ECLI:NL:GHDHA:2026:1217

ECLI:NL:GHDHA:2026:1217

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer 22-003710-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2022:13644

Samenvatting

Verkrachting, meermalen gepleegd. De verdachte was tijdens de feiten een man van in de veertig; het slachtoffer een jonge vrouw die vanwege haar verstandelijke beperking op het niveau van een vierjarige functioneert. Algemeen kader bewijs in zedenzaken. Verklaringen slachtoffer betrouwbaar, ondanks verschillen. Voldoende steunbewijs. Verklaring van de verdachte dat hij is gehackt is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Dwang door middel van (bedreiging met) andere feitelijkheden. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden met aftrek. Oplegging van een artikel 38v-maatregel in de vorm van een contactverbod. Integrale toewijzing van de vordering benadeelde partij (€ 20.000,00).

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-003710-22

Parketnummer: 09-034646-22

Datum uitspraak: 24 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 december 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Daarnaast is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2015 tot en met 18 augustus 2020 te

Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp [slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid, te weten

- het misbruik maken van verdachtes psychisch en/of fysiek overwicht op die

[slachtoffer] gelet op haar kwetsbaarheid en/of het leeftijdsverschil tussen hen,

- het dreigen die [slachtoffer] zwart te maken en/of te verlinken bij haar begeleiders als

ze niet met hem mee komt en/of,

- ( vervolgens) het duwen van het gezicht van die [slachtoffer] naar zijn mond, losmaken

van haar broek, heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] ,

- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] , althans het betasten van

de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de mond van die

[slachtoffer] ;

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 augustus 2015

tot en met 18 augustus 2020 te Delft, in elk geval in Nederland

[slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het

- ( meermaals) misbruik maken van verdachtes psychisch en/of fysiek overwicht op

die [slachtoffer] gelet op haar kwetsbaarheid en/of het leeftijdsverschil tussen hen,

- ( meermaals) dreigen die [slachtoffer] zwart te maken en/of het tegen de woongroep te

zeggen als zij niet iets voor hem doet,

- het met die [slachtoffer] in zijn auto rijden naar (de omgeving van) de Delftse hout en/of

een (afgelegen) parkeerplek en/of

- ( vervolgens) (meermaals) (met kracht) bewegen van de mond van die [slachtoffer] naar

zijn penis, (met kracht) losmaken en/of naar beneden trekken van haar broek en/of

doorgaan met de (seksuele) handelingen terwijl die [slachtoffer] aan het huilen is, hem

wegduwt en/of zegt dat ze naar huis wil, heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (meermaals)

- het betasten van de borsten en/of vagina van die [slachtoffer] ,

- het brengen van de hand van die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, penis en/of

(vervolgens) die [slachtoffer] hem laten aftrekken,

- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de mond van die

[slachtoffer] en/of

- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr zal worden opgelegd voor de duur van 5 jaren, inhoudende - kort gezegd - een contactverbod met het slachtoffer.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij in of omstreeks de periode van 22 december 2016 tot en met 17 april 2019 te

Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp [slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid, te weten

- het misbruik maken van verdachtes psychisch en/of fysiek overwicht op die

[slachtoffer] gelet op haar kwetsbaarheid en/of het leeftijdsverschil tussen hen,

- het dreigen die [slachtoffer] zwart te maken en/of te verlinken bij haar begeleiders als

ze niet met hem mee komt en/of,

- ( vervolgens) het duwen van het gezicht van die [slachtoffer] naar zijn mond, losmaken

van haar broek,

heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] ,

- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en het betasten van

de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de mond van die

[slachtoffer] ;

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 december 2016 tot en met 17 april 2019 te Delft, in elk geval in Nederland

[slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het

- (meermaals) misbruik maken van verdachtes psychisch en/of fysiek overwicht op

die [slachtoffer] gelet op haar kwetsbaarheid en/of het leeftijdsverschil tussen hen,

- (meermaals) dreigen die [slachtoffer] zwart te maken en/of het tegen de woongroep te

zeggen als zij niet iets voor hem doet,

- het met die [slachtoffer] in zijn auto rijden naar (de omgeving van) de Delftse hout en/of

een (afgelegen) parkeerplek en/of

- (vervolgens) (meermaals) (met kracht) bewegen van de mond van die [slachtoffer] naar

zijn penis, (met kracht) losmaken en/of naar beneden trekken van haar broek en/of

doorgaan met de (seksuele) handelingen terwijl die [slachtoffer] aan het huilen is, hem

wegduwt en/of zegt dat ze naar huis wil,

heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (meermaals)

- het betasten van de borsten en/of vagina van die [slachtoffer] ,

- het brengen van de hand van die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, penis en/of

(vervolgens) die [slachtoffer] hem laten aftrekken,

- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de mond van die

[slachtoffer] en/of

- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken moet worden van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en derhalve van het bewijs uitgesloten moeten worden. Voorts worden haar verklaringen niet ondersteund door ander bewijs. In dit verband stelt de raadsman zich op het standpunt dat de zich in het dossier bevindende berichten verstuurd via Social media, Whatsapp en SMS niet allemaal aan de verdachte toegeschreven kunnen worden, zodat deze berichten niet als steunbewijs kunnen dienen.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Juridisch kader

Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op elk onderdeel daarvan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.

Het hof stelt voorop dat het bij zedenzaken - waarin het vaak enkel de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van de aangeefster betreft - veelal aankomt op de vraag in hoeverre de door de aangeefster verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar vaste rechtspraak hoeft het steunbewijs echter geen betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Het is derhalve voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.

Het hof zal eerst beoordelen of de verklaringen van de aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te bezigen.

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster

Aangeefster heeft op drie verschillende momenten een verklaring afgelegd. Allereerst heeft zij op 10 juni 2021 aan haar persoonlijk begeleider verklaard wat zich tussen haar en de verdachte heeft afgespeeld. Daarnaast heeft aangeefster op 5 augustus 2021 en op 19 september 2022 tijdens een studioverhoor een verklaring afgelegd.

Het hof ziet, anders dan de raadsman heeft betoogd, geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Daartoe stelt het hof voorop dat de aangeefster in alle verklaringen gedetailleerd en voldoende consistent is geweest in de beschrijvingen van de seksuele handelingen die zij heeft moeten ondergaan en verrichten. Daar waar de verdediging heeft gewezen op discrepanties, zien deze naar het oordeel van het hof slechts op ondergeschikte onderdelen en doen zij niet af aan de kern van hetgeen aangeefster heeft verklaard. Zo volgt uit het verslag opgesteld door haar persoonlijk begeleider en de aangifte gedaan door die begeleider dat aangeefster tweemaal is verkracht door de verdachte, waarbij beide keren sprake was van vaginale penetratie met de penis van de verdachte. Daarna heeft aangeefster zelf tijdens haar studioverhoren verklaard dat zij driemaal is verkracht, waarbij de eerste keer geen sprake was geweest van vaginale penetratie met de penis van de verdachte, maar de andere twee keren wel. Ook heeft zij eerst verklaard dat één van de verkrachtingen in het bos heeft plaatsgevonden, waarna ze later heeft verklaard dat dit in de auto bij een bos heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van het hof zijn dit evenwel geen verschillen die afbreuk doen aan de kern van de verklaringen van aangeefster, die erop neerkomt dat de verdachte haar in zijn rode auto meermaals heeft verkracht. De verschillen zijn bovendien goed te verklaren door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet veroorzaakt door tijdsverloop of door emoties die zijn ontstaan naar aanleiding van het delict. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen van de aangeefster maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof komen de verklaringen van de aangeefster oprecht en authentiek over.

In dit verband houdt het hof bovendien rekening met de kwetsbaarheid van aangeefster. Uit het bij de aangifte gevoegde behandelplan blijkt dat zij een IQ van 65 heeft, waardoor zij op sociaal-emotioneel vlak functioneert als een jong kind, ongeveer op het niveau van een vierjarige. Het hof neemt dit in aanmerking bij de lezing en beoordeling van haar verklaringen en in het bijzonder ook de wijze waarop zij de gebeurtenissen heeft beschreven.

Met de rechtbank komt het hof aldus tot de conclusie dat aangeefster in de kern consistent heeft verklaard. In beide studioverhoren heeft zij immers verklaard over het aantal verkrachtingen en over de omstandigheid dat er bij de eerste gelegenheid geen seks heeft plaatsgevonden. Haar verklaringen komen ook overeen op het punt dat zij via een datingsite in contact is gekomen met de verdachte, die zich voordeed als ‘ [naam man] ’, een man van in de 20 die bij de Marechaussee werkt. Ook heeft zij eenduidig verklaard dat zij met de verdachte contact onderhield via verschillende berichtendiensten, waaronder WhatsApp, en dat zij later met de verdachte heeft gevideobeld en hij haar bedreigde en chanteerde om haar te bewegen om tot een fysieke ontmoeting over te gaan. Voorts heeft aangeefster consistent verklaard over de rode auto van de verdachte en dat zij tegen haar wil in die betreffende auto seksuele handelingen heeft moeten verrichten en heeft moeten ondergaan. Deze consistentie draagt voor het hof bij aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar verklaringen.

Het hof ziet overigens ook geen aanknopingspunten voor een (bij het standpunt van de verdachte passend) scenario waarin de aangeefster de aan verdachte verweten gebeurtenissen heeft verzonnen, de verdachte daarvan ten onrechte beschuldigt of de aard en ernst van hetgeen de verdachte heeft gedaan heeft aangedikt.

Aan het positieve oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster draagt ook bij het in hoger beroep – op verzoek van de verdediging – uitgevoerde onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.

In hoger beroep is drs. Van der Sleen als deskundige benoemd teneinde de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te onderzoeken. Op 14 februari 2024 heeft de deskundige hierover gerapporteerd.

Genoemde deskundige heeft ten aanzien van de verklaringen van aangeefster betreffende het tenlastegelegde als volgt geconcludeerd. De deskundige constateert dat er geen reden is om te veronderstellen dat de verklaring van aangeefster door een sturende werkwijze van de verhoorder tot stand is gekomen. In het dossier zijn geen aanwijzingen te vinden voor de mogelijkheid dat de verklaringen van aangeefster door (bewuste of onbewuste) beïnvloeding zijn ontstaan. Hoewel aangeefster gezien haar beperkingen mogelijk gemakkelijker te sturen is, geeft zij tijdens haar verhoor veel informatie uit zichzelf. De verklaringen van aangeefster zijn volgens de rapporteur niet problematisch inconsistent en er lijkt geen sprake te zijn van serieuze tegenstrijdigheden. Geconcludeerd wordt dat de verklaringen van aangeefster niet onvolledig zijn en dat zij gedetailleerd heeft verklaard over de aanloop naar de seksuele handelingen, de seksuele handelingen an sich en de context waarin die seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Voor de mogelijkheid dat aangeefster het verhaal over ‘ [naam man] ’ volledig heeft verzonnen of dat er sprake is van een misverstand en er iemand anders dan de verdachte de seksuele handelingen heeft verricht, biedt het dossier geen steun.

Naast voornoemd betrouwbaarheidsonderzoek heeft in hoger beroep tevens een reconstructie door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) plaatsgevonden naar de (on)mogelijkheid van een onderdeel van de door aangeefster benoemde gebeurtenissen. Volgens de verdediging bestond de noodzaak om te laten onderzoeken of hetgeen volgens aangeefster in de rode Peugeot 106 zou zijn gebeurd feitelijk gezien wel mogelijk is. Volgens aangeefster is de verdachte vanaf de bestuurdersstoel naar achteren gegaan en heeft hij haar vervolgens tegen haar wil vanaf de bijrijdersstoel naar achter getrokken, waarna op de achterbank seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De bevindingen van deze reconstructie zijn neergelegd in het rapport van het NFI van 21 oktober 2025, met daarbij een reconstructievideo. Uit dit onderzoek is een specifiek scenario naar voren gekomen waarbij de verklaring van aangeefster mogelijk lijkt. In dit scenario is aangenomen dat de bestuurdersstoel voorover is geklapt. Buiten dit specifieke scenario ziet het NFI geen mogelijkheid voor nader onderzoek waarmee uitgesloten kan worden dat het scenario waarover door aangeefster is verklaard mogelijk zou zijn. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat wat door de aangeefster is verklaard niet gebeurd kan zijn. De stelling van de verdediging dat van een dergelijke onmogelijkheid sprake is, vindt derhalve geen steun in de bevindingen van het NFI en wordt om die reden verworpen.

Het hof ziet, gezien het bovenstaande, geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen, zodat die verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Overigens vinden de verklaringen van aangeefster ook steun in het hierna te benoemen berichtenverkeer én in de verklaring van de verdachte, hetgeen het oordeel van het hof over de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster nog verder versterkt.

Steunbewijs

Nu het hof uitgaat van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor haar verklaringen. In dit geval wordt naar het oordeel van de rechtbank de aangifte in voldoende mate ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster worden ondersteund door de in het dossier bevindende WhatsApp-berichten, sms-berichten en berichten die via andere social media accounts zijn verstuurd.

Het hof overweegt hiertoe – voor een voornaam deel in navolging van de rechtbank - als volgt.

Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte is geweest die de voor het bewijs gebezigde berichten heeft verstuurd. Daartoe overweegt het hof dat bepaalde berichten afkomstig zijn van een account van de verdachte. Ook de aard en de inhoud van de berichten wijzen erop dat het de verdachte is die deze berichten heeft geschreven.

Allereerst heeft de verdachte bekend dat het Instagramaccount ‘ [accountnaam 1] ’ van hem is en dat hij via dat account de broer van aangeefster heeft benaderd. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat dit account gekoppeld kan worden aan de social media accounts ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 3] ’. Verder zijn de accountnamen ‘ [accountnaam 4] ’ en ‘ [accountnaam 5] ’ beide een keer ingetypt op de telefoon van de verdachte en zijn er dreigende en seksueel getinte berichten aangetroffen op de telefoon van de verdachte die zijn verzonden naar aangeefster. Voorts is er gesprek tussen aangeefster en ‘ [naam man] ’ aangetroffen, waarvan de politie heeft vastgesteld dat het telefoonnummer in gebruik was bij de verdachte. In de inhoud van de verstuurde berichten ziet het hof een treffende consistentie. Het gaat veelal over ‘ [naam man] ’ uit [plaats] die aangeefster wil helpen met onder andere verhuizen, maar boos en dreigend wordt als zij niet reageert of als haar broer en vrienden hem niet met haar in contact willen brengen. Daar komt bij dat sommige Whatsappberichten elkaar in de tijd direct opvolgen en een gezamenlijk gesprek vormen, terwijl de verdachte bekent een selectie van die berichten wel te hebben gestuurd.

Het scenario dat de telefoon van de verdachte is gehackt en dat iemand anders dan de verdachte specifieke berichten heeft verstuurd naar aangeefster acht het hof volstrekt onaannemelijk. Daarbij neemt het hof in overweging dat er in hoger beroep onderzoek is gedaan op de telefoon van de verdachte. Daarop zijn geen apps aangetroffen die wijzen op binnendringen van anderen op zijn telefoon. Daarnaast heeft de verdachte aangegeven geen bijzonderheden te hebben ondervonden aan zijn telefoon, hetgeen moeilijk te rijmen is met een scenario waarin sprake is van een ‘hack’.

Dat de verdachte een oude telefoon van hem aan aangeefster heeft gegeven (en dat daar door een ander de voor hem belastende berichten mee zijn verstuurd) is op geen enkele manier aannemelijk geworden. Het dossier biedt voor die stelling geen steun.

Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte deze berichten heeft geschreven.

De berichten bieden naar het oordeel van het hof voldoende steun aan de verklaringen van aangeefster. Zo stuurt de verdachte naar haar: ‘Zou een boel over willen doen maar dat kan helaas niet. Allermooiste was de eerste keer. Niets lukte maar het gevoel wat zo fijn met je’. Dat aangeefster niet verklaart over iets dat niet lukte de eerste keer maakt voor het hof niet dat dit bericht niet kan bijdragen aan het bewijs. Integendeel: dat er volgens aangeefster de eerste keer geen sprake is geweest van seksuele penetratie past juist bij de inhoud van dit bericht.

En dan is er nog het bericht van de verdachte naar aangeefster met de volgende inhoud: ‘Je haat me he’. Hierop antwoordt aangeefster met: ‘Uhm ja met die gebeurtenissen wel ik kan die niet vergeten’.

Verder steunbewijs ziet het hof in het berichtenverkeer tussen de broer van het slachtoffer en het Instagramaccount ‘ [accountnaam 4] ’. Vanaf dit account wordt het volgende bericht verstuurd: ‘Ik zat met je zus in [locatie 1] in [zorginstelling] . Als je wil doe haar dan de groetjes van me. En zeg maar dat ik de avonturen in het rode autootje mis met haar. Dan weet ze het wel’. De verdachte heeft bekend dat hij aangeefster meermaals met een rode auto heeft opgezocht, terwijl de bewoordingen van het bericht (in het bijzonder het woord ‘avonturen’) niet passen bij de lezing van de verdachte, waarin hij zich – in de kern – op het standpunt stelt dat hij aangeefster alleen heeft opgezocht ‘om haar te helpen’.

Tussenconclusie

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster in voldoende mate bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het hof acht

dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer seksueel is

binnengedrongen op de in de tenlastelegging omschreven wijzen. De volgende vraag die het hof moet beantwoorden, is of dit seksueel binnendringen een strafrechtelijke

verkrachting oplevert. Daarvoor is vereist dat de verdachte dwang op het slachtoffer heeft

uitgeoefend.

Dwang door geweld en (bedreiging met) ‘andere feitelijkheden

Om tot een bewezenverklaring van artikel 242 Sr te komen, moet worden vastgesteld dat de verdachte door geweld of een andere feitelijkheid, dan wel door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was de verdachte 40 jaar oud, terwijl aangeefster 18/19 jaar oud was. Dit leeftijdsverschil impliceert dat de verdachte een natuurlijk overwicht had ten opzichte van aangeefster. Daarnaast heeft aangeefster een IQ van 65, terwijl de verdachte een opleiding aan de hogeschool heeft gevolgd, hetgeen eveneens maakt dat er sprake is van een overwicht. Het hof neemt daarbij mee dat de verdachte bekend was met de kwetsbare positie van aangeefster, aangezien hij wist dat zij in instellingen verbleef. Hij heeft haar immers op het terrein van zo’n instelling opgehaald met zijn auto.

De verdachte heeft, zoals blijkt uit het bovenstaande, met de berichten die hij heeft gestuurd naar aangeefster, haar broer en een of meer anderen, gelet op de aard en toonzetting daarvan een forse druk uitgeoefend op aangeefster. In deze berichten dreigde de verdachte onder meer aangeefster zwart te maken bij haar woongroep en te verlinken bij haar begeleiders indien zij geen contact met hem opnam. De gedragingen van de verdachte, in combinatie met zijn leeftijd, opleiding, en bekendheid met de kwetsbare positie van aangeefster, maken dat kan worden vastgesteld dat hij gebruik heeft gemaakt van zijn overwicht om aangeefster te dwingen tot seksuele handelingen.

Het toepassen van dwang door de verdachte blijkt bovendien uit de navolgende omstandigheden. Toen de verdachte seksuele handelingen bij aangeefster verrichtte, heeft zij zich daar immers meermalen tegen verzet. Het hof slaat daarbij – net als de rechtbank - in het bijzonder acht op de volgende onderdelen van haar verklaringen:

 toen de verdachte vroeg of zij hem wilde pijpen, heeft zij nee gezegd, waarna hij

haar hoofd naar zijn penis heeft geduwd;

 toen de verdachte vroeg of zij aan zijn penis wilde trekken, heeft zij nee gezegd,

waarna hij haar hand pakte en daarmee trekkende bewegingen maakte;

 toen de verdachte vroeg of zij seks wilde, heeft zei nee gezegd. De verdachte raakte

haar aan, maar zij duwde hem weg. De verdachte trok aan haar en deed haar broek

naar beneden en duwde zijn piemel in haar vagina;

 tijdens de derde ontmoeting zei het slachtoffer de hele tijd nee en duwde de

verdachte weg. De verdachte trok aan haar en zette meer kracht. Het was een klein

gevecht, maar de verdachte deed uiteindelijk haar broek naar beneden en had seks

met haar;

 het slachtoffer moest huilen toen de verdachte seks met haar had en heeft gezegd dat

ze naar huis wilde.

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. De verdachte heeft aangeefster in een door hem gecreëerde situatie gebracht waarin zij zich niet kon verzetten tegen de seksuele handelingen en zij deze dus – tegen haar wil – heeft moeten ondergaan. De verdachte is daarbij voorbijgegaan aan voor hem duidelijk kenbare verbale en non-verbale signalen van de aangeefster dat zij de seksuele handelingen niet wilde. De verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en van het geestelijk overwicht dat hij op aangeefster had. De verdachte heeft een situatie laten ontstaan waarin aangeefster geen, althans onvoldoende, weerstand aan hem kon bieden. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte aangeefster door (bedreiging met) andere feitelijkheden heeft gedwongen deze seksuele handelingen te dulden.

Pleegperiode

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de pleegperiode moet worden ingekort. De verdachte heeft verklaard dat het contact met aangeefster in 2016 is begonnen. Gelet op de verklaringen van aangeefster hebben de verkrachtingen plaatsgevonden in de periode dat zij verbleef bij [zorginstelling] in [locatie 1] en in [locatie 2] . Volgens aangeefster verbleef zij in [locatie 2] toen de laatste keer seksuele handelingen plaatsvonden. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat de seksuele handelingen in de periode van periode van 22 december 2016 tot en met 17 april 2019 hebben plaatsgevonden. Het hof zal de bewezenverklaring dan ook beperken tot die periode.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

verkrachting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze meermaals schuldig gemaakt aan verkrachting van het slachtoffer. Het slachtoffer is een kwetsbare en verstandelijk beperkte vrouw. Uit het bij de aangifte gevoegde behandelplan blijkt dat zij een IQ van 65 heeft, waardoor zij op sociaal-emotioneel vlak functioneert als een jong kind, ongeveer op het niveau van een vierjarige. Daarnaast wist de verdachte dat het slachtoffer in een jeugdinstelling verbleef en alleen al om die reden kwetsbaar was.

De verdachte heeft het slachtoffer gedurende een langere periode met geweld en (bedreigingen met) andere feitelijkheden gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer nog eens langdurig gechanteerd door haar voor te spiegelen dat hij haar zou zwartmaken bij haar woongroep door naaktfoto’s van het slachtoffer te sturen aan haar begeleiders. Op deze wijze zou de verdachte ervoor zorgen dat het slachtoffer weer naar een gesloten instelling moest; iets waarvan de verdachte wist dat het slachtoffer dat niet wilde. Bovendien moest niet alleen het slachtoffer, maar ook familie en vrienden van haar het ontgelden. De verdachte benaderde hen via social media om zo het slachtoffer indirect nog verder onder druk te zetten. De verdachte had het kwetsbare slachtoffer gedurende een lange periode volledig in zijn greep en er was sprake van een fysiek en mentaal overwicht. Dit alles rekent het hof de verdachte ernstig aan.

Door op de bewezen verklaarde wijze te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij haar (blijvende) gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan eigen (seksuele) behoeften/verlangens en heeft daarbij bewust misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer. Naar de ervaring leert, hebben slachtoffers van dit soort delicten langdurig te lijden aan de ten gevolge van deze delicten opgelopen trauma's en de daardoor veroorzaakte emotionele schade. Hoe ingrijpend de gevolgen voor het slachtoffer zijn geweest en hoe ingrijpend deze tot op de dag van vandaag nog zijn, blijkt eveneens uit de slachtofferverklaringen die namens haar ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep zijn voorgelezen.

Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de ten behoeve van de persoon van de verdachte opgemaakte reclasseringsadviezen van 15 april 2022 en 15 september 2023. Uit deze reclasseringsadviezen volgt – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte zijn aandeel niet erkent en de schuld buiten zichzelf legt. Vanwege de stellige ontkenning van de verdachte was het niet mogelijk om een volledige delictanalyse op te stellen. De reclassering ziet wel aanwijzingen voor mogelijke agressie en problemen met seksualiteit. Daarnaast acht de reclassering de grenzeloosheid en de geraffineerdheid waarmee de betrokkene te werk zou zijn gegaan zorgelijk. De reclassering ziet, mede gelet op de ernst van de feiten, voldoende aanknopingspunten om in te zetten op interventies in het kader van risicomanagement. De reclassering adviseert derhalve om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten: een meldplicht, een ambulante behandeling en een contactverbod met aangeefster.

Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar een passende en geboden reactie vormt.

Schending redelijke termijn

Het hof constateert evenwel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in hoger beroep is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een voor de tot eind april 2025 in voorarrest verblijvende verdachte geldende termijn van 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 29 december 2022 en het eindarrest op 24 april 2026 is gewezen. De redelijke termijn is derhalve op het eerste gezicht met ruim 23 maanden overschreden. Daarbij dient echter wel in aanmerking te worden genomen dat van de zijde van de verdediging herhaaldelijk is verzocht om nader onderzoek, hetgeen onmiskenbaar van invloed is geweest op het procesverloop. Een deel van het tijdsverloop kan daaraan worden toegeschreven. Met dat gegeven zal het hof rekening houden bij de beoordeling van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, welke overschrijding het hof zal verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden zou hebben opgelegd, wordt nu, vanwege de schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, een gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden, met aftrek van voorarrest, opgelegd.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Maatregel ex artikel 38v Sr

Voorts acht het hof het passend en geboden om, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten, een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contactverbod zoals bedoeld in artikel 38v Sr aan de verdachte op te leggen. Het hof beoogt hiermee te voorkomen dat de verdachte nog op enigerlei wijze contact met het slachtoffer zal opnemen en haar aldus zoveel als redelijkerwijs mogelijk te vrijwaren van nieuw belastend en/of strafbaar gedrag van de kant van de verdachte. De verdachte heeft gedurende langere tijd aangeefster op de bewezen verklaarde wijze seksueel misbruikt en haar in verband daarmee (ook via anderen) op een hele vervelende manier lastiggevallen en druk op haar uitgeoefend. Daarbij is komen vast te staan dat de verdachte na een periode waarin geen sprake was van contact, toch weer contact zocht met aangeefster. De verdachte heeft voorts op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Het hof acht het gezien het voorgaande wenselijk dat aangeefster ervan verzekerd wordt dat verdachte in de nabije toekomst geen contact met haar zal opnemen.

Ondanks het genoemde advies van de reclassering ziet het hof er in het bijzonder gelet op de houding van de verdachte van af een (deels) voorwaardelijke straf, met bijzondere voorwaarden, op te leggen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 20.000,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepaald moet worden in het midden van de bewezen verklaarde periode, te weten vanaf 20 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening (vgl. HR d.d. 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:466).

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Namens de benadeelde partij is genoegzaam onderbouwd en onweersproken gesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 aan de verdachte tenlastegelegde geestelijk letsel heeft bekomen, waarvoor zij nog steeds wordt behandeld. De in de onderbouwing van de vordering benoemde gevolgen voor de benadeelde partij in samenhang met de aard en de ernst van de normschending brengen mee dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Gelet daarop heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft immateriële schade geleden en deze schade is het rechtstreekse gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen.

Nu geen omstandigheden zijn gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden, zal het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen in het midden van die periode, te weten vanaf 20 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening (vgl. HR d.d. 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:466).

Proceskosten

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen, en nog niet teruggegeven voorwerp, beslist het hof als volgt.

Het hof zal de in beslag genomen telefoon verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en de bewezenverklaarde feiten (mede) met behulp van dit voorwerp zijn begaan. De telefoon is immers gebruikt bij de uitoefening van dwang richting het slachtoffer, nu de verdachte vanaf zijn telefoon berichten naar het slachtoffer heeft verstuurd. Uit het strafdossier volgt verder dat in de in beslag genomen telefoon ook de andere berichten zijn aangetroffen die de verdachte heeft verstuurd naar het slachtoffer en haar familie en vrienden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 (zevenenvijftig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op 19 augustus 1998.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 STK Telefoontoestel (omschrijving [nummer] , Samsung).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 februari 2018.

Dit arrest is gewezen door mr. B. Stapert, mr. H.C. Plugge en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffiers mr J. Toorens en mr. I.M. van Hoevelaken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?