GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.356.834/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-8502
zaaknummer rechtbank : C/10/689333
beschikking van de meervoudige kamer van 21 januari 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. N.P.J. Frijns te Maastricht,
tegen
[de moeder] ,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. V. Vos te Rotterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 15 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep
De vader is op 11 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder heeft op 7 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met na te noemen minderjarigen gesproken.
De raad heeft bij brief van 27 november 2025 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
op 3 december 2025 een journaalbericht van diezelfde datum van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
op 3 december 2025 een journaalbericht van diezelfde datum van de zijde van de man, met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk] , tolk in het Arabisch (Irakees);
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [tolk] , tolk in het Arabisch (Irakees).
Het hof heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleider van de vrouw.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de volgende vaststaande feiten.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2007 in [plaats 1] (Irak).
De man en de vrouw hebben beiden (in ieder geval) de Iraakse nationaliteit.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , Irak (hierna: [minderjarige 1] );
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , Irak (hierna: [minderjarige 2] );
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2015 [geboorteplaats] , Irak (hierna: [minderjarige 3] );
(hierna ook tezamen: de minderjarigen).
Op 21 augustus 2025 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De man heeft op 8 juli 2024 een verzoekschrift tot echtscheiding en nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank Limburg. Bij beschikking van 2 juli 2025 van de rechtbank Limburg is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is door de rechtbank:
de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
bepaald dat het gezag over de minderjarige kinderen van partijen alleen toekomt aan de vrouw;
bepaald dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] , [postcode] [plaats 2] , gemeente [gemeente] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
de beschikking met betrekking tot het gezag en het huurrecht van de woning uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
bepaald dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt.
De man is het met een deel van die beslissing niet eens. Hij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen als zijnde ongegrond, onbewezen, dan wel in strijd met de wet voor wat betreft de bepaling dat het gezag over de minderjarigen van partijen alleen toekomt aan de vrouw, en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat beide partijen het gezag over de minderjarigen toekomt en tevens te bepalen dat:
1. ten behoeve van de minderjarigen een informatie- en consultatieregeling wordt vastgesteld die inhoud dat de vrouw de man maandelijks informeert over de persoon, het welzijn en vermogen van de minderjarigen;
2. een regeling vast te stellen waarin de man en de minderjarigen gerechtigd zijn om wekelijks met elkaar beeld te bellen;
3. voor zover na onderzoek van de raad mocht worden geadviseerd dat een BOR 3 omgang mogelijk is, te bepalen dat de vrouw volledig dient mee te werken aan een dergelijke door de raad geadviseerde omgangsregeling dan wel enige andere contact- en/of omgangsregeling;
kosten rechtens.
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof om, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de verzoeken van de man (het hof begrijpt: in hoger beroep) niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het hof stelt het volgende voorop. Nu partijen in Irak zijn gehuwd en zij beiden de Iraakse nationaliteit hebben, draagt deze zaak een internationaal karakter en zal (ambtshalve) vastgesteld moeten worden of de Nederlandse rechter bevoegdheid heeft om kennis te nemen van verzoeken omtrent de ouderlijke verantwoordelijkheid. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter dient in dit geval beoordeeld te worden volgens de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel II-ter (Nr. 2019/1111) (hierna: de verordening), aangezien het inleidend verzoekschrift is ingediend na 1 augustus 2022. Nu de minderjarigen ten tijde van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening bevoegd. Op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is dan Nederlands recht van toepassing.
Ontvankelijkheid
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de man overweegt het hof als volgt. Hoewel de man in eerste aanleg niet is verschenen, is de man ontvankelijk in zijn zelfstandige verzoeken in hoger beroep nu het nevenvoorzieningen betreft als bedoeld in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het hof zal de verzoeken van de man hieronder per onderwerp bespreken.
Gezag
Juridisch kader
Ingevolge artikel 1:251 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na echtscheiding dit gezag gezamenlijk uitoefenen.
