GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.362.946/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-7248
zaaknummer rechtbank : C/09/692115
beschikking van de meervoudige kamer van 30 januari 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,
tegen
[de moeder] ,
wonende te Zweden,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J. Mulder te Rotterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
Als informant is aangemerkt:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.
1. De zaak en de beschikking in het kort
Deze zaak gaat over de teruggeleiding van de hierna te noemen minderjarige vanuit Nederland naar Zweden. De rechtbank Den Haag heeft op 14 november 2025 bij tussenbeschikking de gecertificeerde instelling met de voorlopige voogdij over de minderjarige belast vanaf 14 november 2025 tot het moment – voor zover het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarige zal worden toegewezen – dat die beslissing tot teruggeleiding ten uitvoer zal zijn gelegd. Vervolgens heeft de rechtbank Den Haag in de beschikking van 15 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) op verzoek van de moeder de terugkeer van de minderjarige gelast naar Zweden.
De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Hij wil dat het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Zweden alsnog wordt afgewezen. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.
In deze beschikking wijst het hof het hoger beroep van de vader af. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en geen andere beslissing neemt dan de rechtbank.
Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en het geschil in hoger beroep. Daarna geeft het hof de standpunten van partijen weer en motiveert het hof zijn beslissing.
2. Het geding in hoger beroep
De vader is op 29 december 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder heeft op 9 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
Op 8 januari 2026 is bij het hof een e-mailbericht van de gecertificeerde instelling ingekomen, waarbij de gecertificeerde instelling heeft verzocht om te worden betrokken in deze procedure. Het hof heeft de gecertificeerde instelling vervolgens bij brief van 9 januari 2026 als informant opgeroepen voor de mondelinge behandeling.
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
een e-mailbericht van de bijzondere curator van 9 januari 2026, met daarbij haar verslag;
een e-mailbericht van de zijde van de vader van 12 januari 2026, met daarbij het verslag van de bijzondere curator in eerste aanleg en het bericht van de vader van 27 november 2025;
een e-mailbericht van de zijde van de vader van 13 januari 2026 met daarbij het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 6 november 2025;
een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 15 januari 2026, inhoudende een nadere specificatie van de kosten.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft het hof de minderjarige, in het bijzijn van de bijzondere curator, gesproken.
De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk [tolk] (tolknummer: [tolknummer] );
de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de tolk [tolk] (tolknummer: [tolknummer] );
de bijzondere curator;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de gecertificeerde instelling, via videoverbinding vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
Het hof heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan [stagiaire] , stagiaire van de bijzondere curator.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen, die aan het dossier is toegevoegd.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de feiten zoals de rechtbank die in de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest en zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: de minderjarige), geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , Turkije.
De moeder heeft de Syrische nationaliteit, de vader en de minderjarige hebben de Egyptische nationaliteit.
De moeder verblijft in Zweden en beschikt over een Zweedse permanente verblijfstitel, afgegeven op 15 september 2023 en geldig tot en met 14 september 2028.
De vader en de minderjarige verblijven in Nederland.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de terugkeer gelast van de minderjarige naar Zweden op uiterlijk 2 januari 2026, waarbij de vader de minderjarige naar Zweden moet brengen en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarige naar Zweden te brengen, dat de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 2 januari 2026, opdat de moeder de minderjarige zelf mee kan nemen naar Zweden. Verder is de vader veroordeeld tot betaling aan de moeder van proceskosten en de door haar in verband met de onderhavige teruggeleidingsprocedure gemaakte kosten van in totaal € 1.545,52. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Tenslotte heeft de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 2 januari 2026 beëindigd, voor zover er geen hoger beroep werd ingesteld tegen de bestreden beschikking.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en tevens het verzoek van de moeder om de minderjarige terug te geleiden naar Zweden alsnog af te wijzen, met veroordeling van de vrouw tot vergoeding aan de man van de door hem gemaakte kosten in beide procedures.
De moeder verzoekt het hof – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn grieven ongegrond te verklaren en zijn verzoeken in hoger beroep en eerste aanleg af te wijzen, althans zodanig te oordelen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
5. De motivering van de beslissing
Vooraf
Rechtsmacht van de Nederlandse rechter
Het hof zal ambtshalve vaststellen of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt om kennis te nemen van de onderhavige zaak. Daarbij is van belang dat de minderjarige voorafgaand aan de overbrenging van de minderjarige in Egypte verbleef en Egypte geen partij is bij het Haags Verdrag inzake de burgerlijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het Verdrag). Het gevolg hiervan is dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet kan worden vastgesteld volgens de bevoegdheidsregel die de Hoge Raad in het arrest van 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834 heeft geformuleerd voor verdragsgevallen. De rechtsmacht moet dan ook beoordeeld worden volgens de commune regels van het internationaal bevoegdheidsrecht. In dit geval is dat artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv). Volgens het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1085 kan de Nederlandse rechter op grond van dit wetsartikel rechtsmacht aannemen in een procedure tot teruggeleiding die op de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) berust en niet door het Verdrag wordt bestreken.
Artikel 3 sub a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft als de verzoeker of een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Aangezien de vader zijn woonplaats, zoals bedoeld in artikel 1:10 van het Burgerlijk Wetboek, in Nederland heeft, kan de Nederlandse rechter aan artikel 3 sub a Rv internationale bevoegdheid ontlenen om kennis te nemen van het verzoek tot teruggeleiding.
Toetsingskader
Aangezien Egypte geen partij is bij het Verdrag kan de verdragsregeling niet rechtstreeks worden toegepast voor de inhoudelijke beoordeling van het teruggeleidingsverzoek van de moeder. Volgens de Nederlandse wetgever doet de Nederlandse rechter er goed aan, bij de beoordeling van een teruggeleidingsverzoek in niet door het Verdrag bestreken gevallen, zich zoveel mogelijk te richten naar de inhoud van het Verdrag. Hiermee heeft de wetgever beoogd de behandeling van niet-verdragsgevallen zoveel mogelijk op dezelfde voet te laten geschieden als gevallen die wel door het Verdrag worden beheerst (zie Kamerstukken II 1987/1988, 20 462, nr. 3, blz. 4 en 14).
Tegen deze achtergrond bepaalt artikel 2 van de Uitvoeringswet dat de regeling in de Uitvoeringswet tevens van toepassing is in de gevallen van internationale kinderontvoering die niet door een verdrag worden beheerst. Verder bepaalt artikel 13 lid 3 van de Uitvoeringswet dat, in de gevallen waarin geen verdrag toepasselijk is, de rechter het teruggeleidingsverzoek kan afwijzen op de gronden vermeld in de artikelen 12, tweede lid, 13 en 20 van het Verdrag.
Het hof zal zich in deze zaak dan ook zo veel mogelijk richten naar de inhoud van het Verdrag bij de beoordeling van het teruggeleidingsverzoek van de moeder. Dat neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Om te beginnen dient het hof te beoordelen of sprake is van een ongeoorloofde overbrenging of vasthouding van de minderjarige. Op grond van artikel 3 van het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging, of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht op grond van het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
Het hof merkt op dat de initiële overbrenging van de minderjarige van Egypte naar Turkije ter beoordeling aan het hof voorligt. Dat de vader, nadat hij de minderjarige vanuit Egypte had meegenomen naar Turkije, met de minderjarige verder is gereisd via Griekenland en België naar Nederland, doet daaraan niet af.
Moment van overbrenging
Hoewel de vader tegen het door de rechtbank op 15 februari 2021 vastgestelde moment van overbrenging heeft gegriefd, overweegt het hof dat in hoger beroep niet is gebleken dat van een andere datum zou moeten worden uitgegaan. De vader heeft niet aangevoerd welke andere datum dan 15 februari 2021 zou moeten worden aangemerkt als het moment van overbrenging. De vader heeft zich slechts op het standpunt gesteld dat de moeder in eerste aanleg niet uitdrukkelijk heeft verzocht om 15 februari 2021 als moment van overbrenging aan te merken. Deze principiële stelling leidt er niet toe dat ook aan de juistheid van dit moment moet worden getwijfeld. Het hof is van oordeel dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat beide partijen uitgaan van een moment op of rondom 15 februari 2021, wanneer zij vertellen over het moment dat de vader de minderjarige vanuit Egypte heeft meegenomen naar Turkije. Het hof ziet, op grond van de niet nader onderbouwde stelling van de vader, geen aanleiding om uit te gaan van een ander moment van overbrenging en gaat daarom net zoals de rechtbank uit van 15 februari 2021.
Gewone verblijfplaats
De ouders zijn het niet met elkaar eens over de vraag in welk land de minderjarige voorafgaand aan de overbrenging zijn gewone verblijfplaats had. Volgens de vader is de gewone verblijfplaats van de minderjarige sinds zijn geboorte in 2017 in Turkije gebleven. De vader stelt dat het altijd de bedoeling van partijen is geweest dat het verblijf van de moeder en de minderjarige in Egypte van tijdelijke aard zou zijn. De moeder stelt dat de ouders vanaf de geboorte van de minderjarige tot 2019 weliswaar in Turkije woonden, maar dat de minderjarige in 2019 met de moeder naar Egypte is verhuisd, met de intentie om daar langdurig te verblijven, omdat de moeder langdurig niet kon terugkeren naar Turkije. Volgens de moeder is Egypte daarmee de gewone verblijfplaats van de minderjarige geworden.
Het hof stelt voorop dat het conflictenrechtelijke begrip ‘gewone verblijfplaats van een minderjarige’ een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaand aan zijn overbrenging maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Het hof overweegt dat de minderjarige in Turkije is geboren en de eerste – ongeveer – 2,5 jaar van zijn leven in Turkije heeft gewoond. Geen van de ouders had echter een geldige en rechtmatige verblijfsstatus in Turkije. Toen de moeder na een familiebezoek in Egypte niet kon terugkeren naar Turkije, omdat aan haar een inreisverbod van vijf jaar was opgelegd, hebben partijen er gezamenlijk voor gekozen dat de moeder met de minderjarige in Egypte zou blijven wonen. De vader is na enige tijd naar Turkije teruggekeerd om daar zijn werk te kunnen voortzetten. De vader had daar op dat moment nog steeds geen geldige verblijfsstatus. Na een korte periode bij de ouders van de vader te hebben ingewoond, hebben de moeder en de minderjarige een eigen (huur)woning in Egypte betrokken. De minderjarige was op dit moment nog erg jong en daarom volledig afhankelijk van zijn moeder als zijn hoofdverzorger. Doordat het inreisverbod aan de moeder was opgelegd voor de duur van vijf jaar, was het voor de ouders duidelijk dat deze situatie langere tijd zou gaan duren. Het was dan ook de bedoeling van de ouders dat de minderjarige in de komende jaren in Egypte naar school zou gaan en daar zijn sociale leven verder zou opbouwen. De vader heeft ook altijd met het verblijf van de minderjarige in Egypte ingestemd. Er was ook geen garantie dat het inreisverbod van moeder zou kunnen worden opgeheven of dat de moeder na afloop van het inreisverbod wel weer (rechtmatig) naar Turkije zou kunnen reizen en daar zou kunnen verblijven. De instemming van de vader veranderde pas toen hij aanleiding zag om de minderjarige mee te nemen naar Turkije. Die aanleiding bestond naar eigen zeggen van de vader toen hij de moeder en de minderjarige spontaan in Egypte bezocht en, volgens de vader meerdere mannen, volgens de moeder één andere man, in het appartement aantrof. De vader heeft de minderjarige diezelfde dag nog, zonder overleg, meegenomen. Het hof acht aannemelijk dat het verblijf van de minderjarige in Egypte langere tijd zou hebben voortgeduurd als de vader de minderjarige op dat moment niet had meegenomen naar Turkije. Daarnaast weegt het hof mee dat de minderjarige de Egyptische nationaliteit heeft. Net als de rechtbank is het hof aldus van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige – gelet op alle relevante omstandigheden – voorafgaand aan het moment van overbrengen Egypte was.
Gezag
Om te beoordelen of sprake is van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van het Verdrag, is – samengevat – ook relevant hoe de gezagssituatie was naar het recht van het land waar de minderjarige onmiddellijk voor zijn overbrenging zijn gewone verblijfplaats had en of dit daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van overbrenging. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op de juiste gronden heeft geoordeeld dat de ouders op het moment van overbrenging allebei niet gerechtigd waren om zonder de toestemming van de andere ouder de beslissing te nemen om de minderjarige mee te nemen. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Voor zover de vader stelt dat de moeder haar gezagsrecht nadien niet meer zou hebben uitgeoefend, is dat in de beoordeling van dit onderdeel niet relevant, nu het peilmoment voor dit onderdeel ‘onmiddellijk voor de overbrenging’ is.
