ECLI:NL:GHDHA:2025:3115

ECLI:NL:GHDHA:2025:3115

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 04-03-2025
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer BK-24/848
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:12644

Samenvatting

Wet IB/PVV. Aftrek als negatief loon van gefixeerde schadevergoeding artikel 7:677 BW. Geen verrekening loonheffing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 4 maart 2025

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/848

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 juli 2024, nummer SGR 23/5077.

Procesverloop

Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 21. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 29 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 21 januari 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende was tot [datum] 2012 werkzaam in dienstbetrekking bij de [voormalig werkgever] . Op die datum is hij door [voormalig werkgever] op staande voet ontslagen.

Bij dagvaarding van 2 november 2012 heeft [voormalig werkgever] schadevergoeding van belanghebbende gevorderd, bestaande uit een aantal componenten. Eén daarvan is de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in de artikel 7:677 in samenhang met Artikel 7:680 van het Burgerlijk Wetboek. Toepassing van deze bepalingen leidde tot een vordering van € 18.523. In 2012 heeft [voormalig werkgever] daarmee een bedrag van € 3.432 verrekend dat belanghebbende nog aan arbeidsbeloning van haar tegoed had. In de dagvaardingsprocedure vorderde [voormalig werkgever] bijgevolg uit hoofde van de artikelen 7:677 jo. 7:680 BW (€ 18.532 – € 3.432 =) € 15.091. Bij vonnis van 7 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6067, heeft de civiele kamer van de rechtbank Den Haag die vordering toegewezen.

In zijn uitspraak van 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2097, over de aanslag IB/PVV 2014, heeft dit Hof geoordeeld dat de gefixeerde schadevergoeding op het moment van betaling door belanghebbende negatief loon vormt.

Belanghebbende heeft in 2018 ter zake van de door hem verschuldigde schadevergoedingen aan [voormalig werkgever] betalingen verricht die mede de gefixeerde schadevergoeding van € 15.091 omvatten.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het onderhavige jaar de volgende bedragen als inkomsten uit tegenwoordige respectievelijk vroegere arbeid verantwoord:

[voormalig werkgever] : loon uit tegenwoordige arbeid: € 31.442 negatief

ingehouden loonheffing: € 16.350

[gemeente] : pensioen, lijfrente of andere uitkering: € 15.037 + 34

ingehouden loonheffing: € 3.250 + 8

Bij e-mail van 12 november 2021 heeft belanghebbende aan de Inspecteur laten weten dat het bedrag van € 31.442 onjuist is en dat daarvoor in de plaats € 31.144 moet worden gelezen. Het door belanghebbende gestelde negatieve loon van [voormalig werkgever] is bepaald door de gefixeerde schadevergoeding ad € 15.091 te bruteren. Van het gebruteerde bedrag heeft belanghebbende vervolgens 52% ofwel € 16.350 in aanmerking genomen als door [voormalig werkgever] ingehouden loonheffing.

Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur € 15.091 als negatief loon in aanmerking gekomen en heeft hij het inkomen uit woning en werk vastgesteld op € 21 negatief (het saldo van het negatieve loon en de uitkering van de [gemeente] ). Met de voorlopige en de primitieve aanslag is aan belanghebbende per saldo teruggave van verrekende voorheffingen verleend van (€ 3.250 + 8 =) € 3.258.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“11. Eiser heeft aan zijn standpunt enerzijds ten grondslag gelegd dat moet worden aangesloten bij de wijze waarop in 2012 verrekening heeft plaatsgevonden, anderzijds dat op dezelfde manier moet worden gehandeld als bij terugbetaling van ten onrechte genoten loon of uitkering.

In 2012 heeft [voormalig werkgever] een bedrag aan netto-salaris dat zij aan eiser verschuldigd was, verrekend met de schadevergoeding die zij van eiser claimde. Hieraan is niet enige brutering te pas gekomen. De rechtbank ziet al daarom niet in hoe deze verrekening een argument voor het standpunt van eiser zou opleveren.

Als bij de vordering tot terugbetaling van ten onrechte genoten loon wordt gebruteerd, dan wordt het door de werknemer indertijd netto ontvangen loon verhoogd met de belasting die de werkgever daarover heeft afgedragen. De werknemer betaalt in dat geval dus aan de werkgever het bruto bedrag. Eiser heeft echter niet loon aan [voormalig werkgever] terugbetaald, maar een schadevergoeding. Wat eiser heeft betaald, is niet het gebruteerde bedrag maar hetgeen waartoe hij door de rechtbank veroordeeld was. Voorts heeft [voormalig werkgever] ter zake van die schadevergoeding niet enige loonheffing ingehouden of anderszins betaald. Om deze redenen is de rechtbank van oordeel dat de vergelijking met terugbetaling van loon niet kan slagen.

12. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanknopingspunt voor dat eiser een groter bedrag als negatief loon in aftrek zou kunnen brengen dan hij daadwerkelijk aan [voormalig werkgever] heeft betaald, noch dat hij een bedrag aan loonbelasting zou kunnen verrekenen dat niet is geheven. Zij acht het standpunt van eiser dan ook onjuist.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de aanslag niet naar een te hoog bedrag vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil welk bedrag als negatief loon in aanmerking komt.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot het in aanmerking nemen van een negatief loon van € 31.144.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

De Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de aanslag niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel. Het Hof stelt voorop dat in deze zaak geen sprake is van een terugbetaling van eerder ontvangen loon door belanghebbende aan zijn voormalig werkgever. Sprake is van de betaling van een gefixeerde schadevergoeding door belanghebbende aan zijn voormalig werkgever. Deze schadevergoeding is op grond van artikel 7:677 van het Burgerlijk Wetboek gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Indien een werknemer aan zijn werkgever een schadevergoeding betaalt die haar oorzaak vindt in de dienstbetrekking kan slechts het aan zijn werkgever betaalde bedrag worden aangemerkt als een negatieve opbrengst van die dienstbetrekking (negatief loon). Omdat belanghebbende in totaal € 15.091,42 heeft betaald aan zijn voormalig werkgever, kan alleen dit bedrag als negatief loon in aanmerking worden genomen. Het door belanghebbende gestelde bedrag van € 16.350 aan loonheffing is niet betaald door belanghebbende aan zijn voormalig werkgever en kan dus niet in aanmerking worden genomen als negatief loon. Een andere uitkomst zou tot gevolg hebben dat de Staat de schadevergoeding betaalt waartoe belanghebbende is veroordeeld.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, T.A. de Hek en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 4 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand