GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer : 200.338.238/01
Zaaknummer Hoge Raad : 22/03882
Zaaknummers hof Arnhem-Leeuwarden : 200.256.167 en 200.257.524
Rekestnummers rechtbank : C/l6/445716 en C/l6/455667
Zaaknummers rechtbank : FA RK 17-4891 en FA RK 18-1138
beschikking van de meervoudige kamer van 26 februari 2025
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. K.A. Boshouwers te Utrecht,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.V. Scheffer te Utrecht.
1. Het procesverloop na de beschikking van de Hoge Raad van 8 december 2023
Bij beschikking van 1 februari 2024 heeft het gerechtshof Den Bosch de onderhavige zaak verwezen naar dit hof.
De man heeft bij brief van 1 oktober 2024 in het geding gebracht een akte (strekkende tot het) in het geding brengen van producties en tot uitlating over beslispunten.
De man heeft bij brief van 3 oktober 2024 in het geding gebracht een akte (strekkende) tot wijziging van het aanvullend verzoek.
Bij brief van 7 oktober 2024 heeft de vrouw in het geding gebracht de memorie na verwijzing.
De mondelinge behandeling heeft op 25 oktober 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door mr. J.M. Deveer, kantoorgenoot van haar advocaat.
Na de mondelinge behandeling heeft het hof bij brief van 15 januari 2025 aan partijen laten weten dat als gevolg van omstandigheden er een rechterswisseling zal plaatsvinden. Tevens heeft het hof aan partijen bericht dat de wisseling van een van de betrokken raadsheren, ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, meebrengt dat ieder van partijen kan vragen om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de combinatie die de eindbeschikking zal gaan wijzen. De man en de vrouw hebben in reactie hierop bij journaalberichten van 21 januari 2025 het hof laten weten geen behoefte te hebben aan een nieuwe mondelinge behandeling.
2. Beoordeling van het hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad
Beschikking Hoge Raad 8 december 2023
Het hof overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in r.o. 3.5 overwogen dat als de rechter in eerste aanleg de verdeling heeft vastgesteld en partijen in hoger beroep deze verdeling niet aan de orde hebben gesteld de datum van de uitspraak in eerste aanleg, in casu 14 december 2018, heeft te gelden als de datum van de verdeling.
Als peilmomentdatum voor de waardering van tot een gemeenschap behorende goederen geldt de datum van verdeling, aldus de Hoge Raad in r.o. 3.3, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen (waarvan in casu geen sprake is; zie ook r.o. 3.11 van de beschikking van de Hoge Raad), of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
In r.o. 3.11 heeft de Hoge Raad exact aangegeven wat dit hof nog moet beoordelen, te weten of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat van een ander dan het door de rechtbank gehanteerde peilmoment voor de waardering moet worden uitgegaan.
Het betreft in dit geval het peilmoment voor de waardering van vier voorheen aan partijen in eenvoudige gemeenschap toebehoord hebbende, en door de rechtbank aan de man toegedeelde onroerende zaken.
Beoordeling door het hof
Juridisch kader
De rechtsrelatie tussen deelgenoten in een onverdeelde en de iure op ieder moment dat de deelgenoten of één van beiden dat had gewenst voor verdeling vatbare eenvoudige gemeenschap wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (zie ook artikel 3:166 lid 3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW). Al naar gelang de aard van het geval zal de nadruk nu eens meer op het ene gezichtspunt, en dan weer meer op het andere gezichtspunt liggen. Wat in deze zaak specifiek is, is dat partijen gehuwd zijn geweest en uit welk huwelijk kinderen zijn geboren. De rechtssfeer waarbinnen de verdeling plaats heeft gevonden, alsmede die waarbinnen de peildatum voor de waardering bepaald dient te worden, is de familiesfeer.
Standpunt man
Uit hetgeen de man na de verwijzing door de Hoge Raad heeft aangevoerd, volgt dat er in zijn visie geen gronden aanwezig zijn om af te wijken van de hoofdregel dat de peildatum voor de waardering van de verdeelde goederen de datum van de beschikking in eerste aanleg is, te weten: 14 december 2018.
In randnummer 3.3. van zijn akte tot het in het geding brengen van producties en tot uitlating over beslispunten stelt de man dat de vrouw in hoger beroep zelf verzocht heeft om de onroerende goederen aan de man toe te delen. De discussie tussen partijen betrof het antwoord op de vraag welke leningen al dan niet een dusdanig verband hielden met de onroerende goederen dat deze schulden in de verdeling dienden te worden betrokken. Door de man is ook nog aangevoerd dat de datum van de beschikking, 14 december 2018, kort na de datum ligt waarop partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot het waarderen van de vervolgens door de rechter in eerste aanleg verdeelde onroerende goederen.
Standpunt vrouw en overwegingen hof
De vrouw heeft in haar beroepschrift van 19 maart 2019 in haar derde grief de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen aan de orde gesteld. Uit randnummer 60 en 61 van haar beroepschrift volgt dat partijen wel voornemens waren om uitvoering te gaan geven aan de beschikking van 14 december 2018, echter dit is niet gelukt aangezien partijen geen overeenstemming konden bereiken over welke leningen onder meer betrekking hadden op de onroerende zaken.
De vrouw verweet de man in maart 2019 al dat er door zijn handelen/nalaten vertraging kwam in de uitvoering van de verdeling van de onroerende goederen zodat het in de visie van de vrouw dus niet redelijk is om voor de waarde van de onroerende goederen uit te gaan van de datum van de beschikking van de rechtbank, te weten 14 december 2018.
De vrouw stelt in randnummer 61:
“De vrouw stelt zich dan ook op het standpunt dat de panden alsnog dienen te worden verdeeld op basis van de actuele waarde op of rondom de datum van de verdeling (zelf).”
De vrouw gaf in haar beroepschrift ook al aan dat er sprake was van een stijgende prijs van de huizen.
Desondanks, zo merkt het hof op, vroeg de vrouw in het kader van de verdeling niet om de onroerende goederen te gelde te maken door deze aan een derde te verkopen, in tegendeel, zij verzoekt expliciet de onroerende goederen aan de man toe te delen.
Als zij in hoger beroep verkoop aan een derde, zoals het geval is met het eveneens aan partijen in eenvoudige gemeenschap toebehorende [plaats] appartement, gevolgd door verdeling van de opbrengst had gevorderd had zij hiermee tevens de facto het tijdstip van de waardering aan de orde gesteld. De peildatum voor de waardering zou dan de facto verschoven zijn naar de, per definitie latere, datum waarop de aan partijen in eenvoudige gemeenschap toebehorende onroerende goederen te gelde zouden zijn gemaakt aangezien alsdan een met een recentere waarde corresponderende verkoopprijs aan partijen ter verdeling ter beschikking zou hebben gestaan.
In randnummer 29 tot en met 35 van de memorie na verwijzing gaat de vrouw nog nader in waarom het in casu redelijk en billijk is om van de hoofdregel dat de peildatum voor de waardering bepaald wordt en gelijk is aan datum van de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg af te wijken en een andere datum moet worden aanvaard.
De vrouw verwijt nog steeds het handelen/nalaten van de man met betrekking tot de uitvoering van de verdeling van de vier onroerende zaken. In randnummer 33 stelt zij letterlijk:
“Met zijn houding en stellingnamen en handelswijze heeft de man aldus al die tijd een redelijke of adequate en/of definitieve financiële afrekening tussen partijen (in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen van onroerende zaken tussen hen) tegengehouden of gefrustreerd of gemanipuleerd dan wel naar zijn hand geprobeerd te zetten. Onder die omstandigheden was en is het niet redelijk en billijk om in casu als waardepeildatum de datum van de feitelijke verdeling aan te houden (hetgeen de man zelf ook nooit heeft gedaan omdat hij vasthield aan de waarden van de panden van juli 2018 en in de tussentijd nimmer bereid was of heeft meegewerkt aan actualisering van die waarden ondanks zijn toezegging daartoe). Dit mede vanwege de fors stijgende huizenprijzen in de tussentijd (de vrouw ziet niet in waarom de man alleen van de aanzienlijke stijging van de waarden van de panden zou moeten of mogen profiteren, terwijl hij in de tussentijd of al die tijd niet bereid was om met de vrouw af te rekenen zoals het moest of was bepaald of door het treffen van een minnelijke regeling en zij wel ook verantwoordelijk was en bleef voor die panden)”.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat beide partijen in de vele procedures die zij over en weer hebben gevoerd alle stellingen uit de juridische kast hebben getrokken om zijn of haar gelijk te krijgen met betrekking tot de materiële geschilpunten in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding.
