[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00 subsidiair 12 dagen hechtenis, te voldoen in 12 termijnen van elk € 50,00.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 juli 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 600,00, te betalen in termijnen.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 9 juli 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Beslissing omtrent voorwaardelijk getuigenverzoek
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de overgelegde pleitnotitie een voorwaardelijk verzoek gedaan om verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen indien het hof niet tot een vrijspraak komt.
Het hof heeft die verzoeken beoordeeld als niet in voorwaardelijke zin gedaan en, nu deze ter zitting in hoger beroep zijn gedaan, getoetst aan het criterium of de noodzaak van het verzochte is gebleken.
Het hof overweegt hierover als volgt.
In het arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging moeten worden gemotiveerd. Als zo’n verzoek wordt gedaan met het oog op de onderbouwing van het verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek en strekt tot de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, wordt van de verdediging gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom getuigen moeten worden gehoord (vlg. ECLI:NL:HR:2021:1279).
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] moeten worden gehoord over de aanhouding, de verdenking en over de (subjectieve) waarnemingen die zij hebben gedaan. In het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte heeft verbalisant [verbalisant 2] een opsomming gegeven van de aanwijzingen die tot het bevel van onderzoek aan het lichaam hebben geleid, namelijk:
Dit is een opsomming van aanwijzingen die naar het oordeel van het hof objectieve waarnemingen betreffen dan wel feitelijke constateringen zijn die door de verdediging niet zijn weersproken. Behalve de waarneming dat de verdachte zenuwachtig zou zijn geweest. Het hof merkt daarover op dat de verdachte tijdens het politieverhoor d.d. 9 juli 2024 zelf heeft bevestigd dat hij zenuwachtig was tijdens de controle.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het getuigenverzoek onvoldoende is gemotiveerd en dat dit gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad wel van de verdediging gevergd mocht worden. Het hof wijst het getuigenverzoek daarom af om reden dat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd waardoor de noodzaak van het verzochte getuigenverzoek, aan het hof niet is gebleken.
Nadere bewijsoverweging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de fouillering van de verdachte onrechtmatig is geweest, aangezien er onvoldoende ernstige bezwaren aan te nemen waren om tot onderzoek aan het lichaam van de verdachte over te gaan. De fouillering heeft uiteindelijk geleid tot de vondst van de verdovende middelen. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
In het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , is een opsomming gegeven van de aanwijzingen die hebben geleid tot het bevel van onderzoek aan het lichaam van de verdachte. Naar het oordeel van het hof zijn deze aanwijzingen te samen voldoende voor het aannemen van de ernstige bezwaren die op grond van artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering vereist zijn voor het doen van onderzoek aan het lichaam van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij is onderzocht aan zijn lichaam en dat de verbalisant daarbij met zijn hand ook in zijn onderbroek is gegaan. Hij heeft daarbij benadrukt dat hierbij ook zijn geslachtsdeel is aangeraakt, wat hij als bijzonder vervelend heeft ervaren. Dit onderzoek aan het lichaam is gerelateerd door de verbalisant in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte. De verdachte is, blijkens dit proces-verbaal en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, vervolgens gevraagd om zich te ontdoen van zijn kleding en in zijn onderbroek is uiteindelijk cocaïne aangetroffen. Nu er een rechtmatige grond voor het onderzoek aan het lichaam van de verdachte is geweest, komt (juridisch) geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte bij de uitvoering van deze bevoegdheid in zijn lichamelijke integriteit zou zijn aangetast omdat bij het onderzoek aan het lichaam zijn geslachtsdeel werd aangeraakt, zoals door de verdediging is gesteld.
Het hof komt tot het oordeel dat de fouillering van de verdachte rechtmatig is verlopen en verwerpt het verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 3,2 gram cocaïne. Verdovende middelen zoals cocaïne vormen een gevaar voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van (ernstige) criminaliteit.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Bij de bepaling van de straf heeft het hof mede acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, datum registratie CJIB op
12 december 2024, onder CJIB-nummer [CJIB-nummer] .
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 8 (acht) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 75 (vijfenzeventig euro).
Bepaalt dat het totaal van de geldboetes mag worden voldaan in 8 (acht) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 75,00 (vijfenzeventig euro).
Dit arrest is gewezen door mr. O.M. Harms, mr. A.E. Mos-Verstraten en
mr. A.J.P. van Beurden, in bijzijn van de griffier mr. L.W.J. Cramer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 januari 2026.