GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.042/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/658707 / KG ZA 23-1096
Arrest van 6 mei 2025
in de zaak van
Maxeon Solar Pte. Ltd.,
gevestigd in Marina Bay Financial Centre, Singapore,
hierna te noemen: Maxeon,
appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. T. Douma, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
1. VDH Solar Groothandel B.V.,
gevestigd in Hazerswoude-Dorp,
hierna te noemen: VDH,
advocaat: mr. R. Dijkstra, kantoorhoudend in Amsterdam,
2. Aiko Energy Netherlands B.V. (voorheen Eironn Netherlands B.V.),
gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen: Aiko B.V.,
advocaat: mr. G. Kuipers, kantoorhoudend in Amsterdam,
3. Libra Energy B.V.,
gevestigd in Castricum,
hierna te noemen: Libra,
advocaat: mr. R. Dijkstra, kantoorhoudend in Amsterdam.
verweersters in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
hierna gezamenlijk te noemen: AIKO c.s.
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Voor het verloop van de procedure tot 25 februari 2025 verwijst het hof naar zijn beslissing van die datum. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de e-mail en de drie H-formulieren van Aiko B.V. van 17 maart 2025;
de e-mail en de drie H-formulieren van VDH en Libra van 17 maart 2025;
de (per e-mail toegezonden) brief van Maxeon van 21 maart 2025.
Vervolgens is een datum voor arrest in de hoofdzaak bepaald.
2. De verdere beoordeling
Het hof heeft bij tussenarrest van 17 december 2024 beslist dat Maxeon op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak binnen tien weken na de datum van tussenarrest zekerheid diende te stellen voor de proceskosten en schadevergoeding tot betaling waarvan zij in hoger beroep zou kunnen worden veroordeeld, en wel voor een bedrag van € 75.000,- ten gunste van VDH en Libra en voor een bedrag van € 300.000,- ten gunste van Aiko B.V. Deze zekerheid diende te worden gesteld door middel van een onherroepelijke bankgarantie van een gerenommeerde bank met een vergunning in de Europese Unie. Bij beslissing van 25 februari 2025 heeft het hof op verzoek van Maxeon genoemde termijn verlengd met twee weken, derhalve tot uiterlijk 11 maart 2025.
Op de rol van 25 maart 2025 hebben AIKO c.s. zich uitgelaten over de zekerheidstelling. Zij hebben het hof meegedeeld dat Maxeon geen zekerheid heeft gesteld. Zij hebben het hof daarom verzocht om (eind)arrest te wijzen, Maxeon in dat (eind)arrest niet-ontvankelijk te verklaren in de hoofdzaak en Maxeon te veroordelen in kosten van de hoofdzaak en het incident, te berekenen op de voet van artikel 1019h Rv of conform het liquidatietarief en te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
Maxeon heeft in haar brief van 21 maart 2025 niet weersproken dat zij geen zekerheid heeft gesteld. Wel heeft zij bezwaar gemaakt tegen een veroordeling in de door AIKO c.s. (op grond van artikel 1019h Rv) gevorderde proceskosten.
Nu vaststaat dat Maxeon de bevolen zekerheid niet heeft gesteld, zal het hof Maxeon gelet op het bepaalde in artikel 616 lid 3 Rv niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. Maxeon zal om die reden in de kosten van het incident en in de hoofdzaak in hoger beroep worden veroordeeld. Het hof begroot die kosten, bij gebreke van een overgelegde specificatie van die kosten, aan de hand van het liquidatietarief (volgens punt 5 en 7a van de Indicatietarieven in octrooizaken Gerechtshof Den Haag). Het hof begroot de proceskosten in het incident aan de zijde van VDH en Libra op € 1.821,- voor het salaris van de advocaat (1,5 punten x tarief II) en aan de zijde van Aiko B.V. eveneens op dit bedrag. Het hof begroot de proceskosten in de hoofdzaak aan de zijde van VDH en Libra op € 798,- voor het griffierecht en € 178,- voor de nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing), dus in totaal € 976,-, en aan de zijde van Aiko B.V. eveneens op € 798,- voor het griffierecht en € 178,- voor de nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing), dus in totaal € 976,-. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. Beslissing
in de incidenten
in de hoofdzaak en in de incidenten
Het hof:
in de hoofdzaak
Dit arrest is gewezen door mrs. F.M. Bus, A.D. Kiers-Becking en A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2025 in aanwezigheid van de griffier.