ECLI:NL:GHDHA:2026:131

ECLI:NL:GHDHA:2026:131

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 22-001929-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Profijtontneming. Ontbreken SFO, als gevolg waarvan artikel 36e lid 3 (oud) buiten toepassing dient te blijven. Wel ontneming op basis van artikel 36e lid 2 (oud). Ontneming voordeel terwijl één van de strafbare feiten vanwege verjaring niet meer vervolgd kan worden.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag,

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2024 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

BRP-adres: [woonadres] , [woonplaats] ,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats] .

Procesgang

Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 11 juli 2022 is de betrokkene, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van het voorarrest. De verdachte is bij arrest van 3 februari 2026 van dit hof, na terugwijzing door de Hoge Raad ten aanzien van uitsluitend de strafoplegging (met uitzondering van de verbeurdverklaring en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 22 mei 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 236.095,00 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 230.105,00.

Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het openbaar ministerie

De oorspronkelijke vordering van het openbaar ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 236.095,00 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gepersisteerd bij deze vordering.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht.

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad in de strafzaak heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de onder feit 3 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde verduistering in zaaksdossier [zaaksdossier 1] het recht tot strafvervolging wegens verjaring is komen te vervallen en daarmee ook de grondslag om ten aanzien van dit feit de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel - hetgeen de rechtbank heeft becijferd op € 19.010,00 - te vorderen is vervallen.

Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de beoordeling van de ontnemingsvordering ten aanzien van het gewoontewitwassen ten onrechte is uitgegaan van de huidige redactie van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), nu de bewezenverklaarde feiten deels vóór 1 juli 2011 hebben plaatsgevonden.

Voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op de grondslag van artikel 36e derde lid (oud) was tot 1 juli 2011 vereist dat een strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) had plaatsgevonden, hetgeen ten aanzien van de betrokkene niet is gebeurd. De inwerkingtreding van artikel 36e, derde lid, in zijn huidige vorm, waarin het vereiste dat een sfo is ingesteld is vervallen, houdt derhalve een uitbreiding in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Om die reden dient artikel 36e, derde lid, in zijn huidige vorm buiten toepassing te blijven en kan ook geen toepassing worden gegeven aan het per 1 juli 2011 in dit artikellid opgenomen bewijsvermoeden, aldus de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal acht ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit het bewezenverklaarde zaaksdossier (gewoonte)witwassen evenmin mogelijk op de grondslag van artikel 36e tweede lid (oud), nu dat artikellid eist dat (kort gezegd) de strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Volgens de advocaat-generaal volgt uit de ontnemingsrapportage dat het geld dat onderwerp was van het witwassen door de betrokkene voordeel betreft uit strafbare feiten die gepleegd zijn door de rechtspersonen waaraan hij feitelijk leiding heeft gegeven en niet door hemzelf. Op grond van het hiervoor naar voren gebrachte concludeert de advocaat-generaal dat het in het ontnemingsrapport genoemde voordeel uit (gewoonte)witwassen van € 153.690,00 niet meegerekend kan worden bij het wederrechtelijk verkregen voordeel.

In het ontnemingsvonnis heeft de rechtbank ten aanzien van de veroordeling wegens bedrieglijke bankbreuk in zaaksdossier [zaaksdossier 2] het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 66.810,00, waarvan de helft, € 33.405,00, aan de betrokkene is toegerekend. Nu in de strafzaak de vordering benadeelde partij van de curator in het faillissement van [bedrijf] inmiddels onherroepelijk is toegewezen, dient dit bedrag in mindering te worden gebracht bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Anders dan nu, kende artikel 36e Sr (oud) niet de eis dat de vordering diende te zijn voldaan om in aftrek gebracht te kunnen worden.

De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat volgt uit de ontnemingsrapportage na aftrek van de bovengenoemde bedragen nog € 29.000,00 resteert. Nu de waarde van de inmiddels onherroepelijk verbeurdverklaarde goederen dit bedrag overstijgt, resteert geen te ontnemen voordeel. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dient dan ook te worden vastgesteld op nihil.

De verdediging heeft zich hierbij aangesloten.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsvoering

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in de (in de voetnoten vermelde) wettige bewijsmiddelen. Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt het volgende overwogen.

Beoordeling van de vordering

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het ontbreken van een sfo gevolgen heeft voor de beoordeling van de ontnemingsvordering, in die zin dat artikel 36e, derde lid (oud) in de ontnemingszaak van de betrokkene geen toepassing vindt. Dat is anders voor artikel 36e, tweede lid (oud). Op basis van dat artikellid kon tot 1 juli 2011 een ontnemingsverplichting worden opgelegd aan de betrokkene die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld of uit soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan. Een daaraan voorafgaand sfo was daartoe niet vereist.

De hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Zaaksdossier [zaaksdossier 1] , € 20.000,00

Hoewel blijkens het arrest van de Hoge Raad in de strafzaak het recht op strafvervolging ten aanzien van de door het hof bewezenverklaarde verduistering is vervallen als gevolg van verjaring, staat dit niet in de weg aan ontneming van het wederechtelijk voordeel dat de betrokkene hieruit heeft verkregen. In de strafzaak is de betrokkene veroordeeld ten aanzien van meerdere andere strafbare feiten. Artikel 36e , tweede lid (oud) eist enkel dat er voordeel is verkregen uit feiten die soortgelijk zijn aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld en dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene die soortgelijke feiten heeft begaan. Genoemde bepaling stelt geen beperking ten aanzien van de periode waarin die soortgelijke feiten hebben plaatsgevonden en houdt niet in dat ten aanzien van die feiten (nog) een recht tot strafvordering moet bestaan. De verduistering is soortgelijk aan de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld. Nu het hof dit feit eerder bewezen heeft geacht bestaan voldoende aanwijzingen dat dit feit door de betrokkene is begaan en dat hij daar voordeel uit heeft genoten. Evenals de rechtbank brengt het hof € 990,00 in aftrek wegens verrichte terugbetalingen, zodat het wederechtelijk verkregen voordeel € 19.010,00 bedraagt.

Zaaksdossier witwassen, € 153.690,00

Blijkens de ontnemingsrapportage gaat het om een bedrag van € 106.590,00 dat in 74 contante stortingen op de rekening van de partner van de betrokkene is gestort. Daarnaast betreft het een bedrag van in totaal € 47.100,00 dat contant is aangetroffen in de woning waar de betrokkene verbleef. In de strafzaak is de betrokkene veroordeeld voor het (gewoonte)witwassen van onder andere deze bedragen.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de opvatting dat een bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel vormt alleen al doordat het voorwerp is van bewezenverklaard witwassen onjuist is. Om een bedrag te kunnen ontnemen moet kunnen worden vastgesteld dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde witwassen daadwerkelijk tot dat bedrag wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, in die zin dat zijn vermogen is vermeerderd. Naar het oordeel van het hof kan dit op basis van het dossier niet worden vastgesteld, zodat de veroordeling wegens witwassen niet zonder meer ten grondslag kan worden gelegd aan de ontneming van het betreffende bedrag.

Wel bestaan naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen dat door de betrokkene soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd zijn begaan, waaruit de betrokkene dit voordeel heeft verkregen. Daartoe is van belang dat uit de bewezenverklaring in de strafzaak volgt dat de betrokkene zich in de tenlastegelegde periode op grote schaal heeft beziggehouden met het plegen van (vermogens)delicten als oplichting, verduistering, valsheid in geschrift en bedrieglijke bankbreuk. Hij is tevens veroordeeld wegens leiderschap van een criminele organisatie die tot doel had het gewoontewitwassen van gelden die van misdrijf afkomstig waren. Daar komt bij dat de betrokkene ook in de voorafgaande jaren is veroordeeld wegens oplichting, valsheid in geschrift en bedrieglijke bankbreuk.

De betrokkene heeft voor de contante stortingen op de bankrekening van zijn partner en voor de aanwezigheid van de contante geldbedragen in de woning waar hij verbleef wisselende verklaringen afgelegd, die op geen enkele manier zijn onderbouwd. Het hof acht deze verklaringen dan ook niet aannemelijk geworden. De contante bedragen tot een totaal van € 153.690,00 worden daarom aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel uit de eerdergenoemde overige strafbare feiten.

Voor zover het wederrechtelijk verkregen voordeel is behaald door strafbare feiten welke zijn gepleegd door of middels de vennootschappen waarvan de betrokkene blijkens het strafdossier feitelijk leidinggever was – op welke situatie de advocaat-generaal in zijn requisitoir heeft gedoeld – geldt het volgende. De betrokkene is in de strafzaak ook veroordeeld voor leiderschap van een criminele organisatie die werd gevormd door hemzelf, de medeverdachte [medeverdachte] en de aan hen gelieerde bedrijven. In het arrest is overwogen dat de betrokkene binnen deze criminele organisatie fungeerde als spin in het web die telkens bepaalde wat er moest gebeuren. Omdat hij in dat geval wordt geacht te hebben gedeeld in de opbrengst, kan het voordeel worden aangemerkt als verkregen door middel van de deelneming aan de criminele organisatie.

Zaaksdossier [zaaksdossier 3] , € 29.000,00

Dit bedrag betreft de opbrengst van de oplichting van [bank] , welke erin heeft geresulteerd dat ten onrechte een krediet ad € 29.000,00 is verstrekt aan [persoon] . De betrokkene heeft wederechtelijk voordeel verkregen tot dit bedrag.

Zaaksdossier [zaaksdossier 2] : € 66.810,00

Dit hof heeft de betrokkene veroordeeld voor het onttrekken van een geldbedrag van € 66.810,00 uit [bedrijf] waarmee hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard de rechten van diens schuldeisers te verkorten.

Toerekening van dit voordeel

De betrokkene heeft ten aanzien van zaaksdossier [zaaksdossier 2] samen met een ander

wederrechtelijk voordeel verkregen. In het onderzoek heeft het hof, evenals de rechtbank, geen aanknopingspunten gevonden voor de wijze van verdeling van de opbrengst. De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de onderlinge verdeling van het verkregen voordeel. Ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten voor een bepaalde verdeelsleutel tussen de betrokkene en die ander. Het hof zal daarom uitgaan van een gelijke verdeling, zodat het aan de betrokkene toe te rekenen deel € 33.405,00 bedraagt.

Subtotaal: € 235.105,00

In mindering brengen vordering benadeelde partij

Gelet op artikel 36e, achtste lid (oud) worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht.

Bij arrest van 11 juli 2022 is de betrokkene onherroepelijk veroordeeld tot betaling aan de staat van € 66.810,00 ten behoeve van de benadeelde partij mr. [benadeelde partij] in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van [bedrijf] . Nu de betrokkene met een ander hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van dit bedrag zal het hof dit halveren. Niet is gebleken dat een groter deel voor rekening van de betrokkene is gekomen of zal komen. Voor zover dat het geval is, kan de betrokkene regres nemen op zijn mededader. Aldus komt een bedrag van € 33.405,00 in mindering op het totaalbedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op voorgaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 201.700,00.

Vaststelling van de betalingsverplichting

In mindering brengen waarde verbeurdverklaarde goederen

Bij arrest van dit hof van 11 juli 2022 in de strafzaak zijn voorwerpen en geld verbeurd verklaard. De verbeurdverklaring is onherroepelijk geworden met het gewezen arrest door de Hoge Raad in cassatie. De waarde van deze verbeurdverklaarde goederen moet in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting. Dit betreft een totaalbedrag van € 58.652,69.

Redelijke termijn

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is geschonden. Dit dient vermindering van de betalingsverplichting met zich mee te brengen, welke naar het oordeel van de Hoge Raad in beginsel niet meer dan € 5.000,00 dient te zijn. De woorden “in beginsel” impliceren naar het oordeel van de verdediging dat er in bijzondere gevallen, en de onderhavige zaak is gezien het enorme tijdsverloop een bijzonder geval, ten gunste van de betrokkene afgeweken kan worden van de korting van € 5.000,00 in die zin dat de korting hoger kan en dient te zijn.

Het hof oordeelt als volgt.

De redelijke termijn waarbinnen de ontnemingszaak afgedaan had moeten worden is in eerste aanleg met meer dan zes jaar overschreden. Dat is een forse overschrijding. In hoger beroep heeft geen overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een vermindering van de betalingsverplichting met € 5.000,00 recht doet aan het tijdsverloop in deze zaak in eerste aanleg.

Conclusie

Het hof is concluderend van oordeel dat aan de betrokkene de verplichting moet worden opgelegd tot betaling van een bedrag van: (€ 201.700,00 -/- € 58.652,69 -/- € 5.000,00 =) € 138.047,31 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof zal de betrokkene de verplichting opleggen laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 201.700,00 (tweehonderdeenduizend zevenhonderd euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van € 138.047,31 (honderdachtendertigduizend zevenenveertig euro en eenendertig cent) aan de Staat ter

ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. H. Steenhuis, als voorzitter, mr. TH.W.H.E. Schmitz en mr. M.S. Lamboo, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.R.J. Heuvelman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. TH.W.H.E. Schmitz
  • mr. M.S. Lamboo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?