II. Heffngsambtenaar niet aangewezen
2. Belanghebbende heeft geen aanwijzingsbesluit kunnen vinden waarin het college van b en w een met naam genoemde functionaris aanwijst als ambtenaar in de zin van art. 231, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, van de Gemeentewet. De naheffingsaanslag is daarom onbevoegd opgelegd. Ter onderbouwing verwijst belanghebbende op het arrest van het Hof Den Haag d.d. 28 juli 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2275), waarin is overwogen dat:
Het College heeft de leidinggevende van de hoofdeenheid Publiekszaken, noch de directeur Publiekszaken, Handhaving & Veiligheid belast met de heffing of invordering van gemeentelijke belastingen als bedoeld in artikel 231, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, van de Gemeentewet. Een aanwijzingsbesluit waaruit zulks kan blijken, is door de Directeur niet in het geding gebracht en is het Hof ook niet uit anderen hoofde bekend.
III. Betaald parkeren regime onduidelijk
3. Er is niet voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Uit de stukken blijkt onvoldoende dat ter zake een betaald parkeren regime van toepassing is. Ik verzoek u zo nodig stukken te overleggen waaruit genoegzaam blijkt dat sprake is van een betaald parkeren regime.
Concluderend
Met inachtneming van de hiervoor weergegeven gronden verzoekt cliënt u onderhavig bezwaar gegrond te verklaren, de naheffingsaanslag te herroepen en een tegemoetkoming in de kosten die cliënt redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van diens bezwaar.
(…)
Ten overvloede deel ik u mede dat cliënt niet afziet van diens recht te worden gehoord. Cliënt verzoekt om een telefonische hoorzitting (…).”
De Heffingsambtenaar heeft de gemachtigde vier keer uitgenodigd voor een telefonisch hoorgesprek onder vermelding van datum en tijdstip, waarbij in de laatste twee uitnodigingen naast het nummer van de naheffingsaanslag en het kenteken van de auto ook de naam van belanghebbende is vermeld. De gemachtigde heeft niet op deze uitnodigingen gereageerd.
Het beroepschrift luidt als volgt:
“(…)
II. Geen naheffing parkeerbelasting na verstrijken maximale parkeerduur
2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt voldaan te hebben aan de verplichting tot het betalen van parkeerbelasting en wijst u hiertoe op het bijgevoegde betaalbewijs (productie II). Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd omdat zijn voertuig langer dan 90 minuten heeft gestaan op een plaats waar met aangifte van parkeerbelasting ten hoogste 90 minuten mag worden geparkeerd. Op grond van art. 20 AWR kan parkeerbelasting enkel worden nageheven indien parkeerbelasting op aangifte behoort te worden voldaan maar niet is betaald. Het gevolg hiervan is dat belanghebbende niet gehouden is om ook in de periode na het einde van de eerste 90 minuten (opnieuw) parkeerbelasting op aangifte te voldoen. Ter onderbouwing wijst belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad d.d. 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:346, waarin als volgt is overwogen:
(…)
3. De naheffingsaanslag is ten onrechte aan belanghebbende opgelegd. De aanslag komt voor vernietiging in aanmerking.
(…)”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld:
“3. Niet in geschil is dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, nu de termijn van de maximale parkeerduur is verstreken. De uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag dienen derhalve te worden vernietigd.
4. Partijen verschillen van opvatting over de vraag of de heffingsambtenaar moet worden veroordeeld in de kosten die in deze procedure redelijkerwijs zijn gemaakt, te weten de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Belanghebbende pleit voor toekenning en de heffingsambtenaar daartegen. De heffingsambtenaar wijst er onder meer op dat pas in beroep de onrechtmatigheid van de naheffingsaanslag wordt bepleit wegens overschrijding van de maximale parkeerduur. De heffingsambtenaar stelt dat de gemachtigde die grond had kunnen aanvoeren tijdens de hoorzitting in bezwaar, waaraan hij verwijtbaar niet voldoende heeft meegewerkt, reden waarom die hoorzitting niet is gehouden.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) komen voor een proceskostenveroordeling in aanmerking de kosten die een partij redelijkerwijs heeft moeten maken. In de woorden “redelijkerwijs heeft moeten maken” wordt blijkens de memorie van toelichting bij dit wetsartikel (Tweede Kamer, 1991-1992, 22 495, nr. 3, bladzijde 154) tot uitdrukking gebracht dat niet slechts de kosten zelf redelijk moeten zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn geweest.
6. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende de bestreden proceskosten in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat belanghebbende in de bezwaarfase heeft nagelaten de evident onrechtmatige naheffingsaanslag effectief te betwisten als wel gedaan in beroep. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht te worden gehoord, maar heeft niet gereageerd op meerdere pogingen om een tijdstip af te spreken tot het bijwonen van een hoorzitting. De stelling van de heffingsambtenaar dat de grond ingebracht in beroep ook in bezwaar ingebracht had kunnen worden is desgevraagd ter zitting ook niet weersproken. Met de heffingsambtenaar oordeelt de rechtbank dat niet voldaan is aan de redelijkheidstoets voor toekenning van de gevraagde vergoeding in beroep.
7. Gelet op wat onder 3 is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat, gelet op het overwogene onder 6, geen aanleiding. Voor wat betreft de proceskosten in bezwaar overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank doet de zaak zelf en zal, gelet op wat onder 3 is overwogen, bepalen dat de kosten van bezwaar door de heffingsambtenaar dienen te worden vergoed. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 155,- (1 punt voor het indienen van de bezwaarschrift met een waarde per punt van € 310,- en een wegingsfactor 0,5).”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of terecht, en zo ja, tot het juiste bedrag een (proces)kostenvergoeding aan belanghebbende is toegekend. De Heffingsambtenaar is van mening dat geen (proces)kostenvergoeding dient te worden toegekend. Belanghebbende is van mening dat de toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag is en dat een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase moet worden toegekend.
Niet in geschil is dat de naheffingsaanslag terecht is vernietigd, omdat belanghebbende voor de periode na het verstrijken van de maximale parkeerduur niet gehouden was parkeerbelasting te voldoen.
De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank wat betreft de kostenvergoeding.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank wat betreft de kostenvergoeding en tot vaststelling van een hogere vergoeding voor de bezwaarfase en tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en het betaalde griffierecht en tot vergoeding van de wettelijke rente over deze bedragen, indien deze niet binnen vier weken na openbaarmaking van de uitspraak zijn betaald.
Beoordeling van het hoger beroep
Uitstelverzoek zitting
De uitnodiging voor de mondelinge behandeling die op 14 oktober 2024 aan de Heffingsambtenaar is verstuurd, vermeldt onder meer het volgende:
“Het gerechtshof hanteert een strikt uitstelbeleid. Een verzoek om uitstel van de zitting zal door het gerechtshof slechts in bijzondere gevallen worden ingewilligd mits daarom schriftelijk en gemotiveerd wordt verzocht. Het verzoek dient uiterlijk binnen twee weken na deze uitnodiging te worden gedaan. Daarna kan alleen nog om uitstel worden verzocht vanwege zwaarwichtige redenen die na de datum van deze uitnodiging zijn opgekomen. In dat geval moet het verzoek om uitstel zo spoedig mogelijk worden gedaan.”
Het verzoek van de Heffingsambtenaar om verplaatsing van de zitting (zie 1.5) is één dag voor de zitting gedaan. Het verzoek bevat slechts de mededeling dat de Heffingsambtenaar helaas verhinderd is. Nu geen zwaarwichtige reden is aangevoerd waarom de Heffingsambtenaar niet op de zittingsdag aanwezig kan zijn, heeft het Hof het verzoek afgewezen. Het Hof heeft daarbij tevens het belang van een voortvarende behandeling van de zaak in aanmerking genomen.
Proceskosten
Op grond van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken inzake de behandeling van het beroep en bezwaar. Uit de memorie van toelichting bij dit artikel (Tweede Kamer, 1991-1992, 22 495, nr. 3, bladzijde 154) volgt dat de term redelijkerwijs inhoudt dat niet alleen de kosten zelf, maar ook het inroepen van rechtsbijstand redelijk dient te zijn.
Het Hof is van oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden geconcludeerd dat belanghebbende de bestreden proceskosten redelijkerwijs heeft moeten maken. De Heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende medewerker is van het bedrijf van de gemachtigde, dat belanghebbende zelf regelmatig optreedt als gemachtigde namens parkeerders en ruime ervaring heeft met het indienen van bezwaar en beroep tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Belanghebbende wordt dan ook zonder meer geacht te beschikken over de kennis en kunde die nodig is om zelf een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op te stellen. Het Hof acht bovendien aannemelijk dat belanghebbende goed bekend was met de geldende parkeerregels ter plaatse, waaronder de maximale parkeerduur van 90 minuten, aangezien hij naast het kantoor van zijn werkgever heeft geparkeerd. Het was in dit geval dan ook niet redelijk een gemachtigde in te schakelen voor het verlenen van rechtsbijstand (vlg. Hof Arnhem 19 oktober 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO3392, r.o. 7).
Daarbij komt dat de ingeschakelde gemachtigde een onnodige beroepsprocedure heeft bewerkstelligd door in een drie pagina’s tellend bezwaarschrift enkel diverse algemene gronden te noemen en niet de enige evident relevante grond inzake het verstrijken van de maximale parkeerduur. In het beroepschrift is vervolgens wel die relevante grond als enige beroepsgrond aangevoerd. Ook is in de bezwaarfase niet meegewerkt aan het houden van een hoorzitting, terwijl daar wel om was verzocht. Het heeft er alle schijn van dat deze handelwijze enkel is gekozen om een proceskostenvergoeding in de beroepsfase te bewerkstelligen, welke handelwijze het Hof laakbaar acht.
Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten voor bezwaar en evenmin tot een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Het hoger beroep van belanghebbende over de hoogte van de vergoeding in bezwaar en het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase is dan ook ongegrond. Het Hof komt niet meer toe aan een oordeel over de puntwaarde voor de kosten in bezwaar.
Slotsom
Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is gegrond. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.
Proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van de kosten van bezwaar en de wettelijke rente daarover.
Deze uitspraak is vastgesteld door S.E. Postema, I. Reijngoud en L.D.M.A Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 15 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.