GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 19 november 2025
[X] te [Z] , belanghebbende,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/551
in het geding tussen:
(gemachtigde: A. van Velsen)
en
de invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Invorderingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 april 2024, nummer SGR 23/139.
Procesverloop
De Invorderingsambtenaar heeft op 23 april 2022 wegens het onbetaald blijven van een aanslag in de lokale heffingen voor het jaar 2019 van € 279,70 met aanslagnummer […] (de aanslag) en in rekening gebrachte aanmaningskosten van € 8 aan belanghebbende een dwangbevel met bevel tot betaling van de aanslag en de aanmaningskosten uitgevaardigd en kosten van betekening naar een bedrag van € 65 in rekening gebracht (de betekeningskosten).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Invorderingsambtenaar het bezwaar tegen de betekeningskosten ongegrond verklaard en de betekeningskosten gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op 28 februari 2019 verzocht om kwijtschelding van het bedrag van de aanslag en om uitstel van betaling. Op 17 april 2019 heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbende verzocht aanvullende informatie te verstrekken. Belanghebbende heeft deze informatie niet verstrekt.
Bij brief van 21 mei 2019 (de beschikking) heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbende meegedeeld:
“Uit de door u verstrekte (financiële) gegevens blijkt :
- dat wij niet alle informatie van u hebben ontvangen waar wij om gevraagd hebben.
Besluit
Op basis hiervan hebben wij besloten uw kwijtscheldingsverzoek buiten behandeling te stellen. Wij nemen uw kwijtscheldingsverzoek opnieuw in behandeling als wij de gevraagde stukken hebben ontvangen.
Betalingsinformatie
Het uitstel van betaling is hiermee komen te vervallen. De aanslag is nog niet (volledig) voldaan. Het openstaande bedrag is € 279,70 (zonder eventuele invorderingsrente), vastgesteld op 20 mei 2019. Wij vragen u het volledige openstaande bedrag binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief te betalen (...).”
Belanghebbende heeft de aanslag niet tijdig betaald. Daarop heeft de Invorderingsambtenaar met dagtekening 23 juli 2021 een aanmaning verzonden en daarbij € 8 aanmaningskosten in rekening gebracht. De Invorderingsambtenaar heeft op 23 april 2022 een dwangbevel met bevel tot betaling van de aanslag en de aanmaningskosten uitgevaardigd en daarbij € 65 betekeningskosten in rekening gebracht. Met dagtekening 6 juni 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de betekeningskosten. De Invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 november 2022 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Invorderingsambtenaar als verweerder:
“8. In geschil is of de betekeningskosten terecht aan eiser in rekening zijn gebracht.
9. Volgens eiser zijn de betekeningskosten ten onrechte aan hem in rekening gebracht omdat het kwijtscheldingsverzoek nog in behandeling is bij verweerder en de aanslag daarom niet invorderbaar is.
10. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de betekeningskosten terecht aan eiser in rekening gebracht. Uit de brief van verweerder van 21 mei 2019 blijkt dat het kwijtscheldingsverzoek van eiser wegens het niet verstrekken van de daarvoor vereiste informatie buiten behandeling is gesteld en dat het verleende uitstel van betaling van de aanslag is komen te vervallen. Eiser heeft zijn stelling dat het kwijtscheldingsverzoek nog in behandeling is bij verweerder, tegenover de gemotiveerde weerspreking daarvan door verweerder, niet aannemelijk gemaakt.
11. Eiser heeft een bewijsaanbod gedaan, waaronder begrepen het horen van getuigen. In de uitnodiging voor de zitting is eiser gewezen op het bepaalde in artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank gaat aan het bewijsaanbod voorbij. Eiser heeft het getuigenaanbod niet gespecificeerd en niet gesteld waarover de getuigen concreet zouden kunnen verklaren.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is primair of de uitspraak op bezwaar rechtsgeldig is en subsidiair of de Rechtbank het beroep tegen de uitspraak van de Invorderingsambtenaar terecht ongegrond heeft verklaard.
Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, alsmede de wettelijke rente daarover.
De Invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Vooraf
De griffier heeft bij bericht van 25 september 2024 het beroep op betalingsonmacht van belanghebbende afgewezen. De griffier heeft geen nadere gegevens van belanghebbende met betrekking tot de zelfstandig gegenereerde inkomsten ontvangen. Gelet daarop wijst het Hof het beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht in deze zaak definitief af, hetgeen aan belanghebbende ter zitting ook is meegedeeld.
Rechtsgeldigheid uitspraak op bezwaar
Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar niet rechtsgeldig is vanwege het ontbreken van een vermelding van de naam van de persoon die de uitspraak heeft gedaan. Daardoor is niet controleerbaar of deze persoon beschikt over het vereiste mandaat en de juiste bevoegdheden, aldus belanghebbende.
