[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] , [streek] ( [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1995,
ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven adres:
[woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
hij in de periode 19 t/m 20 maart 2016 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze ten gevolge van overmatige alcoholinname in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) het brengen/duwen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de vagina van die [slachtoffer 1] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in de periode 19 t/m 20 maart 2016 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] ten gevolge van overmatige alcoholinname in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde dat die [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) het brengen/duwen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de vagina van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag en tot een taakstraf voor de duur van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Standpunt verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich – overeenkomstig zijn overlegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat bij de aangeefster geen sprake was van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht.
Standpunt advocaat-generaal
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verdachte veroordeeld dient te worden voor het primair tenlastegelegde. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vastgesteld kan worden dat de aangeefster ten tijde van de tenlastegelegde handelingen als gevolg van overmatig alcoholgebruik in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde en niet in staat was haar wil te bepalen, en dat de verdachte daar wetenschap van had.
Beoordelingskader
Het hof stelt vast dat niet ter discussie staat dat de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster. De aangeefster heeft verklaard dat dit gebeurd is terwijl zij sliep en nadat zij veel gedronken had, zodat zij daaraan geen weerstand kon bieden. De verdachte heeft verklaard dat de seks heeft plaatsgevonden met instemming van de aangeefster. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of vastgesteld kan worden dat de aangeefster op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn dan wel lichamelijke onmacht verkeerde, als bedoeld in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (oud) (hierna: artikel 243 Sr).
Het hof oordeelt dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in ieder geval niet kan worden vastgesteld dat de aangeefster ten tijde van de seksuele handelingen bewusteloos was. Dan rest vervolgens de vraag of er bij de aangeefster dan sprake was van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel ‘verminderd bewustzijn’ in artikel 243 Sr heeft beoogd strafbaar te stellen, het plegen van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met iemand die verkeert tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van degene die verminderd bewust is in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Deze bepaling ziet op situaties waarbij de dader bewust seksueel misbruik maakt van de omstandigheid dat het slachtoffer in onvoldoende mate in staat is haar of zijn wil te bepalen omtrent het hebben van seks met een ander. Dit onvermogen vloeit voort uit een toestand van verminderd bewustzijn. Die toestand kan zijn oorzaak vinden in het gebruik van alcohol, drugs of bepaalde medicijnen. Ook andere factoren kunnen een eventueel slachtoffer in een toestand van verminderd bewustzijn brengen. Het hangt vervolgens van de concrete feiten en omstandigheden af of er sprake is van seksueel misbruik van een persoon in een toestand van verminderd bewustzijn.
Beoordeling hof
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de aangeefster op de avond in kwestie alcohol heeft genuttigd en in de loop van de avond heeft overgegeven. De verklaringen van de aangeefster, de verdachte en de gehoorde getuigen lopen echter uiteen ten aanzien van zowel de hoeveelheid alcohol die is genuttigd als de mate waarin de alcohol invloed heeft gehad op het functioneren van de aangeefster.
Meerdere getuigen hebben verklaard dat de aangeefster weliswaar aangeschoten was, maar nog aanspreekbaar was, actief deelnam aan gesprekken, zelfstandig kon lopen en grapjes maakte. Zo hebben getuigen verklaard dat de aangeefster (uitvoerige) persoonlijke gesprekken voerde, zelf naar haar slaapkamer kon lopen en reageerde op haar omgeving. De verklaringen van vriendinnen van de aangeefster dat de aangeefster in de badkamer heeft gesproken over haar eetstoornis en daarna in de slaapkamer over andere persoonlijke onderwerpen, verhouden zich naar het oordeel van het hof moeilijk met een situatie van verminderd bewustzijn als gevolg van overmatig alcoholgebruik. Deze verklaringen ondersteunen bovendien de verklaring van de verdachte dat ook hij gedurende de nacht en voorafgaand aan de seksuele handelingen een langdurig en inhoudelijk gesprek met de aangeefster heeft gevoerd en dat zij daarbij actief reageerde, althans maken het waarschijnlijk en aannemelijk dat de aangeefster daartoe inderdaad in staat was.
Er zijn daarnaast geen indicaties dat de aangeefster, nadat zij had overgegeven en op bed was gaan liggen, nog meer alcohol heeft gedronken. De verklaring van de verdachte dat hij haar daarna steeds water heeft laten drinken, wordt ondersteund door de getuige die het langst bij de aangeefster en de verdachte is gebleven. Het hof verbindt hieraan de conclusie dat de aangeefster na het vertrek van de laatste getuige naar alle waarschijnlijkheid eerder ‘minder’ dronken is geworden dan ‘meer’.
Het hof is dan ook van oordeel dat door de wisselende verklaringen niet alleen niet vastgesteld kan worden of de aangeefster (te) veel alcohol heeft gedronken, maar ook niet welk effect dit op haar heeft gehad, meer in het bijzonder niet op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden. Anders dan de rechtbank heeft het hof op basis van het dossier dan ook niet de overtuiging gekregen dat de aangeefster ten gevolge van (overmatig) alcoholgebruik niet in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen kenbaar te maken. Weliswaar heeft de aangeefster ook verklaard dat de seksuele handelingen tijdens haar slaap hebben plaatsgevonden, wat ook een toestand van verminderd bewustzijn dan wel lichamelijke onmacht als bedoeld in artikel 243 Sr zou kunnen opleveren, maar de verklaringen van de aangeefster en de verdachte staan ook op dit punt lijnrecht tegenover elkaar, terwijl hiervan geen getuigen zijn of ander steunbewijs. Bij het ontbreken van steunbewijs dat de aangeefster tijdens haar slaap overrompeld is door de verdachte kan evenmin bewezen worden dat de aangeefster als gevolg van slaap in een toestand van verminderd bewustzijn dan wel lichamelijke onmacht verkeerde.
Conclusie
Al met al biedt het dossier geen eenduidig beeld van het effect dat het alcoholgebruik die avond en nacht, en meer in het bijzonder op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden, op de aangeefster heeft gehad. Er is, kortom, te veel twijfel en onduidelijkheid. Het hof heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen dan ook niet de overtuiging kunnen krijgen dat de aangeefster op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden, onder invloed van alcohol in een zodanige staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde als bedoeld is in art. 243 Sr.
Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Voorwaardelijk verzoek verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien het hof overgaat tot een veroordeling, [getuige] als getuige te laten horen. Nu de verdachte van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, behoeft dit voorwaardelijke verzoek geen nadere bespreking.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.000, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.000.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.000 aan immateriële schade en tot een bedrag van € 300 aan proceskosten, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Jansen,
mr. H.M.D. de Jong en mr. F. Pouleijn, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 januari 2026.