Op grond van artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunten van partijen
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen wordt belast. De hoofdregel is dat de ouders na echtscheiding het ouderlijk gezag over de minderjarigen gezamenlijk blijven uitoefenen. De man heeft een wezenlijk belang bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag over de minderjarigen. Hij is altijd actief betrokken geweest bij de opvoeding en verzorging van de minderjarigen en acht het in hun belang dat beide ouders het gezag over hen behouden. Hij heeft de minderjarigen al meer dan een jaar niet gezien of ook maar iets van hen gehoord. De man betwist dat hij niet omkijkt naar de vrouw en de minderjarigen en dat hij hen terug zou willen sturen naar Irak. De vrouw heeft meermaals aangegeven terug naar Irak te zullen gaan. De man betwist ook dat hij de minderjarigen naar Irak zou hebben willen ontvoeren. Van vergeldingsacties aan de zijde van de man is dan ook absoluut geen sprake. De man is niet vervolgd voor de door de vrouw gestelde aangiftes. Hij was ook op de hoogte van de latere woonlocatie van de vrouw, dat had zij namelijk aan een vriend van de man bekend gemaakt. Het gezamenlijk gezag over de minderjarigen had niet op basis van de verhalen van de vrouw beëindigd mogen worden. Voor zover er over gezamenlijk gezag twijfels mochten bestaan, zou de man graag een raadsonderzoek willen. Om dezelfde reden - namelijk dat ook hij het gezag had moeten behouden - stelt de man dat de rechtbank de beslissing met betrekking tot het gezag niet uitvoerbaar bij voorraad had mogen verklaren.
De vrouw betwist hetgeen door de man is gesteld. De man vertrok in 2015 naar Nederland en de vrouw bleef achter en is bij haar familie ingetrokken. Vanaf 2022 woonde zij met de minderjarigen zelfstandig in Irak en in maart 2024 zijn zij naar Nederland gekomen. In de tussenliggende negen jaar hebben partijen elkaar nooit gezien. De man heeft in die jaren geen enkele financiële bijdrage geleverd aan de vrouw en de minderjarigen en nooit interesse getoond in hun welzijn. Toen de vrouw en de minderjarigen in 2024 aankwamen in Nederland gaf de man meteen aan dat het een fout was om hen naar Nederland te halen en dat hij hen terug wilde sturen naar Irak. De man heeft de vrouw geslagen en geprobeerd te wurgen (in het bijzijn van [minderjarige 1] ). De man liet de vrouw en de minderjarigen achter in de woning in [plaats 3] te Limburg en sliep daar zelf nooit. De man heeft een relatie met zijn nieuwe vrouw met wie hij samenwoont. Hij had alle papieren van de vrouw en de minderjarigen afgepakt en kwam alleen af en toe langs om boodschappen te brengen. De vrouw en de minderjarigen werden volledig aan hun lot overgelaten en de vrouw werd onder druk gezet om terug te keren naar Irak. De man heeft enkel [minderjarige 1] een paar dagen meegenomen naar het huis van de man. Op 2 juli 2024 heeft de man de minderjarigen geprobeerd te ontvoeren door hen mee te nemen naar een vliegveld in Duitsland waar hij probeerde met hen te vertrekken en waarbij de man de minderjarigen iets toegediend zou hebben en de dochters heeft bedreigd. De vrouw en de minderjarigen zijn na afloop direct geplaatst buiten de regio in een opvanghuis op een voor de man onbekende locatie. De vrouw en de minderjarigen verblijven nog altijd op een geheime locatie. De vrouw doet er alles aan om hun leven op de rit te krijgen. De minderjarigen gaan naar school en volgen Nederlandse les. De vrouw betwist dat de man altijd een betrokken vader is geweest. De vrouw en de minderjarigen zijn bang voor de man. De vrouw vreest nog steeds voor represailles en ontvoering van de minderjarigen. Er is geen sprake van enige constructieve communicatie en gelet op het gedrag van de man kan van de vrouw ook niet worden verlangd dat zij met hem in gesprek gaat. Gebleken is dat de man niet in staat is de minderjarigen de benodigde veiligheid te bieden en de verantwoordelijkheid over hen te dragen. Derhalve is het in hun belang dat de vrouw alleen met het gezag over de minderjarigen belast blijft. Daarnaast heeft de rechtbank terecht de beschikking voor wat betreft dit onderdeel uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De man heeft daarvan ook geen schorsing verzocht, zodat zijn grief faalt.
Oordeel van het hof
Het hof is op basis van de overgelegde stukken en dat wat is behandeld op de zitting van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en het gezamenlijk gezag over de minderjarigen heeft beëindigd en in de plaats daarvan de vrouw met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen heeft belast. Het hof neemt de gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt daarbij in het bijzonder nog het volgende in aanmerking. De minderjarigen kennen de man niet tot nauwelijks. Hij is (heel) vroeg in het leven van de minderjarigen vanuit Irak vertrokken naar Nederland met achterlating van zijn gezin. Er is zo goed als het hele leven van de minderjarigen nooit meer fysieke omgang met de man geweest tot hun komst naar Nederland en ook is niet vast komen te staan dat de man met zijn kinderen na het eerste jaar ooit nog anderszins contact heeft gehad. De man is dan ook niet op de hoogte van het leven (belevingswereld, wensen, interesses en dergelijke) van de minderjarigen en weet niet hoe het met hen gaat en wat zij nodig hebben. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de man naar objectieve maatstaven in strijd handelt met het belang van de minderjarigen. Zo heeft de man aangegeven de verblijfsvergunning van de vrouw te willen blokkeren, zodat zij niet in Nederland bij de minderjarigen zou kunnen blijven, terwijl de vrouw de primaire (enige) opvoedingsfiguur en vertrouwde persoon van de minderjarigen in Nederland is. Daarnaast lijkt het er sterk op dat de man getracht heeft de minderjarigen te ontvoeren. Hoewel dat door de man wordt ontkend, wordt die gebeurtenis wel door iedereen als zodanig aangemerkt. De man heeft zijn - door de vrouw betwiste - stelling dat het een familiebezoek in Iran betrof waarvoor de vrouw toestemming zou hebben gegeven in het geheel niet nader onderbouwd. Verder merkt het hof op dat, ook als het geen ontvoering betrof, uit de omstandigheden blijkt dat de man in ieder geval in strijd heeft gehandeld met de belangen van de minderjarigen door hen zonder hun moeder en onvoldoende voorbereid mee te nemen op een buitenlandse reis, waarbij op het vliegveld in Duitsland door omstanders is ingegrepen naar aanleiding van het feit dat de minderjarigen huilend om hun moeder schreeuwden. De minderjarigen hebben dit ervaren als een traumatische gebeurtenis en hebben (onder meer) hieraan veel angst overgehouden voor de man. Ten slotte biedt de relatie tussen partijen geen enkele mogelijkheid tot constructief overleg en het nemen van beslissingen. Het hof zal daarom het verzoek van de man in hoger beroep afwijzen en de beschikking op dit punt bekrachtigen. De man heeft geen (andere) reden aangevoerd waarom de beslissing van de rechtbank om alleen de vrouw met het gezag te belasten niet uitvoerbaar bij voorraad zou moeten worden verklaard, zodat het hof de beslissing van de rechtbank ook op dat punt zal bekrachtigen.
Omgang
Juridisch kader
Ingevolge het tweede lid van artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Ingevolge het derde lid van artikel 1:377a BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of;
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Standpunten van partijen
De man is van mening dat hij omgang zou moeten kunnen hebben met de minderjarigen. Hij begrijpt dat er niet meteen omgang kan worden opgestart. Ook op dit punt is de man van mening dat de raad een onderzoek zou moeten doen naar de mogelijkheid om een BOR 3 traject op te starten.
De vrouw stelt dat op grond van artikel 31 van het Verdrag van Istanbul verdragspartijen maatregelen dienen te nemen teneinde te waarborgen dat bij de vaststelling van een omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dat verdrag. De uitvoering van de omgangsregeling mag niet ten koste gaan van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer en de kinderen. De veiligheid van de vrouw en de minderjarigen zal centraal moeten staan bij de beslissing over de omgangsregeling. De vrouw en de minderjarigen hebben rust en tijd nodig om tot verwerking en therapie te komen. De verzoeken van de man staan hier haaks op. Dat de man geen enkel inzicht toont in zijn aandeel is zeer zorgelijk. De man ontkent alles. Omgang tussen de man en de minderjarigen is niet in hun belang. Een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming zou voor de vrouw en de minderjarigen zeer heftig zijn. Zij ervaren alsdan niet de rust die zij zo hard nodig hebben.
Oordeel van het hof
Het hof is op basis van de overgelegde stukken en dat wat is behandeld op de zitting van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen in strijd is met het belang van de minderjarigen. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking wat ook in rov. 5.7 al aan de orde kwam. Namelijk dat de minderjarigen de man niet tot nauwelijks kennen, omdat hij naar Nederland is verhuisd toen de minderjarigen nog heel klein waren en er nooit fysieke omgang tussen de man en de minderjarigen heeft plaatsgevonden. Voor zover de man heeft aangevoerd dat hij via beeldbellen contact heeft gehad met de minderjarigen, heeft de man dit in het licht van de betwisting van de vrouw onvoldoende gemotiveerd. Als gezegd is dus niet komen te staan dat er na het eerste jaar na het vertrek van de man nog enig contact is geweest tussen de man en de minderjarigen. Uit onder meer hetgeen reeds onder 5.7 is besproken, is het hof gebleken dat de minderjarigen veel angst hebben voor de man en hem niet willen zien. Zij hebben na deze heftige periode en traumatische ervaring een grote behoefte aan rust en geen ruimte voor enige vorm van contact met de man. Daar komt nog bij dat hun huidige situatie al heel veel van hen vraagt, in een nieuw land met alleen hun moeder als vertrouwde figuur, een land waarvan zij de taal nog volop aan het leren zijn en een situatie die ook anderszins veel aanpassingsvermogen van hen vergt. Het hof zal daarom dit verzoek van de man afwijzen. Daarnaast acht het hof zich voldoende voorgelicht, zodat er geen behoefte bestaat aan raadsonderzoek. Een dergelijk onderzoek acht het hof bovendien in strijd met het genoemde belang van de minderjarigen en hun behoefte aan rust.
Informatie- en consultatieregeling
Ten aanzien van het verzoek van de man tot het vaststellen van een informatie- en consultatieregeling overweegt het hof als volgt.
Het hof merkt op dat de man zijn verzoek niet nader heeft toegelicht. Hoewel de vrouw heeft aangevoerd dat het vaststellen van een informatie- en consultatieregeling evenmin in het belang is van de minderjarigen, is de ouder met het gezag op grond van artikel 1:377b BW in beginsel wel gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
Nu de man geen gezag over de minderjarigen en geen omgang met de minderjarigen zal hebben, zal het hof wel een informatieregeling vaststellen en aldus het verzoek daartoe van de man toewijzen. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.7 en 5.11 acht het hof een regeling waarbij de vrouw de man eenmaal per zes maanden, schriftelijk per mail informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarigen, mogelijk en redelijk. Een frequentere regeling acht het hof te belastend voor zowel de minderjarigen als de vrouw en kan niet van de vrouw worden gevergd.
Proceskosten
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
bepaalt aanvullend dat de vrouw in het kader van een informatieregeling eenmaal per zes maanden, de man schriftelijk per mail informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarigen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. van der Kleijn, A.F. Mollema en B. du Fossé, bijgestaan door mr. B. Klous als griffier en is op 21 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.