ECLI:NL:GHDHA:2026:1291

ECLI:NL:GHDHA:2026:1291

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 200.366.798/01
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Faillissement. Afwijzing. Niet summierlijk gebleken van vorderingsrecht aanvrager.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.366.798/01

Rekestnummer rechtbank : C/09/698101 / FT RK 26/32

Beschikking van 21 april 2026

in de zaak van

Lambertus Hendrikus [appellant],

wonend in [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.J. Scheltema, kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

Maarten [verweerder],

wonend in [woonplaats],

verweerder,

advocaat: mr. N.F. Barthel, kantoorhoudend in Zoetermeer.

Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [verweerder].

1. Procesverloop

De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 17 maart 2026 het verzoek van [appellant] om [verweerder] in staat van faillissement te verklaren afgewezen. [appellant] is hiervan in hoger beroep gekomen bij verzoekschrift (met bijlagen), ingekomen ter griffie van het hof op 24 maart 2026. Hij heeft het hof verzocht de beschikking te vernietigen en alsnog het faillissement van [verweerder] uit te spreken.

[verweerder] heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Van [appellant] zijn aanvullende bijlagen (24 tot en met 27) ontvangen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2026.

[appellant] zelf is niet verschenen; alleen zijn advocaten mr. Scheltema voornoemd en diens kantoorgenoot mr. V.S.T. Leenders,

[verweerder] is wel verschenen, bijgestaan door mr. Barthel voornoemd en vergezeld van de heer [naam].

De wederzijdse advocaten hebben de standpunten toegelicht en er zijn vragen beantwoord. Mr. Scheltema heeft gebruikgemaakt van aan het hof overgelegde pleitnotities (met bijgevoegd bijlagen 28 tot en met 30).

2. Beoordeling van het hoger beroep

De rechtbank heeft het faillissementsverzoek afgewezen op de grond dat het bestaan van het door [appellant] gestelde vorderingsrecht niet summierlijk is gebleken.

[appellant], die het hiermee niet mee eens is, heeft over het vorderingsrecht onder meer het volgende aangevoerd. [appellant] heeft in totaal € 500.000,- uitgeleend aan Prejex Holding GmbH (hierna: Prejex) en €100.000,- aan [verweerder] in privé. De lening aan [verweerder] is omgezet in (eveneens) een lening aan Prejex. [verweerder] is bestuurder van Prejex. De leningen moesten uiterlijk op 1 april 2025 zijn terugbetaald, maar dat is niet gebeurd. Ook is de verschuldigde rente onbetaald gebleven. Ten tijde van de indiening van het faillissementsrekest was de schuld van Prejex uit hoofde van de geldleningen daardoor opgelopen tot € 644.000,-.Volgens [appellant] heeft [verweerder] hem ertoe bewogen (door het schetsen van positieve vooruitzichten van Prejex) de leningen te verstrekken, deze om te zetten en de looptijd ervan te verlengen, terwijl [verweerder] wist of moest begrijpen dat Prejex niet zou kunnen terugbetalen en ook geen verhaal zou bieden. De leningen zijn ook niet gebruikt voor het binnen Prejex te ontwikkelen product. Prejex heeft al haar relevante activa en intellectuele eigendomsrechten op 20 augustus 2024 voor € 1,- overgedragen aan Prejex Holding S.A., een Luxemburgse vennootschap, waarin [verweerder] een aanzienlijk aandelenbelang heeft, waarna Prejex als lege huls is achtergelaten en geen verhaal meer biedt. [verweerder] is dan ook uit hoofde van onrechtmatige daad en/of bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk voor de vordering uit hoofde van de geldleningen.

[verweerder] heeft het door [appellant] gestelde vorderingsrecht gemotiveerd betwist. Hij weerspreekt dat hij [appellant] onjuist zou hebben voorgelicht en dat Prejex geen verhaal zou bieden. Prejex is een lopende onderneming die zich bezighoudt met het ontwikkelen van een naaldloze injectiespuit. Voor dat product loopt een FDA-aanvraag; de ontkenning hiervan door [appellant] is onterecht. Zodra de FDA-goedkeuring binnen is kan binnen zes maanden worden begonnen met de productie. Daarnaast heeft [verweerder] samen met (de advocaat van) Prejex juridische stappen ondernomen ter vaststelling van de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de verplichting tot overdracht van de intellectuele eigendomsrechten, welke overdracht volgens [verweerder] nog niet heeft plaatsgevonden. Verder stelt [verweerder] dat de leningen weliswaar zijn verstrekt met de bedoeling om te investeren in Prejex, maar dat hem later is gebleken dat het [appellant] erom te doen was het door Prejex ontwikkelde product in handen te krijgen.

Gelet op het verhandelde ter zitting en de over en weer overgelegde stukken kan ook in hoger beroep de conclusie geen andere zijn dan dat het bestaan van het door [appellant] jegens [verweerder] gepretendeerde (op bestuurdersaansprakelijkheid en onrechtmatige daad gestoelde) vorderingsrecht niet summierlijk is gebleken. Partijen maken elkaar over en weer ernstige verwijten en verschillen op (vrijwel) alle voor bedoeld vorderingsrecht relevante punten van mening. Tegenover de betwisting hiervan door [verweerder], heeft [appellant] onvoldoende aangevoerd om met hem te kunnen concluderen dat [verweerder] bewust een schijnconstructie heeft opgezet om hem als schuldeiser van Prejex te benadelen. Als gezegd ontkent [verweerder] dat Prejex geen verhaal biedt en betwist hij onder meer de geldigheid van de gestelde (verplichting tot) overdracht van de activa en intellectuele eigendomsrechten van Prejex. Welke partij het gelijk aan zijn zijde heeft kan zonder nader feitenonderzoek niet worden vastgesteld. Dat geldt ook voor [appellant] ontkenning van, althans twijfel over, [verweerder] stelling dat er een FDA-aanvraag loopt. Voor dergelijk feitenonderzoek is in de onderhavige procedure geen ruimte.

Omdat het vorderingsrecht van [appellant] niet summierlijk is gebleken is zijn daarop gebaseerde faillissementsverzoek ook in hoger beroep niet voor toewijzing vatbaar. De bestreden, afwijzende, beschikking dient daarom te worden bekrachtigd.

3. Beslissing

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 maart 2026.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van der Klooster, I. Brand enA.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand