtvaardigde zonder korte mogelijkheid voor de bewoners tot het zoekmaken van bewijs of het geven van een (telefonische) waarschuwing aan anderen. Hiervan moet in hoger beroep dus worden uitgegaan.
Naar het oordeel van het hof wordt het forceren van de voordeur van de woonwagen (in plaats van het aanbellen) gerechtvaardigd door het door de rechter-commissaris in het proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2022, hiervoor deels geciteerd in rechtsoverweging 3.5, omschreven vuurwapengevaar. De stelling dat de politie wist dat [appellant] niet vuurwapengevaarlijk zou zijn doet niet af aan de geconstateerde dreiging van vuurwapens bij personen op het woonwagencentrum. Overigens is in de woonwagen van [appellant] ook een vuurwapen aangetroffen, zij het dat hij daarvoor over een vergunning beschikte.
Het volstaan met het intrappen of snel kapot zagen van de voordeur, naar [appellant] nog betoogt in de toelichting op de grief, had geen wezenlijk verschil gemaakt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe het snel kapot zagen van de voordeur verschilt van het openzagen van de deur zoals in het onderhavige geval is geschied. Voorts had het intrappen van de deur ook tot schade aan de deur en tot schade aan het kozijn geleid.
[appellant] heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Staat , ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat sprake is van overige disproportionele schade ten gevolge van de doorzoeking. Het bij het hondenhok zoeken naar een verborgen ruimte werd gerechtvaardigd door de omstandigheid dat er aanwijzingen waren dat in het woonwagencentrum verborgen ruimtes aanwezig waren om geld en harddrugs te verbergen. Dat geen sprake was van overige disproportionele schade kan ook worden afgeleid uit het proces-verbaal van doorzoeking van 7 februari 2023, waarin staat vermeld dat de rechter-commissaris zich er na het sluiten van de doorzoeking van heeft vergewist dat alle vertrekken in ongeveer dezelfde toestand zijn achtergelaten als waarin de vertrekken zich vóór aanvang van de doorzoeking bevonden en dat de rechter-commissaris een groot deel van de woning heeft gezogen met behulp van de stofzuiger en zij het gevolg van de schade, ontstaan door het binnentreden, zo veel als mogelijk heeft opgeruimd.
Gegeven het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de doorzoeking ter inbeslagneming op disproportionele wijze heeft plaatsgevonden. De grief faalt.
Aangezien [appellant] geen feiten ten bewijze heeft aangeboden die tot een ander oordeel kunnen leiden, dient zijn, ongespecificeerde, bewijsaanbod tot slot te worden gepasseerd.
Conclusie en proceskosten
De conclusie luidt dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 2.175,-
salaris advocaat € 2.213,- (1 punt × tarief IV)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.566,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
7. Beslissing
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Stoutjesdijk, M.P.J. Ruijpers en E. Bauw, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.