De klacht faalt. Uit de wet blijkt niet dat vermelding van een naam onder een uitspraak op bezwaar voor de rechtsgeldigheid van die uitspraak vereist is. In de gegeven omstandigheden bestaat voorts geen reden om eraan te twijfelen dat de Directeur Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, die onderaan de uitspraak op bezwaar is vermeld en die de uitspraak krachtens mandaat mocht doen, niet welbewust de rechtsgevolgen zou hebben beoogd, of althans zou hebben aanvaard, die met de uitspraak op bezwaar in het leven zijn geroepen (vgl. ABRvS 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1160, punt 6). Evenmin ziet het Hof reden om eraan te twijfelen dat de Directeur Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, dan wel diens ondergeschikte die het bezwaar van belanghebbende in feite heeft behandeld en (de gemachtigde van) belanghebbende heeft gehoord, betrokken is geweest bij de totstandkoming van de primaire besluiten (vgl. Hof Amsterdam 19 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3021, r.o. 2.4 en 5.2). Belanghebbende heeft dat ook niet gesteld.
Uitspraak van de Rechtbank
Belanghebbende stelt subsidiair dat de uitspraak van de Rechtbank prematuur is, omdat de Rechtbank geen onderzoek heeft gedaan naar de rechtsgeldigheid van de bestreden betekeningskosten en daar inhoudelijk uitspraak over heeft gedaan. Die grief heeft belanghebbende uitsluitend gegrond op de stelling dat de behandeling van het kwijtscheldingsverzoek was opgeschort en de aanslag derhalve niet invorderbaar was.
De Invorderingsambtenaar heeft bij de beschikking besloten belanghebbendes kwijtscheldingsverzoek buiten behandeling te stellen omdat hij niet alle verzochte informatie had ontvangen, en heeft daarbij tevens het verleende uitstel van betaling laten vervallen. In de beschikking is belanghebbende gevraagd het volledige openstaande bedrag van € 279,70 binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking te betalen. Naar het oordeel van het Hof is de mededeling in de beschikking dat het uitstel van betaling is vervallen, duidelijk en ondubbelzinnig. De daaraan voorafgaande mededeling dat het kwijtscheldingsverzoek opnieuw in behandeling zal worden genomen als de gevraagde stukken zijn ontvangen, betekent weliswaar dat de mogelijkheid bestond dat alsdan wederom uitstel van betaling zou worden verleend, maar kan in de gegeven omstandigheden bij belanghebbende redelijkerwijs niet de indruk hebben gewekt dat het betalingsuitstel nog voortduurde.
Vast staat dat belanghebbende de Invorderingsambtenaar nadien niet heeft voorzien van de door laatstgenoemde verzochte informatie. Gelet op het in 5.4 en 5.5 vermelde was de aanslag invorderbaar, heeft de Invorderingsambtenaar aan belanghebbende terecht het dwangbevel uitgevaardigd en heeft hij de betekeningskosten terecht in rekening gebracht. Het dwangbevel is niet prematuur en de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de Rechtbank evenmin.
Dit wordt niet anders doordat, zoals belanghebbende stelt, de Invorderingsambtenaar gevraagd heeft om aangifte- en aanslaggegevens die nog niet onherroepelijk zijn. Ook een stellig en zonder voorbehoud ingediende aangifte en een eventueel op basis daarvan opgelegde voorlopige aanslag kunnen informatie bevatten die van belang is voor de beslissing op het kwijtscheldingsverzoek. Daarbij komt dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat belanghebbende de Invorderingsambtenaar erop heeft gewezen dat hij de verzochte gegevens niet kon of wilde overleggen, omdat die nog niet onherroepelijk waren. Belanghebbendes stelling dat het kwijtscheldingsverzoek nog in behandeling was in afwachting van de aanslag IB/PVV 2019 stuit af op het oordeel van het Hof dat op het kwijtscheldingsverzoek is beslist op 21 mei 2019.
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot andere oordelen dan hiervóór zijn gegeven. Het subsidiaire betoog faalt eveneens.
Bewijsaanbod
Ten slotte oordeelt het Hof over het door belanghebbende in het hogerberoepschrift gedane bewijsaanbod als volgt. Voor zover het bewijsaanbod ziet op getuigenbewijs, is belanghebbende in de uitnodiging voor de zitting van het Hof gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. Voor zover het bewijsaanbod ziet op het bijbrengen van schriftelijk bewijs, is belanghebbende in de uitnodiging voor de zitting erop gewezen dat nadere stukken uiterlijk tien dagen voor de zitting moeten worden ingediend. Dat belanghebbende van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt heeft, komt voor zijn rekening en risico. Ter zitting heeft belanghebbende het bewijsaanbod ook niet geconcretiseerd, zodat volstrekt onduidelijk is waartoe het Hof belanghebbende nog in de gelegenheid zou moeten stellen. Het Hof passeert daarom het bewijsaanbod.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.
De griffier, de voorzitter,
J. Azmi Shenouda M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.