GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer : 200.367.334/01Parketnummer hoofdzaak : 22-002560-23
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
adres: [adres] , [woonplaats] ,
hierna ook te noemen: verzoeker.
Het geding
3. De wrakingskamer heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2026 en van het arrest van het hof van 2 april 2026.
4. De raadsheren hebben niet in de wraking berust.
5. Om na te melden redenen heeft de wrakingskamer afgezien van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.
De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek
6. De wrakingskamer stelt vast dat de raadsheren in de strafzaak geregistreerd onder rolnummer 22-002560-23 ter openbare terechtzitting van 2 april 2026 mondeling arrest hebben gewezen. Verzoeker heeft bij e-mail van 3 april 2026 het wrakingsverzoek ingediend. Dat betekent dat verzoeker het wrakingsverzoek heeft ingediend nadat het arrest is gewezen en dat de behandeling van de strafzaak op het moment van indienen van het wrakingsverzoek dus al was geëindigd.
7. Nu de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan, is verzoeker om die reden niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
8. Artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de wrakingskamer de mogelijkheid heeft om kennelijk niet-ontvankelijke wrakingsverzoeken zonder mondelinge behandeling af te doen. Blijkens artikel 4, tweede lid aanhef en sub e, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag is hier sprake van indien het wrakingsverzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan. Nu aanstonds duidelijk is dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek, zal worden afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.
Beslissing
Het hof:
Deze beslissing is gegeven op 21 april 2026 door mr. K. Schaffels, mr. C.A. Joustra en mr. M.J.M. van der Weijden, in aanwezigheid van de griffier mr. V.V. de Lange.