Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-004245-18
Parketnummer: 10-960070-17
Datum uitspraak: 13 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1973,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode 7 feb 2017 tot en met 21 feb 2017 te [plaats] en/of te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1131,7 kilogram heroïne en/of opium en/of morfine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of opium en/of morfine, zijnde heroïne en/of opium en/of morfine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode 7 feb 2017 tot en met 21 feb 2017 te [plaats] en/of te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 1131,7 kilogram heroïne en/of opium en/of morfine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of opium en/of morfine, zijnde heroïne en/of opium en/of morfine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode 7 feb 2017 tot en met 21 feb 2017 te [plaats] en/of te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1131,7 kilogram heroïne en/of opium en/of morfine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of opium en/of morfine, zijnde heroïne en/of opium en/of morfine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 1300 kilogram, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 2 ahf/ond A Opiumwet art 2 ahf/ond B Opiumwet art 2 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 10 lid 3 Opiumwet art 10 lid 4 Opiumwet art 10 lid 5 Opiumwet
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Een of meer tot op heden onbekend gebleven personen, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, althans opzettelijk heeft/hebben afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (ongeveer) 1300 kilogram, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; bij het plegen van welk bovenomschreven feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door opzettelijk in of omstreeks de periode van 11 april 2016 tot en met 31 januari 2017:
- het bedrijf [bedrijf] heeft opgericht en/of laten oprichten om als dekmantel te fungeren/dienen voor het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne;
- een of meer betaling(en) heeft (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne);
- zorggedragen voor het vervoer van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen; art 2 ahf/ond A Opiumwet art 2 ahf/ond B Opiumwet art 2 ahf/ond C Opiumwet art 48 sub 1 Wetboek van Strafrecht art 10 lid 3 Opiumwet art 10 lid 4 Opiumwet art 10 lid 5 Opiumwet;
3.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 2016 tot en met 21 februari 2017 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het meermalen opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft /hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar toen en daar opzettelijk:
- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne);
- een of meer perso(o)n(en) een of meer bedrijf/bedrijven en/of bankrekening(en) laten oprichten/openen en/of op naam laten zetten;
- ( een) deklading(en) (bananen) geregeld/laten regelen;
- zorggedragen voor het vervoer van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1.718 dagen, met aftrek van het voorarrest, en met opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal verbeurdverklaring van de voorwerpen genoemd op de beslaglijst onder 1 t/m 5 en onder 7 t/m 13, teruggave aan de verdachte van de voorwerpen onder 15 t/m 29 en onttrekking aan het verkeer van het voorwerp onder 6.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en beslissingen omtrent het beslag.
In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en zal het hof het vonnis bevestigen.
Strafmotivering
Procesafspraken
Op 26 februari 2026 heeft de advocaat-generaal het hof ervan op de hoogte gebracht dat hij in de onderhavige zaak met de verdediging procesafspraken heeft gemaakt. Op 8 april 2026 heeft de raadsman van de verdachte de in een door de advocaat-generaal, de verdachte en de raadsman ondertekend schrijven van 7 april 2026 neergelegde procesafspraken, met daarin vervat het door partijen voorgestane afdoeningsvoorstel, aan het hof gezonden.
De procesafspraken luiden als volgt:
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal conform de hiervoor weergegeven procesafspraken gerekwireerd, zij het dat hij heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen voorwerp onder 6 onttrokken zal worden aan het verkeer.
De raadsman heeft zich – bij wijze van pleidooi – aan de vordering van de advocaat-generaal gerefereerd.
Kan het hof acht slaan op de procesafspraken?
De Hoge Raad heeft in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022: 1252) overwogen dat de rechter alleen acht kan slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt de afspraak dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De verdachte was samen met zijn raadsman aanwezig op de terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2026. Op die terechtzitting zijn de procesafspraken besproken met de verdachte. Op basis van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdere verdedigingsrechten.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op de voorliggende procesafspraken (het afdoeningsvoorstel).
Overwegingen ten aanzien van de straf
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte is samen met anderen betrokken geweest bij zeer grootschalige invoer van harddrugs. Het betrof ruim 1.130 kilo heroïne en 1.300 kilo cocaïne. Dergelijke grootschalige invoer staat aan de basis van verdere verspreiding van deze zeer schadelijke stoffen en veroorzaakt daardoor een veelvoud aan andere strafbare feiten. Het gaat daarbij niet alleen om andere Opiumwetdelicten, maar ook om ernstige geweldsmisdrijven in sfeer van de met de handel in harddrugs gepaard gaande georganiseerde criminaliteit en verwervingscriminaliteit bij harddrugsgebruikers. De invoer van harddrugs heeft dan ook voor de maatschappij potentieel zeer schadelijke gevolgen. Gelet op deze aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van het hof dan ook niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Bij de vraag welke duur passend zou zijn, heeft het hof acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, in het bijzonder de straf die is opgelegd aan de medeverdachte [medeverdachte] . Na een veroordeling in eerste aanleg tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, is [medeverdachte] door het hof in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en zes maanden (inclusief een ‘strafkorting’ van een jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn). Die straf zag op betrokkenheid bij hetzelfde feitencomplex als ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard én nog andere strafbare feiten.
Voorts heeft het hof de volgende omstandigheden ten gunste van de verdachte betrokken.
Het hof gaat er, evenals de rechtbank, van uit dat de verdachte aan de Belgische politie in bepaalde mate informatie heeft verschaft over het heroïnetransport en dat hierdoor deze zeer grote partij heroïne is ontdekt. Door dit handelen van de verdachte is deze partij dus onttrokken aan de criminele (groot)handel en is de verdere verspreiding ervan verhinderd. De verdachte heeft zich in deze zaak bekend gemaakt als de verstrekker van informatie aan de politie, een omstandigheid die hem door andere betrokkenen niet in dank is afgenomen. Dit heeft geresulteerd in een concrete dreiging richting de verdachte en zijn familie, die in verband daarmee enige tijd ondergedoken heeft gezeten. Het hof weegt dit, evenals de rechtbank, in strafmatigende zin mee.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 26 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte na het begaan van de onderhavige feiten niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. De verdachte heeft 1.718 dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis, die met ingang van 2 december 2021 is geschorst. De verdachte heeft de schorsingsvoorwaarden niet overtreden.
Tevens betrekt het hof bij zijn oordeel hetgeen de verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Kort gezegd heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij zijn zoon helpt in diens onderneming en dat bij zijn vrouw baarmoederhalskanker is geconstateerd. Zij staat daarvoor onder behandeling, waarbij de verdachte haar bijstaat. Als de verdachte opnieuw gedetineerd zou raken, zou dat daarop grote impact hebben.
Het hof heeft geconstateerd dat in de appelfase sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Namens de verdachte is op 30 oktober 2018 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De verdachte bevond zich in de appelfase meer dan 16 maanden in voorlopige hechtenis, zodat het hof uitgaat van een als redelijk te beoordelen termijn van 16 maanden. Nu het hof eindarrest wijst op 13 april 2026, is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ruim zes jaren. De overschrijding van de redelijke termijn heeft een matigende werking op de op te leggen straf en is blijkens de schriftelijke toelichting van het afdoeningsvoorstel een van de aan de door partijen daarin overeengekomen straf ten grondslag liggende factoren geweest.
De door het hof vervolgens te beantwoorden vraag is of het afdoeningsvoorstel voor wat betreft de op te leggen straf in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die is gebleken uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Weliswaar is die straf relatief laag als wordt gekeken naar de ernst van het feit (in het bijzonder de omvang van de betrokken hoeveelheden harddrugs), maar daar staan de hiervoor genoemde omstandigheden tegenover. Het hof heeft voorts acht geslagen op hetgeen de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegelicht over zijn afwegingen om tot deze strafeis te komen, waaronder dat oplegging van een hogere straf niet per se zou resulteren in het ondergaan van langere detentie, als gevolg van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Het hof zal dan ook de tussen de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman overeengekomen straf, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk in duur aan de tijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht, opleggen als passend en geboden.
Daarmee samenhangend zal het hof het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
Inbeslaggenomen voorwerpen
Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen beslist het hof, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging, als volgt.
De voorwerpen vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst onder 1 t/m 5 en onder 7 t/m 13 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid. Het hof zal deze voorwerpen (onder andere latex handschoenen en een kniptang) verbeurdverklaren, waarbij het hof rekening heeft gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Het hof zal het voorwerp vermeld op de beslaglijst onder 6 onttrekken aan het verkeer. Het betreft een blok heroïne. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Tot slot zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 15 t/m 29 vermelde voorwerpen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10, 10a en 13a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing omtrent het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1718 (duizend zevenhonderdachttien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de op de lijst van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, vermelde voorwerpen genummerd:
- 1 t/m 5;
- 7 t/m 13.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het op de lijst van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, vermelde voorwerp genummerd:
- 6.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de op de lijst van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, vermelde voorwerpen genummerd:
15 t/m 29.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. H. Steenhuis, als voorzitter, mr. M.A.J. van de Kar en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 april 2026.