Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001425-23
Parketnummer: 09-012243-23
Datum uitspraak: 30 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 april 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
adres: [adres] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 11 januari 2023 te 's-Gravenhage, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3.388,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 11 januari 2023 te 's-Gravenhage, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van metamfetamine en/of cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- meerdere weegschalen en/of
- meerdere lepels en/of
- een hoeveelheid witte pasta en/of
- een of meerdere gegevensdragers en/of
- 750 gram (bruto) mannitol, althans een hoeveelheid mannitol,
voorhanden te hebben.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
13 maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft voorts opheffing van het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis gevorderd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Standpunt van de verdediging
Namens de verdachte heeft de raadsvrouw zich ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden als in de door haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota verwoord – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van (ongeveer) 3.388,6 gram metamfetamine alsmede van de voorbereidingshandelingen.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen en aan het onder 2 tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Op 11 januari 2023 omstreeks 20.48 uur werd de woning van de verdachte aan [adres 2] binnengetreden. In een afgesloten meterkast werden tassen van onder meer [winkel 1] met daarin (doorzichtige) plastic bakken met in totaal 3.298,70 gram van een materiaal bevattende metamfetamine aangetroffen. Ook werd in deze meterkast een tas van de [winkel 2] aangetroffen met een weegschaal en werden daar andere goederen aangetroffen die kunnen worden gebruikt bij het bereiden, bewerken, verwerken, verstrekken, vervaardigen en/of verkopen van harddrugs, zoals onder 2 is tenlastegelegd.
Feit 1
Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben in de zin van de Opiumwet is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans dat hij bewust de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van die verdovende middelen heeft aanvaard. Voorts is vereist dat de verdachte de beschikkingsmacht over deze verdovende middelen had.
De verdachte heeft al tijdens zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat de aangetroffen verdovende middelen niet van hem zijn, dat hij er niets van af weet, dat [een vriend] over een reservesleutel van zijn woning beschikte en dat het gebruikelijk was dat de deur van de meterkast op slot zat. Op de regiezitting van het hof van 30 januari 2024 heeft de verdachte verklaard dat [een vriend] wist dat de verdachte de sleutel van de meterkast in zijn keukenla bewaarde. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij lange werkdagen maakt, van 06.00 tot 18.00 uur.
Uit een proces-verbaal van observatie van 11 januari 2023 in een ander onderzoek, dat door het Openbaar Ministerie eerst op 25 januari 2024 in de onderhavige zaak is verspreid en dat in het dossier is gevoegd, volgt dat [een vriend] samen met [een kennis] die dag om 15.30 uur bij [winkel 2] twee doorzichtige plastic bakken kocht en in een bigshopper van [winkel 2] stopte. Om 16.27 uur stapte [een vriend] uit zijn auto, pakte hij vanaf de achterbank van een andere auto een bigshopper van [winkel 1] en legde hij deze tas in de kofferbak van zijn auto. Om 16.32 uur parkeerde [een vriend] zijn auto op [adres 2] ter hoogte van het portiek waarin de [percelen] gevestigd zijn. [een vriend] en [een kennis] stapten uit de auto, waarna [een vriend] uit de kofferbak een bigshopper van [winkel 2] en een bigshopper van [winkel 1] pakte. Zij liepen naar de derde etage waar zich de [percelen] bevonden. Om 17.18 uur verlieten [een vriend] , [een kennis] en een onbekend gebleven man zonder de hiervoor genoemde tassen het portiek aan [adres 2] behorende bij de [percelen] . De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de dag van de inval tot 17.00 uur aan het werk was en daarna nog 30 tot 45 minuten moest rijden om thuis te komen.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van het vorenstaande worden vastgesteld dat de in het proces-verbaal van observatie waargenomen doorzichtige plastic bakken en bigshoppers overeenkomen met de doorzichtige plastic bakken en bigshoppers die diezelfde avond in de meterkast van de verdachte zijn aangetroffen. Dientengevolge kan worden vastgesteld dat [een vriend] en [een kennis] op 11 januari 2023 de woning van de verdachte hebben betreden en daar gedurende enige tijd hebben verbleven. De verklaring van de verdachte dat [een vriend] over een reservesleutel van de woning van de verdachte beschikte en aldus toegang tot zijn woning had, vindt derhalve steun in het proces-verbaal van observatie en acht het hof aannemelijk geworden. Dit alles, tezamen met het feit dat de verdovende middelen niet in het zicht lagen en dat deze slechts een paar uur na het voormelde bezoek van [een vriend] en [een kennis] aan de woning van de verdachte zijn aangetroffen, maakt dat het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel is dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de verdovende middelen in zijn woning en evenmin dat hij bewust de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van de verdovende middelen heeft aanvaard. Dat de door de verdachte afgelegde verklaringen de nodige vragen oproepen maakt dit niet anders. Dat de verdachte, zoals blijkt uit het op 7 mei 2024 door de advocaat-generaal overgelegde proces-verbaal uit eveneens het genoemde andere onderzoek, in de periode van 3 november 2022 tot en met 3 januari 2023 66 keer telefonisch contact had met [een vriend] en in de periode 19 juni 2022 tot en met 19 december 2022 twee maal met [een kennis] doet aan het voorgaande evenmin af. Immers waren de verdachte en [een vriend] bevriend en had hij – naar eigen zeggen – [een kennis] wel eens op een verjaardag bij [een vriend] ontmoet. Bovendien betreffen dit geen contacten rondom het moment dat de goederen in de woning zijn gebracht. Het hof acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk metamfetamine voorhanden heeft gehad, zodat hij van het tenlastegelegde bestanddeel ‘opzettelijk’ dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt voorts dat impliciet subsidiair het in artikel 10, eerste lid van de Opiumwet als overtreding strafbaar gestelde handelen in strijd met artikel 2, onder C van de Opiumwet is tenlastegelegd. Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte zich geen rekenschap behoefde te geven van de aanwezigheid van de in de meterkast aangetroffen verdovende middelen, zodat de aanwezigheid daarvan de verdachte niet valt te verwijten. Er is dan ook geen sprake van verwijtbare onwetendheid. Het enkele feit dat de verdachte [een vriend] een reservesleutel van zijn woning heeft gegeven acht het hof onvoldoende om daartoe te concluderen. De impliciet subsidiair tenlastegelegde overtreding acht het hof derhalve evenmin wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook hiervan behoort te worden vrijgesproken.
Feit 2
Gelet op het onder 1 overwogene is het hof van oordeel dat ook wat deze goederen betreft niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid hiervan, dan wel bewust de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van deze goederen heeft aanvaard, zodat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde eveneens dient te worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, als voorzitter, mr. C. Fetter en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 april 2026.