ECLI:NL:GHDHA:2025:3016

ECLI:NL:GHDHA:2025:3016

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 19-11-2025
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer BK-24/852
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanslag IB/PVV 2021. AOW- en pensioenuitkering behoren tot belastbaar inkomen. Geen persoonsgebonden aftrek. Geen terugwijzing naar Rechtbank. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 19 november 2025

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/852

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 12 september 2024, nummer SGR 23/6668.

Procesverloop

Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.814 (de aanslag 2021). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 31 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft nadere stukken met bijlagen ingediend.

Belanghebbende heeft op 21 juli 2025 een schriftelijk verzoek ingediend tot wraking van de raadsheren.

De Wrakingskamer van het Hof heeft het verzoek tot wraking zonder mondelinge behandeling afgedaan. Bij uitspraak van 31 juli 2025 heeft de Wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen. Vervolgens heeft belanghebbende op 31 juli 2025 verzocht om wraking van de Wrakingskamer. Bij uitspraak van 12 augustus 2025 heeft de Wrakingskamer het verzoek om wraking niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat een volgend verzoek om wraking met betrekking tot de hoofdzaak en de beslissingen van de Wrakingskamer niet in behandeling wordt genomen.

Partijen zijn op 17 oktober 2025 uitgenodigd voor een zitting van de meervoudige kamer van het Hof.

Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende, ontvangen door het Hof op 12 november 2025, een nader stuk met bijlagen ingediend. Belanghebbende heeft daarin wederom een verzoek om wraking van de zetel ingediend. Bij bericht van 13 november 2025 heeft het Hof het verzoek van belanghebbende, gelet op het in 1.7 vermelde wrakingsverbod, afgewezen.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 13 november 2025. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft op 5 oktober 2022 aangifte IB/PVV 2021 ingediend naar een inkomen uit werk en woning van nihil. Uit deze aangifte volgt:

2021

Sociale Verzekeringsbank

8.000

af: premies lijfrenten t.b.v invalide (klein)kinderen

af: persoonsgebonden aftrek

5.000

30.000

Box 1

0

Ingehouden loonheffing

2.502.000

Bij brief van 26 juli 2023 heeft de Inspecteur meegedeeld te zullen afwijken van de aangifte IB/PVV 2021 en dat hij het belastbare inkomen uit werk en woning zal vaststellen op € 24.814. Volgens de door de Inspecteur ontvangen renseignementen heeft belanghebbende uitkeringen ontvangen van de Sociale Verzekeringsbank (€ 16.410) en [Pensioenfonds] (€ 8.404), waarop geen loonheffing is ingehouden. Tevens heeft de Inspecteur aangekondigd de persoonsgebonden aftrek niet in aftrek toe te staan.

Belanghebbende heeft op 7 oktober 2023 een herziene aangifte IB/PVV 2021 ingediend naar een inkomen uit werk en woning van nihil. Uit deze aangifte volgt:

2021

Sociale Verzekeringsbank

8.000

af: premies lijfrenten t.b.v invalide (klein)kinderen

af: persoonsgebonden aftrek

5.000

30.000

Box 1

0

Ingehouden loonheffing

2.502.000

Met dagtekening 28 februari 2022 is de aanslag 2021 aan belanghebbende opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“5. Eiser stelt dat hij recht heeft op vrijstelling van inkomstenbelasting omdat volgens hem sprake is van onbelaste letselschade-uitkeringen. De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals blijkt uit de informatie van [Pensioenfonds] en de SVB, welke informatie tot de gedingstukken behoort, heeft eiser een ouderdomspensioen en een AOW-uitkering ontvangen. De rechtbank ziet geen aanleiding niet van die informatie uit te gaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de informatie onjuist is en ook anderszins is dit niet gebleken. Dergelijke inkomsten zijn geen letselschade-uitkeringen en verder is op deze inkomsten hoe dan ook geen vrijstelling van inkomstenbelasting van toepassing. Aangezien geen inhouding van loonheffingen heeft plaatsgevonden is er ook geen ruimte voor verrekening daarvan.

6. Eiser, op wie de bewijslast rust, heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een restant persoonsgebonden aftrek. Verweerder heeft deze aftrek dan ook terecht gecorrigeerd.

7. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is niet gebleken.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de aanslag niet te hoog vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is, evenals voor de Rechtbank, of de uitkeringen van de Sociale Verzekeringsbank en [Pensioenfonds] terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning zijn gerekend. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning tot nihil.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Uitkeringen en premies lijfrente

Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partijen in hoger beroep toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Dit geldt ook ten aanzien van belanghebbendes blote stelling dat geen sprake is van belastbaar inkomen vanwege beslagleggingen op dat inkomen.

Belanghebbende heeft verder nog gesteld dat de in het proces-verbaal vermelde afwezigheid van belanghebbende bij de mondelinge behandeling van de zaak bij de Rechtbank en het door laten gaan van de zitting berust op een processuele fout aan de zijde van de Rechtbank.

De Rechtbank heeft blijkens haar uitspraak vastgesteld dat belanghebbende met bericht van verhindering niet is verschenen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de feitelijke vaststelling van de Rechtbank moet worden betwijfeld. Ook overigens kan de klacht van belanghebbende dat sprake is van een “processuele fout” naar het oordeel van het Hof niet anders gelezen worden dan in de context van de wens van belanghebbende om de beroepsgang bij de Rechtbank over te slaan en direct bij het Hof in beroep te komen. Het Hof leidt dit af uit een nader stuk van 28 augustus 2024 van belanghebbende, waarin is opgenomen: “Is Eiser [belanghebbende] van mening, dat meervoudige kamer Hof Den Haag meer recht kan doen op vrijstelling inkomstenbelasting (…)”. Van een verzoek om terugwijzing naar de Rechtbank is derhalve geen sprake.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dient te worden.

Belastingrente

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, M.J.M. van der Weijden en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.

De griffier, de voorzitter,

J. Azmi Shenouda H.A.J. Kroon

De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand