ECLI:NL:GHDHA:2026:103

ECLI:NL:GHDHA:2026:103

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer 200.355.947/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Uitzondering op het uitgangspunt dat de ouders het gezamenlijk gezag over hun kinderen hebben. Beëindiging van het gezag van de man op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de stukken en hetgeen op de zitting naar voren is gebracht aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Ook acht het hof de beëindiging van het gezag van de man in het belang van de minderjarigen noodzakelijk. De zeer formalistische strijd van de man voor een handelen van eenieder dat steeds strikt in overeenstemming met alle regels dient plaats te vinden, en waarbij overal vooraf voorwaarden aan worden gesteld, gecombineerd met een sterk zwart/wit-beeld van de wereld om hem heen, moet in het belang van de minderjarigen stoppen. Hiermee wordt immers voorbijgegaan aan de werkelijke belangen van de minderjarigen, en de man komt hiermee tussen de hulpverlening en de minderjarigen te staan. Deze houding heeft een schadelijk effect en versterkt – ondanks alle goede bedoelingen van de man – uiteindelijk hun problematiek.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.355.947/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 24-6878

zaaknummer rechtbank : C/10/686036

beschikking van de meervoudige kamer van 21 januari 2026

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.M. Krommendijk te Zoetermeer

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.E. Visscher te Papendrecht.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [bijzondere curator 1] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [bijzondere curator 1] ;

- [bijzondere curator 2] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [bijzondere curator 2] .

Als degene wiens verklaring bij de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, is aangemerkt:

de Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland,

gevestigd te Dordrecht,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

locatie: Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

De vrouw is op 18 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De man heeft op 19 september 2025 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

op 3 juli 2025 een journaalbericht van diezelfde datum van de zijde van de vrouw, met bijlage;

op 17 juli 2025 een journaalbericht van 16 juli 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;

op 19 november 2025 een journaalbericht van diezelfde datum van de zijde van de bijzondere curatoren, met bijlage;

op 21 november 2025 een journaalbericht van 20 november 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

op 27 november 2025 journaalbericht van diezelfde datum van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

op 28 november 2025 een journaalbericht van diezelfde datum van de zijde van de bijzondere curatoren, met bijlage;

op 2 december 2025 een e-mailbericht van diezelfde datum van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

op 4 december 2025 een journaalbericht van diezelfde datum van de zijde van de man, met bijlagen.

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] heeft haar mening per brief kenbaar gemaakt.

De raad heeft bij brief van 27 november 2025 het hof laten weten niet op de zitting te zullen verschijnen.

De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- [bijzondere curator 1] ;

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

[bijzondere curator 2] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen. [bijzondere curator 1] heeft uitgelegd dat zij was verhinderd.

Het hof heeft bijzondere toegang verleend aan [de stiefvader] , de stiefvader van na te noemen minderjarigen.

De raad is, overeenkomstig zijn brief van 27 november 2025, niet op de zitting verschenen.

De advocaat van de vrouw heeft op de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

3. De feiten

Het hof gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] );

(hierna ook samen: de minderjarigen).

De man heeft de minderjarigen erkend.

Partijen oefenen het ouderlijk gezag over de minderjarigen gezamenlijk uit.

Bij beschikking van 21 november 2017 is een zorgregeling bepaald waarbij de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 14.00 uur tot maandagochtend 08.30 uur bij de man zijn; alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen.

De vrouw is op [huwelijksdatum] 2021 gehuwd met de [de stiefvader] : de stiefvader van de minderjarigen.

Bij beschikking van 14 april 2023 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna steeds is verlengd. Bij beschikking van 8 april 2025 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 14 april 2026 en is tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 14 juli 2025. Ook zijn [bijzondere curator 1] en [bijzondere curator 2] tot bijzondere curatoren benoemd teneinde de minderjarigen in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Bij beschikking van 23 mei 2025 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend en bij beschikking van 4 juni 2025 is die machtiging verlengd tot 20 november 2025.

Bij beschikking van 3 oktober 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend tot 1 januari 2026.

[minderjarige 1] woont bij de vrouw en de stiefvader. [minderjarige 2] verblijft op een gesloten groep van [accommodatie voor jeugdhulp] in [plaats 1] .

4. De omvang van het geschil

Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, het verzoek van de vrouw om te bepalen dat het ouderlijk gezag over de minderjarigen alleen aan haar toekomt, afgewezen.

De vrouw is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende in hoger beroep, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag over de minderjarigen toe te wijzen, en te bepalen dat zij alleen belast wordt met het gezag over de minderjarigen.

De man voert verweer en verzoekt het hof om, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen, dan wel de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep.

5. De motivering van de beslissing

Juridisch kader

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan, van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Standpunten van partijen

Kort samengevat stelt de vrouw in haar grieven dat de rechtbank ten onrechte haar inleidende verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de minderjarigen en het verzoek om in de plaats daarvan haar met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen te belasten, heeft afgewezen. Bij het nemen van haar beslissing heeft de rechtbank amper gekeken naar de veel bredere problematiek die speelt en waarin beide minderjarigen klem en verloren zijn geraakt. De rechtbank heeft haar beoordeling slechts beperkt tot de (on)mogelijkheden tot communicatie tussen partijen. De rechtbank heeft verder geen aandacht besteed aan de oorzaken die tot de onenigheden tussen partijen hebben geleid. Door het door de man permanent ten onrechte blijven benoemen van de onveiligheid bij de vrouw thuis, het stelselmatig herhalen van wantrouwen jegens de vrouw en haar echtgenoot, de beschuldigingen van ouderverstoting aan haar adres, het wantrouwen van hulpverleners en instanties, het doen van aangiftes, meldingen bij Veilig Thuis, en het indienen van klachten bij de betrokken instanties kiest de man in zijn handelen voor een modus operandi waarbij de minderjarigen klem en verloren zijn geraakt. Dit zijn allemaal voorbeelden van onderwerpen die een gezamenlijke gezagsuitoefening voor de vrouw nagenoeg onmogelijk maken. De vrouw wil dat de minderjarigen de hulp krijgen die zij nodig hebben. Door de wijze van opereren van de man zijn alle trajecten en alle hulpverlening in het verleden vastgelopen en lopen zij ook nu vast. Daar waar de rechtbank meent dat bij gebreke van artikel 1:253a BW procedures het gezamenlijke gezag in deze kwestie wel gehandhaafd kan worden, heeft zij een verkeerde en onjuiste maatstaf aangelegd. Onjuist is dan ook de overweging van de rechtbank dat er naast de hulpverlening geen andere belemmeringen zouden zijn. De belemmeringen speelden niet tussen partijen maar vooral tussen de man en de hulpverlenende instanties. Zij kunnen niet met de man samenwerken en daarin heeft de vrouw geen rol. De hulpverleners raken handelingsverlegen door de veelvoud aan discussie en klachten vanuit de man. Door dit handelen van de man komt de hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet van de grond.

De man voert verweer. Uit het dossier blijkt dat het partijen lukt elkaar te informeren en consulteren over belangrijke zaken in het leven van de minderjarigen. Het is van groot belang, vooral voor de minderjarigen, dat partijen hieromtrent op ouderniveau communiceren. De man wenst, net als de vrouw, dat de minderjarigen de hulp krijgen die zij nodig hebben en dat zij uit deze strijd komen. Uitgangspunt van de wetgever is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. De communicatie tussen partijen verloopt weliswaar moeizaam, maar dit betekent niet dat zij niet in staat zijn om op een behoorlijke manier invulling te geven aan het gezamenlijk gezag. Niet is gesteld noch gebleken dat het gezamenlijk gezag sinds de bestreden beschikking tot moeilijkheden heeft geleid dan wel dat de man gezagsbeslissingen blokkeert. De man is een kritische vader, maar dit maakt niet dat hij niet in staat is tot gezamenlijke gezagsuitoefening. Dat de man meldingen maakt, aangiften doet en dergelijke kan geen reden zijn om hem niet langer met het ouderlijk gezag te belasten. Daar komt volgens de man bij dat beide minderjarigen aangeven bij de man te willen wonen, althans meer tijd met hem te willen doorbrengen. Partijen zijn inmiddels aangemeld bij [hulpverleningsinstantie] . [minderjarige 2] geeft op dit moment aan de vrouw niet te willen zien. Het is niet passend dat de man geen gezag zou hebben, terwijl de minderjarigen veel bij hem (willen) verblijven.

De bijzondere curatoren hebben in het kader van de procedure over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing bij verslag van 2 oktober 2025 verklaard dat de huidige gezinsdynamiek ernstig is ontwricht en een blijvend risico vormt voor de ontwikkeling van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] . Zonder passende interventies dreigt de situatie verder te escaleren en dreigt met name voor [minderjarige 2] het reële gevaar dat de band met haar moeder niet wordt hersteld. Dit zou voor haar een zeer schadelijke en ingrijpende consequentie hebben: het verder opgroeien zonder haar moeder. Ook voor [minderjarige 1] is het in haar belang dat er systemisch en specialistisch wordt gewerkt aan het doorbreken van de destructieve patronen binnen het gezin. Alleen door inzet van deze intensieve en multidisciplinaire hulpverlening is er perspectief op herstel van de ouder-kindrelatie, en kan worden gewerkt aan een duurzaam en veilig opvoedingsklimaat waarin de minderjarigen zich kunnen ontwikkelen.

Bij aanvullend verslag van 10 november 2025 in het kader van onderhavige procedure hebben de bijzondere curatoren verklaard dat [minderjarige 1] ten aanzien van het gezag heeft aangegeven dat zij weet wat dat inhoudt en dat zij vindt dat beide ouders het gezag moeten houden, omdat zij wil dat de ouders allebei kunnen meekijken bij belangrijke beslissingen. Uit het gesprek met [minderjarige 2] is naar voren gekomen dat zij ten aanzien van het gezag wil dat haar vader, en niet haar moeder, het gezag over haar uitoefent. Zij wil dan ook niet dat haar ouders het gezamenlijk gezag over haar hebben. De bijzondere curator maakt zich zorgen om [minderjarige 2] en ziet, net als de gedragsdeskundige, de verharding in [minderjarige 2] houding en de voortdurende sterke afwijzing richting haar moeder.

[bijzondere curator 1] heeft op de zitting verklaard dat de bijzondere curatoren de beëindiging van het gezag van de man in eerste instantie prematuur vonden. De constante stroom van communicatie en klachten vanuit de man leidt echter tot voortdurende onrust. Het contact tussen [minderjarige 2] en de man is op dit moment bovendien schadelijk. [bijzondere curator 1] meent dat de beëindiging van het gezamenlijk gezag een rol zou kunnen spelen in de verbetering van de huidige situatie (waar met name [minderjarige 2] in zit), dat zou in het belang van de minderjarigen zijn. Dat maakt het voor de instanties namelijk makkelijker om zich te richten op het hoogstnoodzakelijke, namelijk de behandeling van de minderjarigen, in plaats van op de communicatie met de man.

De gecertificeerde instelling heeft op de zitting, samengevat, verklaard dat zij overspoeld worden met mails vanuit de man. Daarbij wordt de man ook persoonlijk richting de jeugdbeschermers. Dat maakt de uitoefening van hun taak lastig. Hoewel de gecertificeerde instelling begrijpt dat de man er voor de minderjarigen wil zijn, helpt zijn gedrag daarbij niet. De gecertificeerde instelling ziet twee minderjarigen die erg belast worden door de huidige situatie. Het is triest dat [minderjarige 2] nu op een gesloten groep verblijft, maar dat is nodig om tot een eigen identiteit te komen. [minderjarige 2] wil geen gedoe en de gecertificeerde instelling denkt dat het een overlevingsstrategie van [minderjarige 2] is dat zij voor één ouder kiest. De gecertificeerde instelling zal -ook als dit hof beslist dat het gezag van de man over de minderjarigen wordt beëindigd - de man blijven betrekken bij de hulpverlening. De gezinsopname in [plaats 2] zal ook in dat geval gewoon doorgang kunnen vinden.

Oordeel van het hof

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de stukken en hetgeen op de zitting naar voren is gebracht, aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Ook acht het hof de beëindiging van het gezag van de man in het belang van de minderjarigen noodzakelijk. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Sinds de bestreden beschikking heeft er een heftig incident plaatsgevonden met [minderjarige 2] die er, in combinatie met andere ontwikkelingen nadien, uiteindelijk toe heeft geleid dat [minderjarige 2] inmiddels op een gesloten groep van [accommodatie voor jeugdhulp] verblijft. De hulpverlening is gestagneerd en [minderjarige 2] wil, hoewel de vrouw iedere week naar [accommodatie voor jeugdhulp] komt, haar moeder niet zien. De situatie met [minderjarige 1] is wat stabieler dan voorheen, maar ook zij heeft dringend behoefte aan hulpverlening. Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is en dat beëindiging van het gezamenlijk gezag een verstrekkende beslissing is die niet lichtvaardig moet worden genomen. Het hof is echter van oordeel dat het in dit geval in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat de hen geboden hulpverlening zo spoedig mogelijk doorgang vindt en zo min mogelijk wordt belemmerd. Dat is het allerbelangrijkste dat er nu voor de minderjarigen moet gebeuren. Het hof stelt vast dat er al jarenlang hulpverlening betrokken is, maar dat dat tot nu toe nog niet tot een wezenlijke verbetering heeft geleid. Er zijn ook al langere tijd twee bijzondere curatoren benoemd en er zijn twee vaste jeugdbeschermers betrokken. Alle betrokken hulpverleningsinstanties geven aan last te hebben van de manier waarop de man gebruik maakt van zijn gezag, waardoor de hulpverlening al langere tijd onvoldoende van de grond komt. Meerdere hulpverleningsinstanties hebben al aangegeven niet langer met de man te kunnen en willen werken. In het dossier komt van veel verschillende kanten, waaronder naast hulpverleningsinstanties ook eerdere rechters en de bijzondere curatoren, naar voren dat het handelen van man erg belastend is voor alle bij deze zaak betrokkenen. De zeer formalistische strijd van de man voor een handelen van eenieder dat steeds strikt in overeenstemming met alle regels dient plaats te vinden, en waarbij overal vooraf voorwaarden aan worden gesteld, gecombineerd met een sterk zwart/wit-beeld van de wereld om hem heen, moet in het belang van de minderjarigen stoppen. Hiermee wordt immers voorbijgegaan aan de werkelijke belangen van de minderjarigen, en de man komt hiermee tussen de hulpverlening en de minderjarigen te staan. Deze houding heeft een schadelijk effect en versterkt – ondanks alle goede bedoelingen van de man – uiteindelijk hun problematiek. [minderjarige 2] verblijft inmiddels zelfs op een gesloten plek, onder meer om op die manier los te komen van de (ideeën van de) man en te leren voor zichzelf te denken. Dat is een situatie die door alle betrokkenen als heel verdrietig wordt gezien, maar de realiteit is dat beide minderjarigen nog een lange weg hebben af te leggen, met inzet van intensieve en stabiel voortgezette hulpverlening. [minderjarige 1] wacht nu op een behandeling bij Level en het hele gezin zal - naar verwachting in het voorjaar van 2026 - bij de afdeling [hulpverleningsinstantie] , deels intern, een intensief en langdurig traject gaan volgen. De verwachting is dat de hulp beter, sneller en stabieler ingezet zal kunnen worden als de hulpverlenende instanties niet voor elke beslissing de toestemming van de man nodig hebben. Op dit moment stagneert de hulpverlening daar namelijk regelmatig door. De beëindiging van het gezag van de man over de minderjarigen is daarvoor op dit moment noodzakelijk. Daarbij neemt het hof in het bijzonder nog in overweging dat de gecertificeerde instelling op de zitting heeft toegezegd de man ook na beëindiging van zijn gezag over de minderjarigen bij de hulpverlening te zullen blijven betrekken en heeft aangegeven dat de gezinsopname in [plaats 2] gewoon kan doorgaan. Het hof ziet dat de man het beste voor de minderjarigen wil, maar door de wijze van zijn handelen komt de hulp voor hen nu onvoldoende van de grond. Het hof zal daarom de bestreden beschikking vernietigen en het inleidende verzoek van de vrouw alsnog toewijzen en hoopt en verwacht, net als de gecertificeerde instelling en de bijzondere curatoren, dat de hulpverleningsinstanties daardoor zo snel en zo goed als mogelijk aan hun inhoudelijke werk en kerntaken zullen toekomen.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, en, opnieuw beschikkende:

beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat het gezag over de minderjarigen voortaan alleen aan de vrouw toekomt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregister een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Rotterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het Centraal Gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.F. Mollema, C.M. van der Kleijn en B. du Fossé, bijgestaan door mr. B. Klous als griffier en is op 21 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?