GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.334.376/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 20-5356
zaaknummer rechtbank : C/09/597532
beschikking van de meervoudige kamer van 15 april 2026
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] , België,
verzoeker in het hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. C. Car te Den Haag,
tegen
[de moeder] (in de rechtbankbeschikking [de moeder] genoemd),
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio [regio] ,
locatie: [vestigingslocatie] ,
hierna te noemen: de raad.
1. Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 augustus 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in hoger beroep naar de tussenbeschikkingen van dit hof van 20 november 2024 en 19 februari 2025.
Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:
het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 26 september 2025, ingekomen op 3 oktober 2025;
een journaalbericht van de zijde van de vader van 16 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum;
een journaalbericht van de zijde van de moeder van 12 november 2025, ingekomen op diezelfde datum.
De voorzitter heeft [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige) uitgenodigd om zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
De mondelinge behandeling heeft op 26 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en de heer [tolk] als tolk in de Turkse taal;
- mr. S. Kandemir namens de vrouw;
- de heer [vertegenwoordiger van de raad] als vertegenwoordiger van de raad.
De vrouw is niet in persoon ter zitting verschenen.
Na de mondelinge behandeling heeft het hof, zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, op 4 maart 2026 nog een e-mail ontvangen van de raad met daarin antwoord op de vraag van het hof waar partijen zich het beste kunnen melden voor hulpverlening.
2. De verdere beoordeling
Het raadsonderzoek
De raad heeft naar aanleiding van het verzoek van het hof in de beschikking van 19 februari 2025 onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van statusvoorlichting, contactherstel en gezamenlijk gezag. Naar aanleiding van zijn bevindingen heeft de raad het hof geadviseerd om het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af te wijzen en het eenhoofdig gezag van de moeder in stand te laten. Daarnaast heeft de raad een verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige bij de rechtbank ingediend en het hof geadviseerd de beslissing over de omgangsregeling zes maanden aan te houden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling. In het kader van de ondertoezichtstelling moet volgens de raad gewerkt worden aan statusvoorlichting via een [hulpverleningstraject] , zodat de minderjarige te horen krijgt wie zijn vader is. Daarnaast moet in de individuele psychologische hulpverlening voor de moeder (via haar psycholoog) gewerkt worden aan het verminderen van haar angsten en het accepteren dat de vader ook een rol moet hebben in het leven van de minderjarige, nu daarin sinds het vorige raadsrapport uit 2022 geen vooruitgang is geboekt. Ten slotte moet er voor de vader psycho-educatie over de TOS-problematiek van de minderjarige worden ingezet, zodat hij leert hoe hij met de minderjarige moet omgaan. Als er begeleide omgang wordt opgestart moet aan de vader ook hulpverlening gericht op zijn opvoedcapaciteiten worden aangeboden. Tot slot adviseert de raad om een informatieregeling vast te leggen waarbij de moeder de vader maandelijks moet informeren en een foto van de minderjarige moet sturen.
Het hiervoor genoemde verzoek van de raad tot het onder toezicht stellen van de minderjarige is inmiddels door de kinderrechter in de rechtbank afgewezen. De raad heeft ter zitting bij het hof verklaard niet in hoger beroep te gaan tegen deze afwijzing. De raad blijft verder bij zijn advies en acht het in het belang van de minderjarige dat de moeder zich alsnog aanmeldt voor een [hulpverleningstraject] en dat zij eraan meewerkt dat aan de minderjarige wordt verteld wie zijn vader is. Het is heel zorgelijk dat die statusvoorlichting nog niet heeft plaatsgehad. Ook adviseert de raad de vader om zelf alvast hulpverlening in te schakelen gericht op psycho-educatie over de TOS (taalontwikkelingsstoornis)-problematiek van de minderjarige, voor het geval er in de toekomst zal (kunnen) worden overgegaan tot een vorm van contactherstel. Op dit moment ziet de raad die mogelijkheid niet, gelet op de afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling en de weerstand bij de moeder tegen contact tussen de vader en de minderjarige en haar beperkte belastbaarheid. De moeder moet hier zelf hulp voor zoeken.
De moeder is het niet eens met het advies van de raad. De moeder wil de minderjarige niet vertellen wie zijn vader is en zij wil ook niet dat er contact komt tussen de vader en de minderjarige. De moeder stelt hier geen draagvlak voor te hebben. De moeder verzet zich niet tegen de vastlegging van de door de raad geadviseerde informatieregeling.
De vader is het eens met het advies van de raad. Voor hem zijn op dit moment de statusvoorlichting en contactherstel het belangrijkste. Hij wil dat de minderjarige weet wie zijn vader is (en denkt dat de minderjarige daar ook al iets van weet). Ook verzoekt hij het hof de door de raad geadviseerde informatieregeling op te leggen. Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling is afgewezen, verzoekt de vader om een dwangsomregeling te verbinden aan de nakoming van de verplichting tot statusvoorlichting en aan de nakoming van de op te leggen informatieregeling.
Gezag
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking waar het de wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag betreft. Het hof volgt hierin het advies van de raad. Het hof is, net als de rechtbank en de raad, van oordeel dat eenhoofdig gezag in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Gelet op de huidige stand van zaken ziet het hof geen mogelijkheid dat de ouders op korte termijn in staat zijn gezamenlijk uitvoering te geven aan het ouderlijk gezag.
Omgang
Op grond van artikel 8 EVRM en de artikelen 7 en 8 IVRK heeft een kind het recht om te weten wie zijn ouders zijn. Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met allebei zijn ouders en de ouder zonder gezag heeft ook recht op omgang met zijn kind. Blijkens rechtspraak van de Hoge Raad is er voor de rechter een gehoudenheid (te weten: een uit artikel 8 EVRM voortvloeiende positieve inspanningsverplichting) om op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of uitvoering van een omgangsregeling tussen de andere ouder en het kind (zie bijvoorbeeld HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, rov. 3.5, onder verwijzing naar EHRM 17 april 2012, nr. 805/09 (Pascal/Romania)).
Artikel 1:377a lid 3 BW bepaalt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Het hof is van oordeel dat de moeder vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een situatie die reden geeft om de vader het recht op omgang met de minderjarige te ontzeggen, zoals bepaald in artikel 1:377a lid 3 BW. Het hof acht het in het belang van de minderjarige dat op korte termijn in ieder geval op een passende wijze aan hem verteld wordt wie zijn vader is en dat daarna wordt bekeken of er mogelijkheden zijn, en zo ja wat de mogelijkheden zijn, voor contact tussen de vader en de minderjarige. De door de raad geadviseerde hulpverlening is daarbij de noodzakelijke eerste stap, die in het zwaarwegende belang van de minderjarige moet worden geacht en genomen. Het hof zal daarom de beslissing over de omgangsregeling aanhouden in afwachting van de door partijen zelf in te schakelen hulpverlening die hieronder nader aan de orde zal komen.
Het hof ziet in het verweer van de moeder, dat zij psychisch geen draagkracht zou hebben om mee te werken aan statusvoorlichting (en omgang) tussen de vader en de minderjarige, geen grond om anders te beslissen. Zij heeft dit verweer onvoldoende onderbouwd. De moeder heeft geen recente stukken in het geding gebracht waaruit naar objectieve maatstaven blijkt dat zij (nog steeds) geen mentale draagkracht heeft om in ieder geval aan de statusvoorlichting op de door de raad geadviseerde manier mee te werken. Zo nodig dient de moeder hiervoor zelf psychische hulpverlening in te schakelen, bijvoorbeeld via haar psycholoog, die haar hierbij kan ondersteunen.
Het hof zal bepalen dat de moeder zich binnen een maand na de datum van deze beschikking moet aanmelden voor een [hulpverleningstraject] . De raad heeft het hof geïnformeerd dat de moeder zich kan melden bij haar huisarts of bij het [hulpverleningsinstantie] (hierna: [hulpverleningsinstantie] ), gevestigd aan [adres] te [plaats] . Het telefoonnummer van het [hulpverleningsinstantie] is [telefoonnummer] . Zowel de huisarts als het [hulpverleningsinstantie] kunnen de moeder doorverwijzen voor statusvoorlichting met behulp van het [hulpverleningstraject] bij [hulpverleningsinstantie] , gevestigd aan de [adres] in [plaats] . Het telefoonnummer van [hulpverleningsinstantie] is [telefoonnummer] .
Het hof zal bepalen dat de vader zich moet aanmelden voor psycho-educatie over TOS-problematiek. De raad heeft het hof geïnformeerd dat de vader zich hiervoor in [plaats] kan (aan)melden bij [hulpverleningsinstantie] gevestigd aan de [adres] . Het telefoonnummer daarvan is [telefoonnummer] en het e-mailadres is [e-mailadres] .
Het hof zal de beslissing over de omgangsregeling voor het overige pro forma aanhouden tot zaterdag 24 oktober 2026. Uiterlijk vóór die datum dienen partijen het hof te informeren over:
de stand van zaken, inclusief bewijs van hun aanmelding voor hulpverlening en een verslag of verklaring van de ingeschakelde hulpverlening over het verloop daarvan;
of een verdere aanhouding wenselijk is;
of de standpunten ten aanzien van een omgangsregeling gewijzigd zijn;
of een nieuwe mondelinge behandeling wenselijk is;
of dat het hof een eindbeschikking kan geven.
Dwangsom
De vader heeft ter zitting verzocht dwangsommen te verbinden aan de nakoming van de verplichting van de moeder tot medewerking aan de statusvoorlichting. Namens de moeder is verweer gevoerd.
