ECLI:NL:GHDHA:2026:1233

ECLI:NL:GHDHA:2026:1233

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 200.363.195/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep kort geding
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

kort geding; overheidsaansprakelijkheid; gedetineerde op AIT; wijziging Pbw 1 nov 2025; strengere maatregelen ter voorkoming van misbruik door hoog risico gedetineerden van hun geprivilegieerd contact met advocaten; artikelen 6 en 8 EVRM; beperking aantal advocaten en visueel toezicht niet onrechtmatig

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.363.195/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/693567 / KG ZA 25-1047

Arrest van 12 mei 2026 in kort geding

in de zaak van

[appellant] ,

momenteel verblijvend in de [PI] ,

appellant,

advocaat: mr. J. de Haan, kantoorhoudend in Zwolle,

tegen

de Staat der Nederlanden,

gevestigd in Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Perenboom, kantoorhoudend Den Haag.

Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Staat.

1. De zaak in het kort

[appellant] is verdachte in een drietal omvangrijke strafzaken. Hij is gedetineerd en geplaatst op een afdeling intensief toezicht (AIT). Op 1 november 2025 is de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) gewijzigd. Sinds die datum gelden voor gedetineerden op een AIT maatregelen waarmee wordt beoogd om misbruik van het contact van gedetineerden met advocaten tegen te gaan. De maatregelen houden onder meer in dat een gedetineerde in beginsel nog maar met twee advocaten geprivilegieerd contact mag hebben en dat er visueel toezicht wordt gehouden op het advocaatbezoek. [appellant] vindt dat deze bepalingen in strijd zijn met zijn recht op een vrije toegang tot en vertrouwelijk contact met door hem gekozen rechtsbijstandverleners, zoals beschermd door (onder meer) het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De hiermee verband houdende vorderingen zijn door de voorzieningenrechter (zo wordt de kortgedingrechter van de rechtbank genoemd) afgewezen.

[appellant] heeft zijn vorderingen in hoger beroep gewijzigd. Hij vordert nu een verbod op toepassing van de hierboven genoemde beperkingen op hem, zolang niet is voorzien in een aantal voorzorgsmaatregelen en waarborgen. Het hof wijst zijn vorderingen af.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 24 december 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 26 november 2025, en waarin de grieven tegen dat vonnis zijn opgenomen, met bijlagen;

de memorie van antwoord van de Staat, met bijlagen;

de bijlagen 6 t/m 12 die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd

de bijlagen 33 en 34 die de Staat ter gelegenheid van deze mondelinge behandeling heeft overgelegd.

Op 12 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3. Feitelijke achtergrond

De strafzaken tegen [appellant]

is verdachte in twee omvangrijke strafzaken. In de strafzaak ‘Pulheim’ wordt hij verdacht van betrokkenheid bij de moord op advocaat Derk Wiersum, de advocaat van een kroongetuige in het Marengo-proces. In de zaak ‘Buizerd’ wordt [appellant] verdacht van onder meer poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade. Daarnaast is hem het leiding geven aan een criminele organisatie ten laste gelegd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2024 is [appellant] voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 jaar. In het vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de voorbereiding van de moord op Derk Wiersum – die wat betreft de rechtbank betreft direct verband houdt met diens werkzaamheden als raadsman van de kroongetuige in de zaak Marengo – professioneel was, dat de poging tot zware mishandeling heeft plaatsgevonden binnen het kader van een criminele organisatie waaraan [appellant] leiding heeft gegeven en dat [appellant] er blijk van heeft gegeven geen inzicht te hebben in de verwerpelijkheid van zijn gedrag. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Daarnaast wordt [appellant] in de zaak ‘Heywood’ vervolgd wegens handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie. Bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 15 april 2024 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie (hierna: OM) hoger beroep ingesteld.

AIT-afdeling en GVM-lijst

[appellant] is in verband met bovengenoemde zaken vanaf 21 april 2023 gedetineerd. Hij is op een zogeheten AIT-afdeling (Afdeling Intensief Toezicht) geplaatst. Hij is daartegen zonder succes opgekomen bij achtereenvolgens de beklagcommissie van de PI Arnhem (waar hij toen nog zat) en de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).

[appellant] staat op de lijst van gedetineerden ten aanzien van wie sprake is van een vlucht- en/of maatschappelijk risico (de zogeheten GVM-lijst). Daarbij is aan hem de GVM-status ‘hoog’ toegekend. Tegen deze plaatsing op de GVM-lijst is hij tevergeefs opgekomen bij de civiele rechter in Den Haag. Bij kortgedingvonnis van 23 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het door de Staat genoemde ‘versluierde taalgebruik’ onvoldoende basis vormde voor het hanteren van de b-grond ((vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie, kortweg VCHD) en dat deze grond daarom voorlopig, namelijk tot aan een volgende gemotiveerde beslissing van de selectiefunctionaris, niet mocht worden gebruikt. De c-grond ((risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde) en e-grond (ondermijning van gezag van directie en personeel van de inrichting) vormden volgens de voorzieningenrechter echter wel voldoende rechtvaardiging voor de (handhaving van de) plaatsing op de GVM-lijst met de status ‘hoog'.

Wijziging van de Pbw en RSPOG – beperkende maatregelen

Op 1 november 2025 is de Wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie in werking getreden. Daarnaast is met ingang van diezelfde datum de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierboven in het kopje, en hierna: RSPOG) gewijzigd.

De wijziging van de RSPOG brengt mee dat de beslissing om gedetineerden te plaatsen op een AIT met ingang van 1 november 2025 wordt genomen door (de selectiefunctionaris namens) de minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister). Vóór 1 november 2025 besliste de directeur van de PI daarover. De plaatsingsbeslissing wordt genomen na advisering door een selectieadviescommissie en na het horen van de gedetineerde. De beslissing geldt voor de duur van 12 maanden en de plaatsing kan daarna worden verlengd. Tegen de beslissing van de Minister tot (verlenging van de) plaatsing op de AIT staat beroep open bij de RSJ. Bij wijze van overgangsrecht is bepaald dat de wijzigingen van de RSPOG gedurende de eerste vier maanden na de inwerkingtreding geen gevolgen hebben ten aanzien van de eerder door de directeur van de PI genomen beslissingen tot plaatsing in een AIT.

Artikel 13 RSPOG bepaalt dat in een AIT gedetineerden kunnen worden geplaatst die a) een hoog vluchtrisico vormen, al dan niet met behulp van derden, b) een hoog risico vormen op ernstig voortgezet crimineel handelen vanuit detentie, c) een hoog risico vormen op aanhoudende ongeoorloofde contacten met de buitenwereld met een maatschappelijk ontwrichtend karakter.

Op 25 november 2025 is (opnieuw) besloten om [appellant] te plaatsen op een AIT, met gebruikmaking van de b-grond (hoog risico op ernstig voortgezet crimineel handelen vanuit detentie, VCHD). De staatssecretaris is daarbij ingegaan op het onder 3.4. genoemde kortgedingvonnis van 23 juli 2025 en heeft onder meer overwogen dat dergelijk VCHD niet daadwerkelijk hoeft te hebben plaatsgevonden om deze grond aan te nemen, dat een hoog risico op dergelijk VCHD in elk geval wordt verondersteld als de gedetineerde een aanzienlijke positie heeft binnen een criminele machtsstructuur en dat daarvan sprake is in het geval van [appellant] . Ook is het advies van de PI meegewogen, waarin stond dat het gedrag van [appellant] vermoedens oproept dat hij voortdurend op zoek is naar mogelijkheden om contact te behouden met de buitenwereld om het criminele handelen voort te zetten (overschrijden belminuten en tegen de regels in Arabisch spreken tijdens telefoongesprekken en bezoekmomenten). Met ingang van 4 december 2025 zit [appellant] op de AIT van [PI] .

Met de wijziging van Pbw wordt volgens de wetsgeschiedenis beoogd om het toezicht op gedetineerden van wie een ernstige dreiging voor de samenleving uitgaat, te versterken. Hierbij wordt gedacht aan gedetineerden afkomstig uit de georganiseerde (drugs)criminaliteit, die beschikken over macht en middelen en die in het geval van een (dreigende) langdurige of levenslange gevangenisstraf niets te verliezen hebben en daarom ook vanuit detentie een grote bedreiging voor de openbare orde, veiligheid en democratische rechtsstaat kunnen vormen. De gewijzigde Pbw geeft de Minister daarom de mogelijkheid om extra toezicht te houden en het contact tussen de gedetineerde en de buitenwereld te beperken. Door onder meer het geprivilegieerde contact van de in de EBI (Extra Beveiligde Inrichting) of een AIT geplaatste gedetineerde met zijn rechtsbijstandsverleners aan beperkingen en aan toezicht te onderwerpen, wordt beoogd om (mogelijk) misbruik van dat geprivilegieerde contact en voortzetting van crimineel handelen vanuit detentie te voorkomen. Deze maatregelen betreffen voor zover in dit kort geding van belang het beperken van het aantal rechtsbijstandverleners dat toegang heeft tot de gedetineerde en het houden van visueel toezicht op het advocaatbezoek.

Visueel toezicht

In artikel 38 lid 8 Pbw is bepaald dat visueel toezicht wordt gehouden op het bezoek van rechtsbijstandverleners aan de gedetineerde in een EBI of op een AIT. Hierbij is bepaald dat dit toezicht er niet toe mag leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud bij derden bekend kunnen worden. Doel van het visueel toezicht is het voorkomen van misbruik van het geprivilegieerd contact met de rechtsbijstandsverlener en het beschermen van deze rechtsbijstandsverlener tegen druk, dwang of dreiging vanuit de gedetineerde.

In artikel 23b Penitentiaire maatregel (Pm) zijn nadere voorschriften opgenomen over de uitvoering van dit visueel toezicht:

“1. De gedetineerde en de rechtsbijstandverlener worden op de hoogte gesteld van het visueel toezicht op gesprekken tussen de gedetineerde en de rechtsbijstandsverlener als bedoeld in artikel 38, achtste lid, van de wet.

2. Het visueel toezicht vindt plaats door middel van cameraobservatie. De camerabeelden

worden terstond na het gesprek gewist.

3. In afwijking van het tweede lid worden de camerabeelden bewaard als een ambtenaar of medewerker bij de inrichting of afdeling het gesprek tussen de gedetineerde en de rechtsbijstandverlener onderbreekt en de directeur na het horen van de ambtenaar of

medewerker beslist tot beëindiging van het gesprek.

4. De op grond van het derde lid bewaarde camerabeelden worden verwijderd zes weken na het verstrijken van de beklagtermijn als bedoeld in artikel 61, vijfde lid. van de wet, tenzij beklag is ingesteld. In dat geval volgt verwijdering zes weken na het verstrijken van de beroepstermijn als bedoeld in artikel 69, eerste lid van de wet, tenzij beroep is ingesteld. In dat geval volgt verwijdering de dag na de uitspraak van de beroepscommissie.

5. In het kader van het in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet bedoelde toezicht licht de directeur de deken in het arrondissement waar de rechtsbijstandverlener kantoor houdt in over het beëindigen van een gesprek, als bedoeld in het derde lid.”

Beperking geprivilegieerd contact tot twee advocaten; verzoek om toewijzing van extra advocaten

In artikel 40a Pbw wordt het aantal rechtsbijstandverleners dat geprivilegieerd contact mag hebben met een gedetineerde in een EBI of een AIT beperkt tot twee. Correspondentie met andere rechtsbijstandsverleners wordt niet uitgereikt en niet verzonden. Ook kunnen met die andere rechtsbijstandsverleners geen vertrouwelijke telefonische contacten of bezoekmomenten plaatsvinden. Wel kan een gedetineerde in een met redenen omkleed verzoekschrift aan de Minister verzoeken om vanwege bijzondere omstandigheden een of meer andere rechtsbijstandverleners aan te wijzen die (geprivilegieerde) toegang hebben tot de gedetineerde. Bepaald is dat de Minister tijdig beslist. In artikel 31 Pm is nader bepaald dat op een dergelijk verzoek zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen een maand wordt beslist. Tegen de afwijzing van zo’n verzoek kan een gedetineerde een bezwaarschrift indienen en tegen de beslissing op het bezwaarschrift staat beroep open bij de beroepscommissie van de RSJ.

Doel van deze maatregel is om contact met rechtsbijstandverleners zonder een concrete en verifieerbare taak te voorkomen. Zo kan volgens de wetgever effectief worden bijgedragen aan de vermindering van de mogelijkheden die de gedetineerde heeft om contacten met de buitenwereld te misbruiken. De beperking van het aantal advocaten dat een gedetineerde mag bijstaan in de EBI en AIT mag niet de toegang tot noodzakelijke en deskundige rechtsbijstand beperken, aldus de wetgever.

[appellant] heeft aanvankelijk in oktober/november 2025 twee andere advocaten aangewezen als zijn eerste twee rechtsbijstandsverleners en bij de Minister verzoeken ingediend om daarnaast ook geprivilegieerd contact te mogen hebben met mrs. De Haan, Roozemond en Van Soest. In december 2025 heeft hij zijn beslissing gewijzigd en nieuwe verzoeken ingediend. De gang van zaken is (voor zover niet in geschil) vanaf december als volgt geweest:

i) Bij brief van 19 december 2025, ontvangen door de Staatsecretaris op 23 december 2025, heeft [appellant] laten weten dat hij, anders dan eerst bericht, mrs. Van Soest en De Haan aanwees als zijn eerste twee toegestane advocaten, en dat hij daarnaast verzocht om onder meer mr. Roozemond als extra advocaat toe te staan. De aanwijzing van mrs. Van Soest en De Haan was al eerder door de directeur van de [PI] , waarnaar [appellant] per 4 december 2025 was overgeplaatst, afgehandeld: omdat er een zitting van de RSJ gepland stond heeft de directeur de aanwijzing van mr. Van Soest met voorrang behandeld, en enkele dagen erna ook de aanwijzing van mr. De Haan. Beide advocaten stonden per 16 december 2025 als eerst aangewezen rechtshulpverleners geregistreerd.

ii) Het gewijzigde verzoek van [appellant] om daarnaast geprivilegieerd contact met mr. Roozemond toe te staan, is in januari 2026 in behandeling genomen. De Staatssecretaris heeft op 6 februari 2026 het verzoek van [appellant] ten aanzien van mr. Roozemond afgewezen, op de grond dat het niet was gemotiveerd.

( iii) Bij e-mail van 25 februari 2026 heeft mr. De Haan namens [appellant] vervolgens onder meer het volgende geschreven aan de Staatssecretaris/Minister:

- Mr. De Haan staat samen met mrs. Roozemond en Van Soest [appellant] bij in de strafzaak “Pulheim/Buizerd” en samen met mr. Roozemond in het onderhavige civiele kort geding. Daarnaast verleent mr. Van Soest [appellant] bijstand in diverse detentiezaken.

- De keuze om mrs. De Haan en Van Soest als eerste twee advocaten aan te wijzen en daarnaast te verzoeken om registratie van mr. Roozemond als extra advocaat, is ook kenbaar gemaakt aan de PI en aan de AG’s in de zaak “Pulheim/Buizerd”. De AG’s hebben laten weten geen bezwaar te hebben tegen aanwijzing van mr. Roozemond als extra advocaat. Dit is telefonisch met hen besproken en later ook op zitting aan de orde gekomen en in het zittingsproces-verbaal bij het hof genoteerd.

- De afwijzing van 6 februari 2026 is met verbazing ontvangen, omdat de advocaten en [appellant] ervan uit waren gegaan dat gelet op alle contacten met en toezeggingen van het OM, de redenen voor het gewijzigde verzoek genoegzaam bekend waren.

- De zittingsdatum van het onderhavige kort geding bij het hof Den Haag is 12 maart 2026 en de inhoudelijke zittingsdagen in de zaak “Pulheim/Buizerd” staan ook al gepland. In het kader van een adequate voorbereiding van de strafzaak en het kort geding bij het hof is het dringende verzoek om ter voorkoming van een tijdrovende bezwaarprocedure, de beslissing van 6 februari 2026 te herzien dan wel om deze mail als een nieuw verzoek in de zin van artikel 40a lid 6 Pbw op te vatten en bij voorkeur nog deze week mr. Roozemond als extra rechtsbijstandsverlener aan te wijzen.

( iv) Op 2 maart 2026 heeft de Minister bij e-mail geantwoord dat in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt en dat de inhoud van de e-mail van 25 februari 2026 daarbij zal worden betrokken. Volgens de Minister is er geen plaats voor een afzonderlijke herzieningsprocedure naast de lopende bezwaarprocedure en bestaat er evenmin aanleiding om de e-mail als een nieuw verzoek in behandeling te nemen, omdat in het bezwaar al een nieuwe beslissing zal worden genomen. De e-mail sluit af met de mededeling dat [appellant] in de gelegenheid wordt gesteld om binnen twee weken het bezwaar desgewenst nader te motiveren. Ter zitting heeft mr. De Haan verklaard van die gelegenheid geen gebruik te hebben gemaakt, omdat hij in afwachting was van een reactie van het OM op zijn verzoek om hun instemming in een mail te bevestigen.

Communicatie tussen NOvA en DJI

Over de inrichting en uitvoering van het visueel toezicht heeft uitgebreid contact plaatsgevonden tussen de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), waarbij DJI de zorgen van de NOvA probeerde weg te nemen. In de periode van november 2025 tot en met februari 2026 zijn veel brieven gewisseld.

Dit contact heeft tot een aantal aanpassingen geleid (onder andere de positionering van de camera’s en het terugbrengen van het aantal beeldframes per seconde, dit alles om het risico op liplezen (verder) terug te dringen). Verder zijn twee audits aangekondigd ten aanzien van het gehele werkproces met betrekking tot visueel toezicht in het eerste kwartaal: een interne audit van DJI zelf en een audit door een onafhankelijke, externe partij. De NOvA is in de gelegenheid gesteld om punten aan te dragen die zij graag meegenomen ziet in deze audits.

4. Procedure bij de rechtbank

[appellant] heeft de Staat gedagvaard en na wijziging van eis gevorderd, voor zover in hoger beroep nog relevant:

primair artikel 38 lid 8 Pbw buiten werking te stellen en subsidiair de Staat te verbieden om [appellant] te belemmeren in de toegang tot een raadsman en de Staat daarom te gebieden om hem in de gelegenheid te stellen te overleggen met alle advocaten die hij wenst, waaronder in ieder geval mr. J. de Haan, mr. J.W.D. Roozemond, mr. W.B.O. van Soest en de in de dagvaarding vermelde advocaten, dan wel enige advocaat;

primair artikel 40a Pbw buiten werking te stellen en subsidiair de Staat te verbieden om de fysieke gesprekken tussen [appellant] en zijn advocaten te monitoren middels cameratoezicht tenzij voor deze opnames toestemming is verstrekt door de rechter-commissaris in het kader van een vordering ex artikel 1261 of I26m Sv.

[appellant] heeft hieraan samengevat het volgende ten grondslag gelegd. De artikelen 38 lid 8 en 40a Pbw zijn onmiskenbaar onrechtmatig ten opzichte van [appellant] en alle gedetineerden die zich in een EBI of een AIT bevinden. De in die bepalingen opgelegde generieke maatregelen - de beperking van het aantal advocaten met geprivilegieerde toegang en het visueel toezicht op het advocaatcontact - zijn in strijd met artikel 6 EVRM en artikel 3 lid 3 onder a Richtlijn 2013/48/EU. De aan [appellant] opgelegde maatregelen vormen een ernstige inmenging in zijn rechten op effectieve rechtsbijstand en een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze generieke maatregelen voldoen niet aan de geïndividualiseerde noodzakelijkheidstoets. Verder is van belang dat de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 23 juli 2025 (zie 3.3.) heeft geoordeeld dat ten aanzien van [appellant] geen sprake is van voortgezet crimineel handelen in detentie.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

5. Vorderingen in hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis opnieuw gewijzigd en vordert nu:

1. een verbod aan de Staat, binnen 10 dagen na betekening van deze uitspraak, om [appellant] te belemmeren in de toegang tot alle in Nederland werkzame advocaten, tenzij de Staat voordien maatregelen heeft genomen op grond waarvan de beperking in advocaten wordt getoetst door een onafhankelijk orgaan

a) dat in elk geval de bevoegdheid heeft om (zo nodig nog dezelfde dag) in te grijpen, en

b) dat de argumenten van [appellant] voor de keuze voor meer dan twee advocaten kan toetsen zonder dat Staat daarvan kennis neemt;

2. een verbod aan de Staat, binnen 10 dagen na betekening van deze uitspraak, om de fysieke gesprekken tussen [appellant] en zijn advocaten te monitoren door middel van het cameratoezicht als in de appeldagvaarding omschreven totdat de Staat in elk geval de volgende waarborgen of maatregelen heeft getroffen:

a) een individuele en gemotiveerde toetsing door een rechter of een daadwerkelijk onafhankelijke instantie van de vraag of [appellant] moet worden onderworpen aan het in de appeldagvaarding omschreven cameratoezicht;

b) de mogelijkheid voor [appellant] om het in de appeldagvaarding omschreven cameratoezicht te laten toetsen door een onafhankelijk orgaan dat in elk geval de bevoegdheid moet hebben om de inzet van dat toezicht te voorkomen of te beëindigen;

c) de garantie aan [appellant] dat liplezen en/of meelezen van documenten niet mogelijk is;

d) het informeren van [appellant] of en zo ja, welke camera’s en/of microfoons geactiveerd zijn tijdens het overleg met zijn advocaten;

e) het informeren van [appellant] welke technische en organisatorische maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van ongeoorloofde toegang tot de camera’s en/of microfoons en van misbruik van de via die camera’s en/of microfoons verkregen gegevens;

f) het informeren van [appellant] welke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen bij het gebruik van de via camera’s en/of microfoons verkregen gegevens en bij het delen van die gegevens met derden;

g) iedere waarborg of maatregel die het hof in goede justitie zal bepalen.

De grieven (bezwaren) van [appellant] ten aanzien van het visueel toezicht houden samengevat het volgende in. Grief 1 luidt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat naast artikel 6 EVRM ook artikel 8 EVRM van toepassing is op het geprivilegieerd contact met een advocaat. [appellant] betoogt dat niet aan de eisen van dat artikel is voldaan. De beperking is volgens hem niet voorzien bij wet, omdat geen sprake is van duidelijke wettelijke waarborgen en procedurele voorschriften. Het visueel toezicht is ook niet noodzakelijk en voldoet niet aan de eisen van proportionaliteit, omdat het gaat om een generieke maatregel, sprake is van een gevoel van voortdurende observatie en meeluisteren, en er minder ingrijpende middelen voorhanden zijn (meekijken door een bewaker door een glazen wand, zoals in Spanje). Met grief 2 voert [appellant] aan dat ook enkel visueel toezicht een beperking van grondrechten kan opleveren en dat bovendien liplezen wel degelijk mogelijk is, anders dan de Staat beweert. Grief 3 houdt in dat de in de spreekkamer aanwezige microfoons het gevoel geven afgeluisterd te worden. Grief 4 luidt dat visueel toezicht als generieke maatregel niet is toegestaan en dat door een individuele toetsing moet worden nagegaan of er dwingende redenen zijn voor het toezicht. Met grief 5 betoogt [appellant] tot slot dat ook de Richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving (RGR), geïmplementeerd in de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg), en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing zijn.

De grieven ten aanzien van de beperking van het geprivilegieerd contact met twee advocaten luiden samengevat als volgt. In de inleiding van de appeldagvaarding voert [appellant] aan dat de procedures en criteria betreffende een verzoek om een ‘extra’ advocaat onvoldoende precies zijn opschreven, dat de procedure te lang duurt, dat een gedetineerde ten onrechte vertrouwelijke informatie moet delen bij indiening van het verzoek en dat de ‘extra’ advocaat ten onrechte niet wordt geïnformeerd over de afwijzing van een verzoek. Met grief 6 betoogt [appellant] dat het de bedoeling van de wetgever is om alleen advocaten zonder “concrete en verifieerbare taak” te weren, maar dat de praktijk verder gaat dan door de wetgever is beoogd. Grief 7 houdt in dat de beslissing om al dan niet extra advocaten toe te staan, moet worden genomen door een onafhankelijk orgaan. Grief 8 tot slot houdt in dat geen sprake is van een effectieve rechtsbescherming door het ontbreken van een concrete beslistermijn.

6. Beoordeling in hoger beroep

Inleiding: het recht op vrije toegang tot een advocaat en vertrouwelijk overleg met hem

Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, artikel 17 Grondwet en artikel 47 Handvest van de EU houdt onder meer in dat een verdachte recht heeft op bijstand van een advocaat naar eigen keuze en op vertrouwelijk overleg met hem. Het EHRM ziet vertrouwelijk overleg met een advocaat als een van de belangrijkste voorwaarden voor een eerlijk proces in een democratische samenleving. Ook artikel 3 lid 3 sub a van Richtlijn 2013/48/EU voorziet erin dat gedetineerden het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren. Dit recht wordt ook beschermd door art. 8 EVRM, zoals [appellant] terecht met grief 1 aanvoert: volgens het EHRM is het contact met een advocaat van belang voor het maken van een geïnformeerde beslissing over intieme en persoonlijke zaken of gevoelige kwesties.

Beperkingen op het recht op vrije toegang tot, en vertrouwelijk contact met een advocaat moeten zijn voorzien bij wet, een legitiem doel hebben, noodzakelijk zijn in een democratische rechtsorde en voldoen aan de proportionaliteits- en subsidiariteitseis. Meer in het bijzonder geldt dat voor beperkingen op dat recht in een concrete zaak in beginsel dwingende redenen (“compelling reasons”), op grond van een individuele afweging, zijn vereist. De afwezigheid van dwingende redenen leidt als zodanig echter nog niet dwingend tot de conclusie dat sprake is van een schending van artikel 6 EVRM, omdat het EHRM daartoe altijd eerst nagaat of “the proceedings as a whole” kunnen worden aangemerkt als “fair”, waarbij het EHRM wel uitgaat van een strengere toets als er geen dwingende redenen zijn.

Als beperkende maatregelen in detentie in het belang zijn van de veiligheid en de openbare orde geeft het EHRM een vrij grote mate van beoordelingsruimte aan lidstaten. Dat blijkt ook uit de jurisprudentie van het EHRM ten aanzien van het Italiaanse 41-bis detentieregime. Dat neemt niet weg dat ten aanzien van iedere gedetineerde moet zijn voldaan aan bovengenoemde eisen. In elk geval mag de inmenging niet tot gevolg hebben dat van een effectieve rechtsbijstand geen sprake meer is.

Afluisteren van de communicatie met een advocaat vormt een inmenging in het recht op vertrouwelijk contact, maar het is niet van doorslaggevend belang of daadwerkelijk sprake is van afluisteren. Alleen al de overtuiging dat de communicatie mogelijk wordt afgeluisterd beperkt de effectiviteit van de rechtsbijstand (“chilling effect”). Als die overtuiging (“genuine belief”) is gebaseerd op redelijke gronden (“reasonable grounds”) is ook sprake van een inmenging.

Toetsingskader

[appellant] neemt twee soorten stellingen in. Voor zover hij het niet eens is met de inhoud van de nieuwe regelgeving en stelt dat deze onrechtmatig is wegens strijd met verdragsbepalingen, geldt een strenge toets. Het hof kan alleen bepalen dat de desbetreffende bepaling (tijdelijk) niet op [appellant] mag worden toegepast als sprake is van een onmiskenbare onverenigbaarheid van die bepaling met de ingeroepen fundamentele rechten. Het is immers niet aan het hof om zijn oordeel over wat hij redelijk acht in de plaats te stellen van dat van de wetgever. Het is bij uitstek de taak van de wetgever om bij het vaststellen van wetgeving alle in het geding zijnde argumenten en belangen tegen elkaar af te wegen. De burgerlijke rechter kan deze wetgeving slechts zeer terughoudend toetsen. Dit geldt nog meer in een kort geding.

[appellant] stelt op onderdelen ook dat het misgaat bij de uitvoering van de nieuwe regelgeving, in die zin dat die uitvoering in strijd zou zijn met zijn fundamentele rechten en ook verder zou gaan dan de wetgever heeft beoogd. In zoverre is de door het hof aan te leggen toets ruimer en geldt de strikte eis van ‘onmiskenbaarheid’ niet. Het is echter wel de vraag of de op de uitvoeringspraktijk gerichte stellingen van [appellant] aansluiten bij de formulering van de principieel ingestoken vorderingen. Daarop komt het hof hieronder terug.

Tegen deze achtergrond zal het hof de vorderingen nu gaan bespreken.

Beperking van de toegang van geprivilegieerde advocaten

Naar het hof begrijpt wil [appellant] met zijn vordering onder 1) bereiken dat niet de Minister, maar een onafhankelijk orgaan voortaan ten aanzien van hem beslist over de vraag of er reden is voor een beperking van het aantal rechtsbijstandsverleners, althans over zijn verzoek tot toewijzing van extra rechtsbijstandsverleners. Dit zou dan volgens hem zo geregeld moeten zijn dat dit orgaan zo nodig dezelfde dag kan ingrijpen en dat de Minister ook geen kennis neemt van de argumenten van [appellant] . Wat dat laatste betreft voert [appellant] aan dat de Minister al een rol heeft bij de beslissing tot vervolging en bij de plaatsing in een bepaald detentieregime. Hij stelt dat het in strijd is met artikel 6 EVRM als de Minister daarnaast ook beslist over de (beperking van de) toegang tot rechtsbijstand.

Het hof stelt vast dat in zoverre de hierboven genoemde “onmiskenbaar onverbindend”-toets geldt. Artikel 40a Pbw schrijft immers expliciet voor dat het aantal rechtsbijstandverleners dat geprivilegieerd contact mag hebben met een gedetineerde in een EBI of een AIT in beginsel wordt beperkt tot twee en dat het de Minister is die beslist over toewijzing van extra advocaten, na een aan hem gericht, met redenen omkleed verzoek. De Staat merkt terecht op dat de vergelijking met een door [appellant] aangehaald arrest van dit hof uit 2015 in zoverre dus ook niet opgaat. Het ging in die zaak om de wijze waarop de Minister gebruik maakte van een wettelijke bevoegdheid, terwijl het in dit geval gaat om de toepassing van een wettelijk voorschrift. De lat ligt daarom in deze zaak hoger.

Die lat wordt naar voorlopig oordeel van het hof niet gehaald. De beperking die artikel 40a Pbw aanbrengt op de door de artikelen 6 en 8 EVRM beschermde rechten van [appellant] is niet onmiskenbaar in strijd met de daaraan te stellen eisen. Voorop staat daarbij dat het om een numerieke beperking gaat, en niet om een algehele beperking, en dat kan worden verzocht om toekenning van extra advocaten. De beperking is bij wet voorzien en het hof acht de procedure ook voldoende duidelijk omschreven. Niet in geschil is dat de beperking een legitiem doel heeft, namelijk het beperken van geprivilegieerd contact voor gedetineerden van wie een hoog risico uitgaat, om (mogelijk) misbruik van dat contact en voortzetting van crimineel handelen vanuit detentie te voorkomen. Naar het oordeel van het hof is verder voldoende aannemelijk dat de beperking noodzakelijk is met het oog op het bereiken van dat doel en dat voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarbij weegt het hof mee dat het weliswaar gaat om een generieke beperking die geldt voor alle EBI- en AIT-gedetineerden, maar dat aan een plaatsing in een EBI of op een AIT wel een individuele beoordeling vooraf gaat waarbij getoetst wordt of de gedetineerde een hoog risico vormt en waarbij ook de individuele effecten van de aan zo’n plaatsing verbonden beperkende maatregelen worden meegewogen. De gedetineerde kan tegen zo’n plaatsing bovendien opkomen bij de RSJ en dit is volgens vaste rechtspraak een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang.

Het hof weegt ook mee dat het in veel gevallen voldoende zal zijn om met twee advocaten geprivilegieerd contact te kunnen hebben, zeker als bedacht wordt dat op de achtergrond overleg kan worden gevoerd met andere advocaten. Het hof acht dit aantal van twee daarom als uitgangspunt niet disproportioneel. Daarbij komt zoals gezegd dat is voorzien in de mogelijkheid om extra advocaten toegewezen te krijgen en dat ook tegen een afwijzing van zo’n verzoek kan worden opgekomen bij de RSJ. Mede gelet op die rechtsgang, is het feit dat het de Minister is die in eerste instantie beslist over een verzoek om toewijzing van extra advocaten, niet onmiskenbaar in strijd met artikel 6 EVRM. Het tegendeel volgt ook niet uit de rechtspraak. De vergelijking met het door [appellant] aangehaalde arrest van het HvJEU gaat niet op, zoals de Staat terecht heeft opgemerkt. Het ging in die zaak om artikel 6 van het EU-Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Dat artikel schrijft dwingend voor dat het uitvaardigen en het uitvoeren van een Europees aanhoudingsbevel moet gebeuren door een ‘rechterlijke autoriteit’. De vraag was of een officier van justitie als zo’n rechterlijke autoriteit kan worden beschouwd. Volgens het HvJEU was dat niet uitgesloten maar moest wel aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. Zoiets doet zich in deze zaak echter niet voor. De wet schrijft immers niet voor dat de beslissing over het aantal rechtsbijstandsverleners vooraf moet worden genomen door een rechterlijke instantie, althans door een onafhankelijke instantie niet zijnde de Minister.

Het is op zich juist dat het feit dat het verzoek om extra rechtsbijstandsverleners met redenen omkleed moet zijn, kan meebrengen dat in enigerlei mate vertrouwelijke informatie moet worden gedeeld met de Minister. Het hof acht echter ook dit voorschrift niet onmiskenbaar onrechtmatig. In artikel 40a lid 6 Pbw staat dat de Minister onder “bijzondere omstandigheden” een of meer extra geprivilegieerde rechtsbijstandsverleners mag toekennen en uit de wetsgeschiedenis blijkt dat beslissend is of de betrokken advocaat een “concrete en verifieerbare taak” heeft. Dat criterium sluit aan bij het nagestreefde doel. De Minister moet over voldoende informatie beschikken om zorgvuldig te kunnen beoordelen of aan dit criterium is voldaan. Dat in de praktijk van [appellant] allerlei vertrouwelijke gegevens worden geëist die niet nodig zijn om te kunnen beoordelen of sprake is van een concrete en verifieerbare taak en dus verder gaan dan door de wetgever is beoogd, is niet gebleken, nog daargelaten de vraag of een van de vorderingen daarop is toegespitst. In dat verband is van belang dat [appellant] voorafgaand aan de e-mail van 25 februari zijn verzoeken kennelijk in het geheel niet van een schriftelijke onderbouwing had voorzien (behalve “staat mij al bij”). Verder is van belang dat de Staat ter zitting meer in het algemeen heeft verklaard dat een voorblad van een dagvaarding al voldoende is als een gedetineerde bijvoorbeeld bijstand verzoekt van een familierechtadvocaat.

Dat het de bedoeling van de wetgever is om de toegang tot rechtsbijstandsverleners niet verder te beperken dan nodig, volgt ook uit artikel 40a lid 6 Pbw waarin staat dat de Minister “tijdig” beslist. Daaruit valt af te leiden de Minister rekening moet houden met de mate van spoedeisendheid van het concrete verzoek. Dit wordt bevestigd door artikel 31 Pm waarin staat dat “zo spoedig mogelijk” moet worden beslist op een verzoek tot het toestaan van een of meer andere rechtsbijstandverleners. Aangenomen mag worden dat dit zowel in de fase van het primaire besluit als in de bezwaarfase geldt. Zoals de Staat verder terecht heeft opgemerkt is volgens vaste jurisprudentie van de RSJ ook beroep mogelijk tegen het uitblijven van een beslissing op een verzoek, en bestaat de mogelijkheid dat de RSJ spoedeisende zaken ook met spoed behandelt.

Kortom, de regeling als zodanig laat het recht op effectieve rechtsbijstand intact. Tot zover de situatie op papier. Het gaat er uiteindelijk natuurlijk ook om hoe de theorie uitpakt in de praktijk. Het hof is het met [appellant] eens dat een uitvoeringspraktijk die er (buiten de schuld van de gedetineerde) toe leidt dat advocaten met een concrete en verifieerbare taak worden geweerd, dan wel dat advocaten niet met voldoende voortvarendheid toegang tot de gedetineerde krijgen, in strijd is met de bedoeling van de wetgever en met artikel 6 EVRM. In dat geval kan het recht op effectieve rechtsbijstand in de praktijk immers alsnog worden geschonden.

Specifiek voor de zaak van [appellant] geldt het volgende. Zijn verzoek van 19 december 2026 is kennelijk pas op 23 december 2026 bij de Minister binnengekomen, vervolgens kennelijk ergens in januari opgepakt, waarna [appellant] pas op 30 januari 2026 mondeling om nadere informatie is gevraagd. Uiteindelijk volgde pas op 6 februari 2026 een afwijzing en ten tijde van de zitting in hoger beroep van 12 maart 2026 was nog niet beslist op het tegen die afwijzing gerichte bezwaar. De Staat merkt terecht op dat de vertraging deels aan [appellant] zelf is toe te rekenen, omdat hij zijn verzoek aanvankelijk anders had ingestoken en omdat hij zijn verzoek ook niet schriftelijk had onderbouwd. Volgens de Staat weigerde [appellant] eind 2025/begin 2026 ook om een nadere motivering te geven, toen een PI-medewerker hem daarnaar vroeg. [appellant] heeft dat laatste ter zitting betwist. Dit punt kan echter verder in het midden blijven omdat ook als in aanmerking wordt genomen dat een deel van de vertraging aan [appellant] te wijten is, er vooralsnog een beeld opdoemt van een vrij stroperige procedure. In dat verband valt ook op dat toen [appellant] het verzoek eenmaal wèl van een onderbouwing had voorzien in zijn mail van 25 februari 2026, en daarbij expliciet had verzocht om een spoedige en pragmatische afhandeling in verband met de voortgang van de strafzaak en dit kort geding, op 2 maart 2026 een nogal formalistische reactie volgde. Aan de Staat kan worden toegegeven dat [appellant] zelf ook in die fase meer had kunnen doen (proces-verbaal zitting strafzaak opsturen en/of direct na de mail van 2 maart 2026 laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere onderbouwing), maar de vraag rijst niettemin of in een geval als dit ook de Staat niet sneller en praktischer had kunnen en misschien ook wel had moeten schakelen, bijvoorbeeld door direct contact op te (laten) nemen met de AG om te checken of het door [appellant] gestelde klopte.

Hoe dit ook zij, ook als zou worden aangenomen dat de Staat enig verwijt kan worden gemaakt in dit verband, voert het naar voorlopig oordeel van het hof te ver om aan te nemen dat het feit dat mr. Roozemond nog geen toegang tot [appellant] heeft het gevolg is van aan de Staat toe te rekenen onrechtmatig handelen of nalaten. Overigens heeft [appellant] ook geen daarop aansluitende vordering ingesteld. Het hof volstaat daarom hier met de overweging dat het recht op vrije toegang tot een advocaat – onmisbaar voor een eerlijk proces – niet verder mag worden beperkt dan nodig met het oog op het nagestreefde doel en dat dit meebrengt dat een advocaat met een concrete en verifieerbare taak zo snel als redelijkerwijs mogelijk de toegang tot de gedetineerde wordt verleend.

Tot slot nog het volgende. [appellant] klaagt dat de verantwoordelijkheid voor het vinden van een extra advocaat ten onrechte is komen te liggen bij de twee door de gedetineerde aangewezen advocaten. De Staat heeft dit gemotiveerd betwist en heeft opgemerkt dat een gedetineerde een verzoek kan indienen om met de gewenste extra advocaat contact op te nemen en dat de deken in voorkomend geval een advocaat kan aanwijzen. In reactie op dat laatste heeft [appellant] tegengeworpen dat de gedetineerde dan eerst over een aantal afwijzingen moet beschikken. Hoe dit ook zij, hoewel formeel de verantwoordelijkheid niet bij de aangewezen advocaten ligt, is niet uitgesloten dat dit in de praktijk vaak anders uitpakt en dat dit de nodige haken en ogen kan hebben. Dat dit in de zaak van [appellant] tot een onrechtmatige situatie heeft geleid is naar voorlopig oordeel echter niet gebleken en bovendien geldt ook in dit verband dat geen sprake is van een hierop aansluitende vordering.

De conclusie luidt dat de vordering onder 1) niet toewijsbaar is. Grieven 6 tot en met 8 falen.

Visueel toezicht

De vorderingen onder 2 a) en b) strekken ertoe dat het de Staat wordt verboden om visueel toezicht te houden op de gesprekken van [appellant] met zijn advocaten totdat is voorzien in een individuele en gemotiveerde beoordeling, door een rechter of een daadwerkelijk onafhankelijke instantie, of zulk cameratoezicht nodig is (sub a), respectievelijk totdat is voorzien in de mogelijkheid voor [appellant] om dit toezicht te laten toetsen door een onafhankelijk orgaan, dat in elk geval de bevoegdheid moet hebben om de inzet van dat toezicht te voorkomen of te beëindigen. Het hof begrijpt hieruit dat het zowel om een beoordeling/controle vooraf gaat (is toezicht nodig/moet toezicht worden voorkomen? zie sub a en sub b eerste deel) als om een toetsing achteraf (moet het toezicht worden beëindigd? zie sub b tweede deel). Omdat de vordering in zoverre ingaat tegen de wet – waarin visueel toezicht op AIT-gedetineerden immers is voorgeschreven – geldt voor dit deel van de vordering de hierboven al vermelde ‘onmiskenbaar’-toets.

Naar het oordeel van het hof is van een onmiskenbaar onverbindende bepaling geen sprake. Artikel 38 lid 8 Pbw schrijft alleen visueel toezicht voor, en wel tijdelijk, namelijk gedurende gesprekken met een advocaat. Daarbij bepaalt de wet expliciet dat de vertrouwelijkheid niet in gevaar mag komen. Uit niets blijkt dat dit soort toezicht volgens het EHRM niet is toegestaan, dan wel dat het alleen is toegestaan met onafhankelijk toezicht (vooraf en/of achteraf). De EHRM-arresten waar [appellant] naar verwijst hebben betrekking op afluisteren of permanent visueel toezicht en daarop zien artikelen 38 lid 8 Pbw en 23b Pm niet. Ook het al eerder genoemde arrest van dit hof uit 2015 ziet op afluisteren en niet op visueel toezicht. Uit de rechtspraak van het EHRM is juist af te leiden dat uitsluitend visueel toezicht als hier bedoeld is toegestaan. Overigens is wel voorzien in enige vorm van onafhankelijk toezicht: niet weersproken is dat de Inspectie van Justitie en Veiligheid als onafhankelijke toezichthouder te allen tijde toegang heeft tot de locaties, systemen en informatie van DJI, ook die wat betreft het visueel toezicht, en dat deze Inspectie als daar aanleiding toe is onaangekondigde controles kan uitvoeren.

Er is verder voldaan aan de eis ‘bij wet voorzien’, nu het visueel toezicht in de wet is vastgelegd en in artikel 23b Pm regels zijn opgenomen over (onder meer) het van tevoren informeren van de gedetineerde en de advocaat, over het wissen van de beelden na het gesprek tenzij het gesprek is onderbroken en vervolgens beëindigd, over de termijnen van bewaring in dat laatste geval en over de mogelijkheden van beklag en beroep tegen de beslissing tot beëindiging (zie hierboven onder 3.11). Naar voorlopig oordeel van het hof zijn deze regels voldoende duidelijk en precies.

Zoals hiervoor al overwogen heeft het toezicht ook een legitiem doel, namelijk het voorkomen van misbruik van geprivilegieerd contact door gedetineerden met een hoog risico (zie 3.9. en 3.10. hierboven). Voldoende aannemelijk is dat het door de wetgever beoogde visueel toezicht noodzakelijk is om dat doel te bereiken en voldoet aan de proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Dat het een generieke maatregel is, doet daaraan niet af, omdat zoals hierboven al is overwogen aan de AIT-plaatsing wel een individuele toetsing voorafgaat, waarbij ook de effecten van het bijbehorende regime worden meegewogen. Tegen die AIT-plaatsing staat bovendien een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open.

De vorderingen onder 2 a) en b) zijn kortom niet toewijsbaar.

In de wet (artikel 23b Pm) is al bepaald dat de gedetineerde en de advocaat vooraf worden geïnformeerd over het visueel toezicht, dat de beelden terstond na het gesprek worden gewist tenzij het gesprek is onderbroken en vervolgens is geëindigd, en dat in het laatste geval de beelden worden verwijderd na het verstrijken van de in de wet vermelde termijnen. In zoverre wordt al tegemoetgekomen aan de vorderingen onder 2 c) tot en met f). Wat betreft de informatievoorziening geldt verder dat de DJI zowel voor advocaten als voor gedetineerden informatiebladen en -video’s heeft opgesteld over het te houden visueel toezicht.

Verder overweegt het hof ten aanzien van vorderingen 2 c) tot en met f) het volgende.

De vorderingen 2 c) tot en met f) (en daarop voortbouwend vordering 2 g) zijn naar het hof begrijpt in de kern gebaseerd op de vrees van [appellant] dat de vertrouwelijkheid, ondanks de goede bedoelingen van de wetgever, in de praktijk toch kan worden aangetast, door middel van liplezen of meelezen van documenten, of doordat microfoons toch aanstaan, al dan niet per ongeluk, en zo wordt meegeluisterd. Nu het daarbij gaat om de wijze waarop de wet in de praktijk wordt uitgevoerd, geldt in zoverre de hoge lat van ‘onmiskenbaar onverbindend’ niet en is de ruimere onrechtmatigheidstoets van toepassing.

Voorop staat dat het hof het begrijpelijk acht dat de NOvA zorgen heeft geuit. Ter zitting heeft het hof de Staat gevraagd waarom niet is gekozen voor afzonderlijke spreekkamers voor relatiebezoek (meer camera’s, die alles kunnen filmen, en wel microfoons) respectievelijk advocatenbezoek (strategisch gepositioneerde camera en géén microfoons). In dat geval was waarschijnlijk veel discussie voorkomen. De Staat heeft daarop geantwoord dat hiervoor onvoldoende ruimte was, en dat gekozen is voor meer flexibiliteit. Men wilde voorkomen dat er geen kamer vrij zou zijn voor relatiebezoek, terwijl er wel een advocatenkamer leeg zou staan, aldus de Staat. Gevraagd naar het aantal spreekkamers ten opzichte van het aantal gedetineerden heeft de Staat wat betreft de [PI] cijfers genoemd die [appellant] vervolgens heeft weersproken. Volgens [appellant] is de vrees voor onvoldoende flexibiliteit onterecht.

Wat daar ook van zij, waar het om gaat is of de zorgen over mogelijke inbreuken op de vertrouwelijkheid in de huidige situatie van [appellant] reëel zijn. Daarbij geldt zoals hierboven overwogen dat ook als niet daadwerkelijk wordt afgeluisterd of daadwerkelijk sprake is van liplezen en/of meelezen, wel sprake kan zijn van een schending van het recht op vertrouwelijk contact, namelijk als de overtuiging bestaat dat kennis wordt genomen van vertrouwelijke informatie én die overtuiging is gebaseerd op redelijke gronden. Het is juist dat in de zaak Castravet tegen Moldavië, waarin het EHRM dit criterium heeft geformuleerd (zie hierboven onder 6.4.), in dat verband van betekenis werd geacht dat er binnen de advocatuur ernstige en breed gedeelde zorgen bestonden. Anders dan [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd kan daaruit echter niet worden afgeleid dat zodra dergelijke breed gedeelde zorgen binnen de advocatuur bestaan, er “dus” sprake is van een “genuine belief on reasonable grounds” en daarmee van een ontoelaatbare inbreuk op artikel 6 EVRM. Dit zal in elke afzonderlijke zaak moeten worden getoetst.

Niet in geschil is dat de Staat naar aanleiding van de gesprekken met de NOvA een aantal aanpassingen heeft doorgevoerd. Zo heeft de Staat het aantal beeldframes dat de voor advocatentoezicht bedoelde camera’s (aan de wand) per seconde kunnen opnemen teruggebracht. [appellant] heeft ter zitting verklaard dat het beeld daardoor inderdaad zo schokkerig wordt dat liplezen niet mogelijk is.

De Staat heeft uitgelegd dat de stand van zaken momenteel als volgt is.

Er zijn twee gescheiden systemen, één voor relatiebezoek en één voor advocatenbezoek. De toezichthoudende medewerker van de PI heeft een agenda waarin de bezoeken zijn genoteerd. Als een advocaat met een gedetineerde komt spreken, stelt de medewerker met één druk op de knop het systeem voor advocatenbezoek in werking.

In dat geval gaat uitsluitend de daarvoor bestemde camera aan de wand aan. De andere camera (aan het plafond) blijft dan uit, en datzelfde geldt voor de microfoon. De gedetineerde en advocaat kunnen een en ander controleren aan de hand van de lampjes op een paneel dat zich in de spreekkamer bevindt: alleen het bij de ingeschakelde camera behorende lampje gaat branden, de overige lampjes (behorend bij de camera aan het plafond en de microfoon) blijven uit.

Als de bij het bezoek gebruikte laptop en/of stukken word(t)(en) geplaatst op het daarvoor aangegeven vak op de tafel, kan met de ingeschakelde camera niet worden meegelezen. Als extra waarborg is vanuit de software namelijk geregeld dat een ‘digitaal privacy mask’ (een zwart vlak) het aangegeven vak op het tafelblad en alles wat daarop ligt onzichtbaar maakt.

Zoals in de wet is bepaald worden de camerabeelden direct na een gesprek gewist (tenzij het gesprek is onderbroken en vervolgens beëindigd). Het systeem vraagt na afsluiting van het bezoek steeds een beslissing daarover. In april zal er een software-update volgen waarna de camerabeelden automatisch zullen worden verwijderd bij het afsluiten van een bezoek dat niet is beëindigd door de directeur. Als dat laatste (beëindiging gesprek) wel is gebeurd worden de beelden gedurende de in de wet geregelde termijnen bewaard in een lokale beveiligde digitale omgeving. Dat betreft een NAS (Network Attached Storage) en deze NAS staat in een beveiligde serverruimte waartoe alleen geautoriseerd personeel toegang heeft.

Alle handelingen van de toezichthoudende medewerker(s) worden vastgelegd in een auditlog. Daarin zal dus ook terug te vinden zijn welk systeem wanneer is ingeschakeld. Opgeslagen beelden zijn alleen toegankelijk voor door de directeur van de PI aangewezen en geautoriseerde medewerkers. De autorisaties worden door de directeur vastgelegd in het informatie- en privacyplan van de PI en ook alle handelingen met betrekking tot de beelden worden vastgelegd in een auditlog dat onder de verantwoordelijkheid valt van de directeur.

Het hele systeem, dus inclusief de technische aspecten ervan, zal onderwerp zijn van een onafhankelijke audit.

Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze uitleg. Naar het hof begrijpt betwist [appellant] ook niet zozeer dat deze uitleg op papier klopt, maar voert hij aan dat er onvoldoende zekerheid is dat het niet mis kan gaan, bijvoorbeeld door een technische hapering of door een menselijke fout.

Zo heeft [appellant] erop gewezen dat de camera’s allerlei state-of-the-art mogelijkheden hebben die het mogelijk zouden kunnen maken dat kennis wordt genomen van vertrouwelijke informatie door middel van meelezen en liplezen. De Staat heeft daartegen ingebracht dat inzoomen, vergroten en terugspoelen technisch onmogelijk zijn gemaakt in het gebruikte systeem voor advocatenbezoek. Bovendien staat niet ter discussie dat door het terugbrengen van het aantal frames per seconde, liplezen sowieso niet mogelijk is. [appellant] heeft ter zitting aangevoerd dat het niet is uitgesloten dat de toezichthoudende medewerker, al dan niet per ongeluk, bij een advocatenbezoek het voor relatiebezoek bedoelde systeem aanzet, waardoor a) meer camera’s ingeschakeld worden en deze bovendien het normale aantal beelden per seconde opnemen, en b) ook de microfoons in werking worden gesteld. De Staat heeft daar echter terecht tegen ingebracht dat dit in zo’n geval zichtbaar zou zijn door de lampjes op het paneel. Volgens [appellant] heeft hij het een keer meegemaakt dat bij een relatiebezoek het lampje dat aangeeft dat wordt meegeluisterd pas 20 minuten later ging branden. De Staat heeft dit bij gebrek aan wetenschap betwist en nu [appellant] niet heeft verteld waar en wanneer dit precies is gebeurd, kon van de Staat ook geen verdere reactie worden verwacht. Het hof kan er in dit geding dan ook niet vanuit gaat dat dit is gebeurd.

Waar het op neer komt is dat er, bij de huidige technische constellatie, alleen dan ongemerkt kan worden meegeluisterd, meegelezen of gebruik kan worden gemaakt van liplezen als (i) het verkeerde systeem wordt aangezet (menselijke fout) én (ii) de lampjes niet (op de juiste manier) werken (technische hapering) én (iii) de toezichthoudende medewerker niet ingrijpt, terwijl deze direct zal moeten merken dat er iets fout gaat (er is dan immers geluid en er zijn meer beelden, terwijl dit alles niet zou mogen bij advocatenbezoek).

Het hof heeft begrip voor de behoefte van [appellant] en zijn advocaten om (meer) zekerheid te krijgen. Het recht op vertrouwelijk contact met een advocaat is immers zoals gezegd onmisbaar voor een eerlijk proces. Dat neemt echter niet weg dat sprake moet zijn van een “genuine belief on reasonable grounds” dat die vertrouwelijkheid in gevaar is. Dat aan dat criterium is voldaan is naar voorlopig oordeel van het hof bij de huidige stand van zaken onvoldoende aannemelijk geworden. Het hof acht het een goede zaak dat de werking van het systeem onderworpen zal worden aan een onafhankelijke audit en gaat ervan uit dat als uit die audit blijkt dat toch sprake is van onaanvaardbare kwetsbaarheden, verdere aanpassingen met de vereiste voortvarendheid zullen volgen.

[appellant] heeft in de appeldagvaarding nog aangevoerd dat de AVG en de RGR van toepassing zijn op het opnemen en bewaren van camerabeelden (grief 5). De Staat heeft daarover terecht opgemerkt dat [appellant] niet stelt dat de wet of de praktijk niet aan de daaruit voortvloeiende eisen voldoet. Ter zitting heeft [appellant] in dat verband alleen nog opgemerkt dat uit de AVG volgt dat hij inzicht moet hebben in welke data worden verwerkt, hoe zij worden beveiligd, wie toegang heeft tot de opnames, wie verantwoordelijk is voor het beheer en door wie en waaruit de beelden kunnen worden bekeken. Naar voorlopig oordeel van het hof is dat inzicht voldoende verschaft door wat hierover in de wet is opgenomen, door wat hierover is opgenomen in de door de DJI opgestelde informatiebladen en -video’s voor advocaten als voor gedetineerden en door de nadere uitleg van de Staat. Het enkele feit dat zijn advocaten geen toegang hebben tot de meekijkruimte en dus niet kunnen verifiëren dat de data inderdaad niet worden opgeslagen (pleitnota 9) is onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van een met de AVG strijdige situatie.

Ook vorderingen 2 sub c) tot en f) zijn dus niet toewijsbaar. Gezien het voorgaande ziet het hof evenmin aanleiding voor een andere voorziening zoals onder 2 sub g) gevorderd. Grieven 2 tot en met 5 slagen niet. Grief 1 is wel gegrond, maar zoals uit het voorgaande blijkt leidt het feit dat ook artikel 8 EVRM van toepassing is niet tot een ander resultaat.

Conclusie en proceskosten

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:

griffierecht € 851,-

salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 3.620,-

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.

7. Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 26 november 2025;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.620,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;

- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;

- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, H.J.M. Burg en R.J.J. Aerts en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand