Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001431-23
Parketnummers: 09-001832-23 en 09-217817-22
Datum uitspraak: 21 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 april 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
BRP-adres: [BRP-adres] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer
09-001832-23 onder 1 primair en 2 en het bij dagvaarding met parketnummer
09-217817-22 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd hetgeen staat vermeld in de inleidende dagvaardingen met parketnummers
09-001832-23 en 09-217817-22 waarvan de tekst hieronder is weergegeven. Het hof heeft deze feiten van een doorlopende nummering voorzien en zal die nummers in dit arrest aanhouden.
Zaak met parketnummer 09-001832-23:
1.hij op of omstreeks 1 januari 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
- meermalen althans eenmaal met kracht op/tegen het hoofd, althans het lichaam (met geschoeide voet) heeft getrapt en/of geschopt en/of
- waardoor [slachtoffer 1] bewusteloos is geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 januari 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen althans eenmaal met kracht op/tegen het hoofd, althans het lichaam (met geschoeide voet) heeft getrapt en/of geschopt en/of
- waardoor [slachtoffer 1] bewusteloos is geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 1 januari 2023 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9.5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Zaak met parketnummer 09-217817-22 (gevoegd):
3.hij op of omstreeks 24 augustus 2022 te 's-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen althans eenmaal in het gezicht althans het lichaam te stompen en/of te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Vrijspraak feit 3
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Gelet op de ter terechtzitting ingenomen standpunten behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
Feit 1 wordt bewezen op grond van de bij de bespreking van de feiten in voetnoten aangeduide bewijsmiddelen. Voor feit 2 geldt dat in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist, zulks zal plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden als vermeld in de pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde poging doodslag. Hij heeft daartoe – kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte weliswaar het slachtoffer heeft getrapt, maar dat deze enkele trap niet de aanmerkelijke kans deed ontstaan dat deze handeling tot de dood kon leiden. Evenmin is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde ontkent de verdachte iets over het hek te hebben gegooid, hetgeen eveneens tot vrijspraak dient te leiden.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 1 januari 2023 te Den Haag eenmaal met geschoeide voet tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geschopt, waardoor [slachtoffer 1] bewusteloos is geraakt. De politie heeft de beelden bekeken van de toezichtcamera waarop het incident te zien is. In de beschrijving wordt de aangever aangeduid met ‘slachtoffer’ en wordt de verdachte aangeduid als ‘verdachte 2’.
De beschrijving van die beelden luidt - voor zover hier van belang - als volgt.
‘Om 01:37:22 uur zag ik dat, vanuit de richting het Achterom en gaande in de richting van de Spuistraat, twee mannen kwamen aangerend, waarvan één van de twee een fiets vast hield. De man zonder fiets noem ik verdachte 2. Ik zag dat verdachte 2 (…) direct naar het slachtoffer liep (die nog bovenop de verdachte lag) en het slachtoffer, met zijn rechter voet, een schop tegen zijn hoofd gaf. Ik zag dat door de schop het slachtoffer van de verdachte afrolde. Ik zag dat het slachtoffer roerloos op zijn rug op de grond lag. (…)
Vervolgens zag ik dat (…) de twee mannen die later erbij kwamen gerend, wegliepen (…).’
De politie heeft voorts de beelden bekeken die een getuige van het incident met zijn telefoon heeft gemaakt. In die beschrijving wordt de aangever aangeduid met [slachtoffer 1]
en wordt de verdachte aangeduid als ‘NNman1’. De beschrijving van de beelden luidt - voor zover hier van belang - als volgt.
‘Ik zie dat [medeverdachte] op de grond ligt. Ik zie dat [slachtoffer 1] over de verdachte (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) heen gebogen staat. (…) Ik zie dat vanuit de verte in de steeg NNman1 aangerend komt. Ik zie dat wanneer hij bij de andere personen aankomt hij een stap opzij neemt, vermoedelijk om zijn rechterbeen vrij te maken. Ik zie dat NNman1 met zijn rechterbeen een schoppende beweging maakt naar het hoofd van slachtoffer Al Faras.
lk zie dat de NNman1 met zijn rechtervoet het hoofd van [slachtoffer 1] raakt. Ik zie dat het hoofd van [slachtoffer 1] een beweging naar achter maakt, vermoedelijk door de impact van de schoppende beweging. lk zie dat het slachtoffer hierna direct met zijn hoofd op de grond valt. Gezien de vallende beweging van het hoofd en het lichaam van het slachtoffer doet het mij vermoeden dat hij hier buiten bewust zijn is geraakt.’
Ook [verbalisant] heeft de beelden bekeken en verbaliseert dat hij daarop zag dat de verdachte vol uithaalde met zijn voet en dat het slachtoffer direct zijn bewustzijn verloor.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de beelden afgespeeld en zelf waargenomen wat daarop te zien is. Het hof stelt vast dat de beschrijving van de camerabeelden door de politie, zoals hiervoor weergegeven, overeenkomt met de waarnemingen van het hof ter terechtzitting.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het slachtoffer, terwijl die in een worsteling met een ander was, met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt.
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat de verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer. Dan rijst de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood. Daarvan is sprake als kan worden vastgesteld dat de kans op de dood van het slachtoffer door het handelen van de verdachte aanmerkelijk was en de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal eveneens van de feitelijke omstandigheden van het geval afhangen. Ook daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het hof is van oordeel dat de kans dat het slachtoffer na deze schop zou komen te
overlijden als aanmerkelijk (in de zin van geenszins denkbeeldig) moet worden aangemerkt. Het hof heeft hierbij met name gewicht toegekend aan de plaats waar en de kennelijke kracht waarmee het slachtoffer werd getroffen. Het hoofd betreft bij uitstek een kwetsbaar en vitaal deel van het lichaam. Naar algemene ervaringsregels kan het met geschoeide voet met kracht schoppen tegen het hoofd leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat het onder meer levensbedreigend/fataal schedel- en/of hersenletsel tot gevolg kan hebben.
Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel de wijze waarop de verdachte deze schop heeft gegeven. Uit de (beschrijving van de) beelden volgt dat de verdachte aan kwam rennen en vervolgens het slachtoffer, terwijl het slachtoffer voorover gebogen was en het gezicht naar beneden had gericht, vrijwel direct tegen het hoofd heeft geschopt. Het slachtoffer heeft de verdachte niet (kunnen) zien aankomen en zich daardoor niet kunnen verweren of de schop enigszins kunnen ontwijken of daar anderszins op kunnen anticiperen. Daardoor kwam de trap met volle snelheid in het gezicht van het slachtoffer terecht. Op de beelden is ook te zien wat de impact van de trap is geweest voor het slachtoffer. Het hoofd van het slachtoffer ging naar achteren en vervolgens viel het slachtoffer achterover op de straat en bleef roerloos liggen. Het hof duidt deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, aldus dat de schop kennelijk met kracht is gegeven. Overigens ziet het hof in de opmerking van de verdachte dat hij niet ‘op z’n allerhardst’ heeft geschopt eerder steun voor de conclusie dat hij met kracht heeft geschopt dan dat dat een aanwijzing voor het tegendeel oplevert.
De gedraging van de verdachte kan naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken.
Het hof is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de verdachte met zijn gedraging willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood van het slachtoffer zou intreden. Het onder 1 primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat het hof, gelijk het standpunt van de verdediging en de advocaat-generaal, de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.
Bewezenverklaring feit 1 primair en feit 2
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op of omstreeks 1 januari 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
- meermalen althans eenmaal met kracht op/tegen het hoofd, althans het lichaam ( met geschoeide voet) heeft getrapt en/of geschopt en/of
- waardoor [slachtoffer 1] bewusteloos is geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 1 januari 2023 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bespreking beroep op noodweer dan wel noodweerexces
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden als vermeld in de pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt, en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hierover het volgende.
De verdachte heeft verklaard dat hij iets verderop een vechtpartij zag tussen twee jongens en dat hij van een vriend van hem hoorde dat één van de vechtende jongens een bekende van hem zou zijn. De verdachte rent er vervolgens op af, zonder dat hij iets heeft meegekregen van wat er daarvoor was gebeurd. Op dat moment staan de twee vechtende jongens nog overeind. Terwijl de verdachte eropaf rent, komen de twee vechtende jongens op de grond terecht. Pas op het moment waarop hij aankomt bij de jongens herkent hij één van hen als iemand die hij kent. Aangekomen bij de twee vechtende jongens geeft de verdachte vrijwel direct één van de jongens een harde schop in het gezicht, waarna hij meteen is weggelopen. Hij heeft zich niet bekommerd om de bekende die hij naar eigen zeggen wilde helpen.
Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte - gelet op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan - van meet af aan en naar de kern bezien aanvallend van aard zijn geweest en gericht op het aangaan van een confrontatie dan wel een deelname aan het gevecht tussen de twee jongens en dat de verdachte niet heeft gehandeld met de bedoeling een ander te verdedigen. De verdachte komt dan ook geen beroep op noodweer toe.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het handelen van de verdachte niet is ingegeven door een noodweersituatie, zodat ook het beroep op noodweerexces niet slaagt.
Ten overvloede overweegt het hof nog dat ook indien ervan zou worden uitgegaan dat het handelen van de verdachte wel werd ingegeven door de bedoeling een bekende te hulp te komen en deze te verdedigen tegen een wederrechtelijke aanranding, de wijze waarop de verdachte dat in dat geval heeft gedaan (te weten het vol in het gezicht schoppen van aangever die op dat moment ongewapend was en er voor de verdachte ook geen aanwijzing was te veronderstellen dat dat wel het geval was) niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de vermeende aanranding, terwijl een hevige gemoedsbeweging die daardoor is veroorzaakt in geen enkel opzicht aannemelijk is geworden. Ook dan zou een beroep op noodweer(exces) dus niet hebben kunnen slagen.
Het hof verwerpt de verweren.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:
1 primair: poging tot doodslag;
2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich, in de nacht van oud en nieuw 2023 in het centrum van de stad, schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door een voor hem onbekende persoon zonder enige redelijke aanleiding met kracht tegen zijn hoofd te schoppen ten gevolge waarvan het slachtoffer bewusteloos is geraakt. De verdachte heeft hem vervolgens aan zijn lot overgelaten. Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Gewelddadig gedrag als het onderhavige veroorzaakt niet alleen bij het directe slachtoffer dergelijke gevoelens, maar in de regel ook bij personen die hiervan ongewild getuige zijn. Bovendien worden daardoor in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd.
Daarnaast heeft de verdachte harddrugs aanwezig gehad, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd en de verdachte heeft daarmee voorts een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 24 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een Opiumwetdelict. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit en een andersoortig strafbaar feit te plegen.
Het hof is van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van
23 maanden onvoldoende recht doet aan de ernst en de aard van de bewezenverklaarde feiten. Met name het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is voor het hof aanleiding om, ondanks de vrijspraak voor het onder 3 tenlastegelegde feit, een hogere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – en gelijk aan de door de rechtbank opgelegde straf - een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis is op de terechtzitting van 16 januari 2026 door het hof (opnieuw) geschorst. De aan die schorsing verbonden voorwaarden zijn opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting. De raadsman heeft ter terechtzitting van 7 april 2026 verzocht de voorlopige hechtenis - indien het hof een straf oplegt die qua duur uitgaat boven de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd - bij arrest opnieuw te schorsen. Nu er op dit moment geen aanleiding is om de voorlopige hechtenis te laten herleven, zal het hof het verzoek van de raadsman toewijzen.
Vordering tot schadevergoeding
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.289,-.
In hoger beroep is deze vordering - omdat de benadeelde partij zich niet opnieuw heeft gevoegd - aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 2.000,-, ter zake van immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Aan de gevorderde immateriële schade heeft de benadeelde partij
- onder andere - ten grondslag gelegd dat het gepleegde strafbare feit zowel geestelijk als lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, waaronder nachtmerries en paniekaanvallen.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij neemt het hof in de eerste plaats de aard en ernst van het bewezenverklaarde in aanmerking. Het gaat om een poging tot doodslag door de benadeelde partij een harde schop in het gezicht te geven.
Voor zover de aard en ernst van de normschending niet al meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij de gevolgen daarvan met voldoende concrete gegevens heeft onderbouwd. In dat verband wijst het hof op de onderbouwing van de vordering, waarin onder meer wordt gesproken over onder meer slaapproblemen, nachtmerries, angstgevoelens en paniekaanvallen.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde.
De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 2.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2023, tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt dat de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw wordt geschorst onder dezelfde voorwaarden als bepaald op de terechtzitting van 16 januari 2026.
Vordering van [de benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [de benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 januari 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, mr. M.C. Bruining en
mr. R. Appels, leden, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 april 2026.
Mr. R. Appels is buiten staat dit arrest te ondertekenen.