Toestemming
Verder heeft de vader in het kader van artikel 3 van het Verdrag gesteld dat de moeder voorafgaand aan het moment van overbrenging – zowel mondeling als schriftelijk – toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de minderjarige vanuit Egypte naar Turkije. Hij stelt dat de overbrenging van de minderjarige met medeweten van de moeder heeft plaatsgevonden. De moeder heeft tijdens de zitting in hoger beroep opnieuw uitgebreid toegelicht hoe en onder welke omstandigheden de vader de minderjarige onverwacht bij haar heeft weggehaald in Egypte. Zij stelt vervolgens onder grote druk en na mishandeld te zijn door vader en zijn familie op dat moment te hebben meegewerkt aan het vertrek van de minderjarige. De moeder stelt daarbij dat zij op dat moment niet wist dat de vader vervolgens met de minderjarige naar Turkije zou gaan. De vader heeft deze door de moeder gestelde omstandigheden onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voor zover de vader stelt dat de moeder ook schriftelijk toestemming zou hebben gegeven voor het vertrek van de minderjarige met de vader naar Turkije, had het op zijn weg gelegen om deze schriftelijke verklaring over te leggen. Dat heeft hij nagelaten. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat de vader – afhankelijk van de gebleken omstandigheden – niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat de moeder duidelijk en ondubbelzinnig toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de minderjarige van Egypte naar Turkije.
(On)geoorloofde overbrenging
Gelet op het voorgaande komt het hof – net zoals de rechtbank – tot het oordeel dat de overbrenging van de minderjarige van Egypte naar Turkije aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
Aangezien er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging, wordt op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank. Dat er in het onderhavige geval de termijn van één jaar is verstreken, is niet in geschil.
Op grond van artikel 12 lid 2 van het Verdrag wordt ook in dergelijke gevallen de terugkeer van de minderjarige alsnog gelast, tenzij wordt aangetoond dat de minderjarige inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving. De vader heeft gesteld dat de minderjarige inmiddels in Nederland is geworteld. Hij voert daartoe aan dat de minderjarige inmiddels al twee jaar in Nederland woonachtig is. De minderjarige kan zich verstaanbaar maken in het Nederlands en het Engels en naar verwachting zal hij binnenkort doorstromen van zijn huidige taalonderwijs naar het reguliere basisonderwijs. De minderjarige heeft een sociale omgeving opgebouwd in zijn huidige woonomgeving. Ondanks dat de uitkomst van de asielprocedure op dit moment nog niet duidelijk is, verwacht de vader dat een asielstatus zal worden verleend.
De moeder heeft hiertegenover gesteld dat de verblijfsstatus van de minderjarige in Nederland tijdelijk en onzeker is. Zij acht de kans dat de minderjarige in Nederland voor een verblijfsstatus in aanmerking komt verwaarloosbaar. Buiten de AZC-opvang heeft de minderjarige beperkte sociale contacten.
Het hof overweegt als volgt. De vraag of sprake is van worteling moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het concrete geval, waarbij tijdsverloop één van de factoren is. Er moet verder gekeken worden naar zowel de fysieke als de emotionele band die het kind inmiddels met zijn nieuwe omgeving heeft gekregen. Het hof overweegt in dit kader dat het bij worteling niet alleen gaat om het nieuwe ‘gezinsverband’ maar ook om externe relaties, zoals overige familie, vriendjes, school en sport. Hoewel de vader heeft gesteld dat de minderjarige sinds januari 2024 in Nederland verblijft, staat de minderjarige volgens de Basisregistratie Personen pas sinds 1 september 2024 in Nederland ingeschreven. De vader heeft ook geen stukken overgelegd waaruit de juistheid van zijn stelling blijkt, zodat het hof er vanuit gaat dat de minderjarige sinds 1 september 2024 in Nederland verblijft. De minderjarige is vanuit Turkije via Griekenland en België in Nederland terechtgekomen en had voordien geen connectie met Nederland. Na aankomst in Nederland heeft de vader een asielaanvraag ingediend en hebben de vader en de minderjarige eerst in een AZC verbleven. Dit verblijf was van tijdelijke aard en de sociale omgeving aldaar is wisselend. Inmiddels wonen de minderjarige en de vader in een woning van een vriend van de vader in [plaats] . Hoewel de vader heeft aangegeven dat hij daar kan blijven wonen zolang dat nodig is, is dat naar het oordeel van het hof ook geen bestendige situatie. De toekomst van de minderjarige (en de vader) in Nederland is ook tijdens deze procedure in hoger beroep nog uiterst onzeker en onduidelijk. De enkele ontplooiingen van de minderjarige die de vader benoemt, zijn van na de indiening van het verzoek in eerste aanleg en het hof acht deze ontwikkelingen daarmee van onvoldoende invloed en onvoldoende bestendig om tot worteling van de minderjarige te concluderen. Verder overweegt het hof dat de bijzondere curator heeft toegelicht dat de wereld van de minderjarige in Nederland erg klein is. Hij heeft enkele activiteiten en kent zijn ritme in Nederland, maar kan niet overzien wat het zou betekenen om wel of niet in Nederland te blijven. Logischerwijs is de minderjarige in Nederland erg op zijn vader gericht, daarbuiten heeft hij maar zeer beperkt sociale contacten. Alle omstandigheden in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de minderjarige niet in Nederland geworteld is.