Gezien de grote weerstand die de moeder tot nu toe bij elke ten aanzien van de vader te zetten stap heeft getoond, zal het hof de volgende dwangsomregeling opnemen ter nakoming van de verplichting tot medewerking aan de statusvoorlichting:
- De moeder moet zich binnen één maand na de datum van deze beschikking aanmelden voor een [hulpverleningstraject] , door een verwijzing daarvoor te vragen bij haar huisarts of het [hulpverleningsinstantie] en zich met die verwijzing aan te melden bij [hulpverleningsinstantie] . Het hof zal bepalen dat de moeder een dwangsom zal verbeuren van € 25,- per dag waarop zij dit nog niet heeft gedaan, met een maximum van € 5.000,-. Deze dwangsomregeling start vanaf één maand na de datum van deze beschikking. De moeder zal de vader schriftelijk moeten informeren over de aanmelding, onderbouwd met stukken.
- Vervolgens dient de moeder ook mee te werken aan de uitvoering van het [hulpverleningstraject] , zodat de minderjarige op passende wijze verteld wordt wie zijn vader is. Het hof houdt er rekening mee dat de moeder na aanmelding eerst op een wachtlijst terecht komt. Het hof acht het aannemelijk dat het traject binnen acht maanden na aanmelding kan plaatsvinden en kan worden afgerond (met als resultaat dat de minderjarige weet wie zijn vader is). Het hof zal daarom bepalen dat de moeder een dwangsom zal verbeuren van € 25,- per dag met een maximum van € 5.000,- voor iedere dag waarop dit traject door haar toedoen niet kan worden afgerond met als resultaat dat de minderjarige weet wie zijn vader is, beginnende vanaf acht maanden na de dag waarop zij zich heeft aangemeld.
Informatieregeling (met dwangsom)
Beide partijen kunnen zich vinden in de door de raad geadviseerde informatieregeling. Het hof acht deze regeling ook in het belang van de minderjarige en zal daarom beslissen dat de moeder een keer per maand de vader moet informeren over hoe het gaat met de minderjarige, waarbij zij hem een foto van de minderjarige moet sturen. Het hof zal aan de nakoming van deze regeling ook, anders dan de moeder wenst, maar conform het verzoek van de vader, een dwangsom verbinden. Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat de moeder deze regeling ook zonder dwangsom zal nakomen.
Hierna volgt de beslissing van het hof.
3. De beslissing
Het hof, beschikkende in het hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking waar het de beslissing over het eenhoofdig gezag betreft;
bepaalt dat de moeder met ingang van 1 mei 2026 de vader maandelijks op de eerste dag van de maand moet informeren over het welzijn van de minderjarige en dat zij de vader maandelijks een foto van de minderjarige moet sturen;
bepaalt dat de vader zich moet aanmelden voor psycho-educatie over TOS-problematiek, zoals hiervoor in rov. 2.10 opgenomen, en aan deze psycho-educatie moet deelnemen;
bepaalt dat de moeder zich moet aanmelden voor een [hulpverleningstraject] door een verwijzing te vragen bij haar huisarts of bij het [hulpverleningsinstantie] en zich met die verwijzing aan te melden bij [hulpverleningsinstantie] , zoals hiervoor in rov. 2.9 opgenomen, waarbij de moeder de vader schriftelijk moet informeren over haar aanmelding;
bepaalt dat de moeder een dwangsom zal verbeuren van € 25,- per dag met een maximum van € 5.000, voor iedere dag vanaf 16 mei 2026 waarop de moeder zich nog niet heeft aangemeld voor een [hulpverleningstraject] en de vader nog niet heeft geïnformeerd over haar aanmelding;
bepaalt dat de moeder er alles aan moet doen om te zorgen dat het traject binnen acht maanden na de datum waarop zij zich heeft aangemeld voor [hulpverleningstraject] wordt afgerond met als resultaat dat de minderjarige weet wie zijn vader is;
bepaalt dat de moeder een dwangsom zal verbeuren van € 25,- per dag met een maximum van € 5.000,- voor iedere dag vanaf acht maanden na haar aanmelding voor het [hulpverleningstraject] , waarop het [hulpverleningstraject] door haar toedoen nog niet is afgerond met als resultaat dat de minderjarige weet wie zijn vader is;
bepaalt dat de moeder een dwangsom zal verbeuren van € 50,- per keer met een maximum van € 5.000,- dat de moeder de informatieregeling niet na komt;
houdt de beslissing over de omgangsregeling voor het overige pro forma aan tot zaterdag 24 oktober 2026. Uiterlijk vóór die datum dienen partijen het hof te informeren over:
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, A.F. Mollema en E.B.J. van Elden, bijgestaan door mr. S. Richtersz als griffier, en is op 15 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.