Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam],
geboren te [geboortestad] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1989,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het haar tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de gevangenneming van de verdachte bevolen.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij, in of omstreeks de periode van 4 december 2020 tot en met 5 december 2020 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, althans in Nederland, en/of Duitsland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten 13, althans één of meer, personen, met de Albanese nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,
-behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of Duitsland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, en/of het Verenigd Koninkrijk, zijnde een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of genoemde personen daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of
-uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of Duitsland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, en/of het Verenigd Koninkrijk, zijnde een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,
door
en (aldus) de doorreis en/of het transport en/of toegang door/naar en/of het verblijf in Nederland en/of Duitsland en/of het Verenigd Koninkrijk georganiseerd en/of gefaciliteerd en/of gecoördineerd, terwijl zij, verdachte, en haar mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis of dat verblijf wederrechtelijk was.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het haar tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] wetenschap hadden van de aanwezigheid van de vreemdelingen in de bestelbus.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het haar tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu zij niet wist en ook niet kon weten dat er dertien vreemdelingen in de laadruimte van de bestelbus van de verdachte en de medeverdachte zaten verstopt.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij de reis die zij samen met de medeverdachte op 3 december 2020 vanuit Engeland naar Duitsland heeft gemaakt in een bestelbus, zag als een tripje. Het doel van de reis was niet om meubels te kopen, maar zij is met de medeverdachte op 4 december 2020 wel in een tweedehandswinkel in Duitsland geweest, waar zij en de medeverdachte apart van elkaar meubels hebben uitgezocht. De verdachte heeft hierover verklaard dat zij samen met de medeverdachte meubels wilde opknappen. Aangezien er in die periode coronamaatregelen van kracht waren, zijn de door de verdachte en de medeverdachte uitgezochte meubels, buiten hun aanwezigheid, in de bestelbus geladen door medewerkers van de winkel. Op 5 december 2020 zijn de verdachte en de medeverdachte vroeg in de ochtend, het was nog donker, met de bestelbus vertrokken vanuit het hotel in Duisburg. De verdachte is vrijwel direct op de bijrijderstoel van de bestelbus in slaap gevallen, waarbij zij oordopjes droeg. De verdachte en de medeverdachte hebben nog wel een stop gemaakt, maar dat was pas later op de dag.
De verdachte blijft bij haar eerdere verklaringen dat zij niet wist en ook niet kon weten dat er 13 vreemdelingen in de bestelbus van de verdachte en de medeverdachte zaten.
Het hof is van oordeel dat het verhaal zoals dat door de verdediging naar voren is gebracht op zichzelf zeer onwaarschijnlijk lijkt, maar dat die onwaarschijnlijkheid op zichzelf onvoldoende is om wettig en overtuigend bewezen te verklaren dat de verdachte wetenschap heeft gehad of moet hebben gehad van de vreemdelingen in de bestelbus.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht wat volgens het Openbaar Ministerie de rol van de verdachte bij de tenlastegelegde mensensmokkel moet zijn geweest en heeft daarbij een aantal punten genoemd:
Het hof is van oordeel dat bovengenoemde punten die door de advocaat-generaal als belastend voor de verdachte zijn aangevoerd, ook allemaal zouden passen in het door verdachte geschetste scenario waarin zij van niets wist. Voor het laatste liggende streepje geldt, in dat geval, dat het ‘opereren als stel’ een werkwijze van de medeverdachte was die zich voltrok zonder dat de verdachte zich daarvan bewust was. Bovendien kan aan de hand van deze door de verdachte uitgevoerde feitelijke handelingen ook niet worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had of moet hebben gehad van de 13 vreemdelingen die in de bestelbus van de verdachte en de medeverdachte zijn aangetroffen.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen onvoldoende kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat er 13 vreemdelingen van Albanese nationaliteit in de bestelbus van de verdachte en de medeverdachte zouden zitten, zodat niet wettig en overtuigend is bewezen, hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. B. Stapert, voorzitter, mr. G.C. Haverkate en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.V. Lievers-Roza.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2025.