Nu er geen sprake is van worteling in de zin van artikel 12 lid 2 van het Verdrag, dient de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te worden gelast. De moeder heeft in eerste aanleg terugkeer naar een ander land gevraagd dan de gewone verblijfplaats van het kind voorafgaand aan de overbrenging, namelijk naar Zweden in plaats van Egypte. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit volgens het Toelichtend rapport van Pérez-Vera mogelijk is, bijvoorbeeld indien de achtergebleven ouder daar niet langer woont.
Dit is slechts anders indien sprake is van één of meer weigeringsgronden. In hoger beroep doet de vader een beroep op de weigeringsgronden van artikel 13 lid 1 sub a en artikel 13 lid 1 sub b en lid 2 van het Verdrag.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag (toestemming of berusting)
Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden om de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.
Voor zover de vader in de context van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag heeft gesteld dat de moeder ten tijde van de overbrenging niet daadwerkelijk het gezag uitoefende over de minderjarige, oordeelt het hof dat dit onvoldoende is gesteld of gebleken. De minderjarige woonde in Egypte samen met zijn moeder en zij was aldaar, omdat de vader op afstand was, verantwoordelijk voor de (dagelijkse) opvoeding en verzorging van de minderjarige. De moeder heeft het gezagsrecht daarmee daadwerkelijk uitgeoefend.
De vader heeft gesteld dat de moeder na de overbrenging erin heeft toegestemd dat de minderjarige niet naar haar zou terugkeren ofwel dat zij in de overbrenging heeft berust. Hij stelt dat de moeder jarenlang, stelselmatig en bij herhaling, heeft ingestemd met en berust in het verblijf van de minderjarige bij zijn vader. Ze heeft al die tijd haar gezagsrecht niet aangewend om een terugkeer van de minderjarige te verzoeken. Zelfs toen zij bekend raakte met het verblijf van de vader en de minderjarige in Nederland heeft zij nog geruime tijd gewacht met het starten van deze procedure.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder toegelicht dat zij zich na de overbrenging van de minderjarige heeft laten adviseren door een Egyptische advocaat. Op basis van het advies van deze advocaat is de moeder in Egypte een procedure gestart om het eenhoofdig gezag over de minderjarige toegewezen te krijgen. De rechter in Egypte heeft haar dit eenhoofdig gezag ook toegekend. Vervolgens waren haar juridische mogelijkheden, vertrouwend op het advies van haar Egyptische advocaat, uitgeput. De moeder is daarna vanwege een situatie die zich voordeed in verband met haar werk – voor haar ook plotseling – na kort een verblijf in Libanon op humanitaire gronden naar Zweden verhuisd. Toen zij daar aankwam, heeft zij, nog voordat de vader en de minderjarige Turkije verlieten, het initiatief genomen tot gezinshereniging in Zweden. Kort daarna is de vader echter met de minderjarige via Griekenland en België naar Nederland vertrokken, waardoor gezinshereniging op dat moment niet meer mogelijk was.
Het hof stelt voorop dat berusting in de zin van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag slechts onder strenge voorwaarden kan worden aangenomen. Om te beoordelen of sprake is van berusting van de achtergebleven ouder dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de achtergebleven ouder zelf, zowel in actieve als in passieve zin en niet naar de wijze waarop anderen deze gedragingen hebben opgevat. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de achtergebleven ouder heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van het kind voortaan in Turkije respectievelijk in Nederland zou zijn. Berusting kan onder omstandigheden ook worden aangenomen op basis van een eenmalig of kortstondige, doch ondubbelzinnige en weloverwogen instemming met het definitieve verblijf van het kind in de nieuwe verblijfplaats (zie HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6126).