Uit het beroepschrift van de vrouw volgt dat zij een alimentatie verzocht van € 52.189, - per maand en daarnaast nog haar aandeel in de sedert de verdeling, naar achteraf blijkt uitsluitend te zijn toegenomen waarde van de onroerende goederen. Ter zake de alimentatie is aan de vrouw toegekend € 10.937,- per maand. Aan beide zijden is de procedure geëscaleerd en beide partijen hebben ieder een eigen aandeel daarin gehad.
Als de man van mening was dat hij een vordering had op de vrouw met betrekking tot de financiering van de onroerende zaken, en de vrouw deelde niet zijn visie, dan stond het de man vrij om dit geschil voor te leggen aan de rechter. Het stond de man in beginsel ook vrij om beslag te leggen op gelden van de vrouw indien hij van mening was dat die gelden de vrouw niet toekwamen. Het was dan aan de rechter geweest om te oordelen of het beslag rechtmatig of onrechtmatig was gelegd.
Het is een algemeen bekend gegeven dat prijzen van onroerende goederen kunnen stijgen maar ook kunnen dalen. Als de prijzen van de onroerende goederen na 14 december 2018 zouden zijn gedaald dan was op basis van de geldende rechtspraak de waardedaling van de onroerende goederen uitsluitend voor rekening en risico van de man gekomen, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzet. Het stijgen van de prijzen van de onroerende goederen na datum 14 december 2018 alsmede de houding van de man brengen niet met zich mede dat op basis van de redelijkheid en billijkheid een andere peildatum moet worden aanvaard voor de waardering van de onroerende zaken dan 14 december 2018. Daar komt ook bij dat de vrouw zelf in haar hoger beroep heeft gevorderd dat de woning aan de man moest worden toegedeeld en daarmee heeft zij in beginsel ook het risico aanvaard dat de waarde van de woning in de toekomst zou stijgen en zij dan geen genot meer had van deze waardestijging. Anderzijds heeft zij in beginsel ook haar risico beperkt aangezien een mogelijke waarde daling van het onroerend goed haar niet zou raken. Het overige wat door de vrouw nog is aangevoerd - hetgeen veelal herhalingen zijn - is niet relevant voor het onderhavige oordeel.
Akte tot wijziging aanvullend verzoek
De man heeft bij akte tot het in het geding brengen van producties en tot uitlating over beslispunten zijn verzoek vermeerderd. Bij akte tot wijziging van het aanvullend verzoek heeft de man zijn verzoek wederom gewijzigd.
Door de vrouw is verweer gevoerd. De vrouw is van mening dat het vermeerderen van het verzoek in strijd is met een goede procesorde.
Tijdens de zitting heeft de man zijn aanvullende verzoek ingetrokken, zodat het hof daar thans niet meer over dient te beslissen.
Slotsom
De Hoge Raad heeft de beschikkingen van het hof Arnhem- Leeuwarden van 22 september 2020, 23 februari 2021 en 19 juli 2022 vernietigd.
Dit hof zal thans beslissen met inachtneming van hetgeen het hof Arnhem-Leeuwarden heeft beslist en waartegen in cassatie niet of tevergeefs is opgekomen en zal verder beslissen ten aanzien van het onderdeel dat door de Hoge Raad in cassatie is vernietigd.
Niet in geschil is dat de man vanaf 19 juli 2022 aan de vrouw een partneralimentatie verschuldigd is van € 10.937, - bruto per maand.
Voor de waarde van de navolgende onroerende zaken dient uitgegaan te worden van de waarde van de onroerende zaken op 14 december 2018:
De woning aan de [adres 1] ;
Het bedrijfspand aan [adres 2] ;
De vakantiewoning aan [adres 3] ;
Het bedrijfspand aan [adres 4] .
Uit de overwegingen van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 19 juli 2022 volgt dat met betrekking tot de hiervoor vermelde onroerende zaken de navolgende schulden bij de berekening van de overwaarde in mindering moeten worden gebracht:
De woning aan [adres 1] : een hypothecaire geldlening van € 1.550.000,- r.o 2.9;
Het bedrijfspand aan [adres 2] : de hypothecaire geldleningen
€ 136.500,- en € 340.000,- r.o. 2.14;
3. De vakantiewoning aan [adres 3] : de schuld van € 341.099,- r.o. 2.22;
4. Het bedrijfspand aan [adres 4] : de schuld van € 113.981,- r.o. 2.18.
Voorts volgt uit de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 19 juli 2022 dat het hof de beslissingen met betrekking tot de pensioenverevening heeft aangehouden aangezien de pensioendeskundigen [pensioendeskundigen] nog niet gereed zijn met hun rapportages over de hoogte van de pensioenaanspraken. Ook heeft het hof aangehouden een beslissing met betrekking tot de kosten van de procedure in hoger beroep.
Uit de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 december 2018 volgt dat de rechtbank:
de banksaldi van de verschillende gezamenlijke bankrekeningen heeft verdeeld;
heeft bepaald dat de man (mede in zijn hoedanigheid van DGA van de besloten vennootschap [BV 1] ) dient mee te werken aan de waarde-afdracht of afstorting van de aanspraken van de vrouw op de door de man opgebouwde pensioenaanspraken in [BV 2] aan een nader door de vrouw aan te wijzen verzekeringsmaatschappij;
heeft bepaald dat het appartementsrecht aan [adres 5] dient te worden verkocht aan een derde, met de verkoopopbrengst de aan het appartement gekoppelde hypothecaire geldlening dient te worden afgelost en de alsdan resterende onder - of overwaarde door partijen bij helfte dient te worden gedragen dan wel te worden gedeeld.
Provisionele voorziening/huuropbrengst
In de tussenbeslissing van het hof Arnhem- Leeuwarden van 22 september 2020 is een provisionele voorziening getroffen inhoudende dat de man vanaf 1 januari 2019 de helft van de netto huuropbrengsten van het bedrijfspand aan [adres 4] aan de vrouw zal voldoen. Het hof heeft begrepen dat deze provisionele voorziening is getroffen met betrekking tot het levensonderhoud van de vrouw gedurende de procedure. Tevens heeft het hof ter zitting vastgesteld dat de man het bedrag van € 1.690,63 heeft doorbetaald tot en met de levering van de bedrijfspanden aan hem in december 2022. De partneralimentatie van € 10.937,- bruto per maand is ingegaan op 19 juli 2022. In beginsel was daarmee de provisionele voorziening ten einde gekomen aangezien de partneralimentatie op dat moment definitief is komen vast te staan. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de vrouw de na 19 juli 2022 ontvangen huurpenningen van € 1.690,63 aan de man zal terugbetalen.
3. Beslissing op het hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
in aanvulling op de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 december 2018:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 19 juli 2022 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 10.937,- bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat met betrekking tot de berekening van de overwaarde van de in r.o. 2.17 vermelde onroerende goederen de navolgende schulden in mindering moeten worden gebracht:
€ 136.500 en € 340.000,-;
3. De vakantiewoning aan [adres 3] : de schuld van € 341.099,-;
4. Het bedrijfspand aan [adres 4] : de schuld van € 113.981,-,
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 december 2018 voor het overige;
stelt vast dat de provisionele voorziening met betrekking tot de huurpenningen is geëindigd op 19 juli 2022;
houdt iedere verdere beslissing over de pensioenverevening en de kosten van deze procedure aan;
verzoekt partijen binnen drie maanden na heden het hof te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de pensioenverevening.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier, en is op 26 februari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.