Het hof overweegt dat voldoende is gebleken dat de moeder in Egypte direct haar juridische mogelijkheden heeft onderzocht om de minderjarige bij haar terug te laten keren. Niet weersproken is dat de vader de verblijfsvergunning van de moeder heeft afgenomen toen hij de minderjarige bij haar weghaalde. Hierdoor heeft de moeder pas op een later moment aangifte kunnen doen. Daarnaast heeft zij contact gezocht met een Egyptische advocaat met wie zij haar mogelijkheden heeft besproken. De rechten van de moeder waren, zoals zij heeft toegelicht, beperkt, omdat zij overspel had gepleegd. De moeder is vervolgens op advies van haar Egyptische advocaat een echtscheidingsprocedure gestart en een procedure waarin zij eenhoofdig gezag heeft gevraagd. Doordat de moeder in deze procedure – op advies van haar advocaat – de stelling had ingenomen dat de minderjarige bij haar was, was het daarna niet mogelijk een teruggeleidingsprocedure te starten. Het hof overweegt dat Egypte, anders dan Turkije, geen partij is bij het Verdrag, waardoor het hof aannemelijk acht dat de Egyptische advocaat de moeder niet heeft geadviseerd om in Turkije een procedure op grond van het Verdrag te starten. Bovendien gold voor de moeder op dat moment nog het inreisverbod in Turkije, waardoor het voor haar lastig was om aldaar juridisch advies in te winnen en mogelijk een procedure te starten. Hoewel er, naast de mogelijkheden die de moeder heeft aangewend, wellicht ook nog andere (juridische) mogelijkheden waren geweest, heeft de moeder voldoende onderbouwd waarom zij die in die periode niet heeft aangewend of niet heeft kunnen aanwenden. Het hof gaat dus niet mee in de stelling van de vader dat de moeder in 2020 en 2021 doelbewust heeft nagelaten om enige actie te ondernemen. Nadat de moeder in Zweden een permanente verblijfsvergunning kreeg, heeft zij vrijwel direct een verzoek tot gezinshereniging in Zweden ingediend. Gelijktijdig met haar inspanningen voor een verzoek tot gezinshereniging in Zweden is de vader echter met de minderjarige naar Griekenland vertrokken. Ook toen eenmaal duidelijk werd dat de vader vanuit Turkije met de minderjarige naar Griekenland was gereisd, heeft de moeder haar best gedaan om contact met de minderjarige (en de vader) te onderhouden. Dat de moeder in dit contact uitlatingen heeft gedaan met de strekking dat ze hoopte dat de reis veilig zou verlopen, kunnen niet worden beschouwd als berusting in het verblijf van de minderjarige bij de vader. De moeder heeft voldoende toegelicht dat zij pas hoorde dat de vader met de minderjarige via Griekenland verder Europa in wilde reizen toen de vader al met deze reis was gestart. Het is naar het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk dat de moeder zich daarmee voor een voldongen feit gesteld voelde. Het hof overweegt verder dat de moeder pas in december 2024 wist dat de vader en de minderjarige inmiddels in een AZC in Nederland verbleven. De moeder heeft zich toen in eerste instantie willen inspannen voor herstel van het contact tussen haar en de minderjarige, zeker nu zij elkaar al geruime tijd niet meer hadden gezien. De moeder vreesde dat de vader opnieuw met de minderjarige op de vlucht zou gaan wanneer zij direct een teruggeleidingsverzoek zou indienen. In het belang van contactherstel heeft de moeder nog enige tijd gewacht met het indienen van het verzoek. Dat kan naar het oordeel van het hof niet worden gezien als een berusting in het verblijf van de minderjarige bij de vader in Nederland.
Naar oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de moeder heeft ingestemd met of berust in de overbrenging van de minderjarige, waardoor het beroep van de vader op deze weigeringsgrond niet slaagt.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag (ondragelijke toestand)
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van de minderjarige te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht. De vader heeft gesteld dat de minderjarige nog nooit in Zweden is geweest en dat land dus ook niet kent en de Zweedse taal niet spreekt. Er is te veel onduidelijkheid over de situatie van de moeder in Zweden. De vader betwist dan ook dat de moeder de minderjarige daar kan opvoeden en verzorgen. Daarnaast is niet aangetoond dat de minderjarige verblijfsrechtelijk in Zweden kan en mag verblijven, zeker omdat Zweden een zeer streng asielbeleid hanteert en de moeder jarenlang nauwelijks contact heeft gehad met de minderjarige. Het contact dat de moeder en de minderjarige hebben gehad, is voor de minderjarige erg verwarrend geweest.
De moeder heeft hiertegenover gesteld dat zij inmiddels een permanente verblijfsstatus heeft in Zweden. Haar woon- en leefsituatie is stabiel, want zij heeft woonruimte, waarin ook een eigen slaapkamer voor de minderjarige aanwezig is en zij kan de minderjarige in Zweden opvoeden. Haar ouders en een aantal andere familieleden zijn ook in Zweden woonachtig. De moeder heeft zich al georiënteerd op mogelijke hulpverlening voor de minderjarige in Zweden, nu hij in zeer korte tijd veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en mogelijk nog zal meemaken.
Het hof overweegt dat de permanente verblijfsstatus van de moeder en de onderschreven verwachting dat de minderjarige ook een permanente verblijfsstatus zal krijgen, voldoende basis zijn om aan te nemen dat de minderjarige in verblijfsrechtelijke zin niet in een langdurig onzekere en ondragelijke situatie terecht zal komen bij terugkeer naar zijn moeder. De moeder heeft voldoende toegelicht dat zij in Zweden beschikt over een familiair sociaal netwerk dat haar kan ondersteunen bij de opvoeding en verzorging van de minderjarige. De moeder volgt een opleiding en heeft zicht op een goede baan in de (nabije) toekomst. De moeder heeft zich op de zitting uitdrukkelijk bereid verklaard om de hulpverlening die in Zweden nodig zou zijn voor de minderjarige te accepteren. Ook heeft zij aangevoerd dat zij aan het contact tussen de vader en de minderjarige niet in de weg zal staan. Het hof overweegt dat dit, zoals ook de raad, de bijzondere curator en de gecertificeerde instelling hebben onderschreven, heel belangrijk voor de minderjarige is. Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft er een spontaan contact tussen de moeder en de minderjarige plaatsgevonden. Door partijen, de raad en de bijzondere curator is verklaard dat dit een prettig moment is geweest, dat door de vader overigens ook goed is begeleid. Hieruit blijkt naar oordeel van het hof dat de moeder geen onbekende is voor de minderjarige en dat er sprake is van een goede hechting tussen moeder en zoon, ook al heeft de minderjarige haar langere tijd niet gezien. Zoals de raad op de zitting heeft aangevoerd, is het voor de minderjarige met name van belang dat er een manier kan worden gevonden waarop hij beide ouders in zijn leven kan en mag hebben. De bijzondere curator heeft aangevoerd dat beide situaties voor de minderjarige ingewikkeld zullen zijn. Het hof is in ieder geval niet gebleken dat de minderjarige bij terugkeer naar de moeder in Zweden in een ondragelijke toestand zal komen te verkeren, waarmee het beroep van de vader op deze weigeringsgrond niet slaagt.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechter eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.
De vader heeft, bij herhaling van zijn grieven in eerste aanleg, gesteld dat de minderjarige zich verzet tegen een vertrek naar Zweden. Het hof is van oordeel dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat de minderjarige zich tegen een vertrek naar Zweden verzet. Nog daargelaten of de minderjarige een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt zodat daarmee rekening had kunnen worden gehouden als daarvan wel sprake was. Uit het verslag van de bijzondere curator is gebleken dat de minderjarige de gevolgen van een vertrek naar Zweden, mede gelet op zijn jonge leeftijd, niet kan overzien. Zo geeft de minderjarige bij de bijzondere curator aan dat hij de verwachting heeft dat hij in Zweden geen geld zal hebben. Het is voor het hof onduidelijk hoe deze verwachting bij de minderjarige is ontstaan. Het hof overweegt dat verzet van een minderjarige tegen terugkeer meer inhoudt dan een eventuele wens van de minderjarige om vast te houden aan dat wat voor hem nu bekend is. Gelet op het feit dat de minderjarige al enkele jaren met alleen zijn vader als opvoeder samenleeft, is het begrijpelijk dat de minderjarige erg op hem is gericht. Gelet op het vorenstaande slaagt het beroep van de vader op deze weigeringsgrond niet.
Bewijsaanbod
Voor zover de vader in dit hoger beroep een bewijsaanbod heeft gedaan, passeert het hof dit aanbod nu het algemeen en ongespecificeerd is en het hier een spoedprocedure betreft gericht op een ordemaatregel van onverwijlde teruggeleiding ingeval van kinderontvoering.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande is er geen sprake van een van de weigeringsgronden en daarom dient op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, in dit geval naar Zweden, nu de moeder daar verblijft. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking in zoverre zal bekrachtigen.
Nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding als gevolg van dit hoger beroep inmiddels is verstreken, zal het hof bepalen dat de vader de minderjarige uiterlijk op vrijdag 13 februari 2026 naar de moeder in Zweden dient te brengen. Indien de vader dit nalaat, beveelt het hof dat de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 13 februari 2026, zodat de moeder de minderjarige zelf mee kan nemen naar Zweden.
Kosten
Op grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering kan de rechter, voor zover hier van belang, desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de Centrale Autoriteit, of aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.
De moeder heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verzocht om de vader te veroordelen in de (proces)kosten in het kader van de ontvoering en teruggeleiding. In eerste aanleg gaat het om € 507,- aan proceskosten en € 1.038,52 aan reiskosten, bezoekkosten en de kosten voor de mediation. Zij heeft deze kosten bij haar e-mailbericht van 15 januari 2026 vermeerderd met de volgende kosten: € 286,72 voor de vlucht vanuit Stockholm naar Amsterdam, € 327,80 voor verblijf in Den Haag, naar verwachting € 373,- aan griffierecht en € 420,- aan eigen bijdrage voor de toevoeging.
Het hof ziet in de feiten en omstandigheden zoals hiervoor vermeld aanleiding om de vader te veroordelen in de door de moeder in hoger beroep gemaakte kosten als gevolg van het ongeoorloofd overbrengen van de minderjarige. Om die reden zal het hof de kostenveroordeling van de rechtbank in eerste aanleg in stand laten. Het hof maakt een onderscheid tussen de gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding en de proceskosten. Ten aanzien van de gemaakte proceskosten in hoger beroep ziet het hof geen aanleiding af te wijken van het algemene uitgangspunt in familierechtelijke geschillen. Het hof zal daarom de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Ten aanzien van de in verband met de ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten in hoger beroep, zal het hof het door de moeder verzochte bedrag toewijzen, nu de moeder deze kosten met stukken heeft onderbouwd en het hof de hoogte van de kosten aannemelijk acht. Voor zover de vader heeft gesteld dat deze kosten onvoldoende verband houden met de ontvoering en teruggeleiding, oordeelt het hof dat voldoende vast staat dat de genoemde kosten naar hun aard voldoende verband houden met de ontvoering en teruggeleiding.
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ook ten aanzien van de (proces)kostenveroordeling bekrachtigen. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren en de vader veroordelen tot betaling van de door de moeder in hoger beroep in verband met de ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten.
Bijzondere curator en voorlopige voogdij
Zowel de bijzondere curator als de gecertificeerde instelling hebben ter zitting expliciet toegezegd zorg te dragen voor een goede overdracht van de minderjarige. De bijzondere curator zal de beslissing op een voor de minderjarige passende wijze met hem bespreken. De bijzondere curator zal daarom pas van haar taak worden ontslagen met ingang van de datum van teruggeleiding. Nu de gecertificeerde instelling door de rechtbank met voorlopige voogdij is belast tot het moment dat de beslissing tot teruggeleiding ten uitvoer zal zijn gelegd, eindigt de voorlopige voogdij met ingang van de datum van teruggeleiding.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met dien verstande dat het hof:
de terugkeer van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , Turkije, gelast naar zijn moeder in Zweden, uiterlijk op 13 februari 2026, waarbij de vader de minderjarige naar Zweden dient te brengen en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarige naar Zweden te brengen, dat de vader de minderjarige op 13 februari 2026 met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven;
de vader veroordeelt in de door de moeder in verband met de ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 614,52;
deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaart;
de proceskosten in hoger beroep compenseert;
de bijzondere curator van haar taak ontslaat met ingang van de datum van teruggeleiding van de minderjarige.
het in hoger beroep meer of anders verzochte afwijst.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A.F. Donders, C.S.F. de Nijs en J. van der Hoeven, bijgestaan door mr. S.V.B. Bours als griffier, en is op 30 januari 2026 uitgesproken door mr. C.S.F. de Nijs in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.