GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.366.720/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/714656 / FT RK 26/76
Beschikking van 30 april 2026
in de zaak van
1. Veembedrijf [naam] B.V.,
gevestigd in Zwolle,
2. Buisman Infant Solutions B.V.,
gevestigd in Zwolle
3. Robwelding B.V.,
gevestigd te Rhenen,
verzoeksters,
advocaat: mr. T.A.C. Blankestijn, kantoorhoudend in Zwolle,
tegen
Oranje Nutrition Holding B.V.,
gevestigd in Heereveen,
verweerster,
advocaat: mr. P.A. Josephus Jitta, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna Buisman c.s. (enkelvoud) en Oranje.
1. Procesverloop
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2026 is het verzoek van Buisman c.s. om Oranje in staat van faillissement te verklaren, afgewezen. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 23 maart 2026, is Buisman c.s. van deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft zij het hof verzocht deze beschikking te vernietigen en alsnog het faillissement van Oranje uit te spreken.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2026.Verschenen zijn:
[naam] en [naam] (beiden DGA van verzoeksters sub 1 en 2), bijgestaan door mr. Blankenstijn en mr. H.P. van der Veen, advocaten te Zwolle; en
[naam] (DGA van Oranje) en [naam], bijgestaan door mr. Josephus Jitta en mr. S. Boonstra, advocaten te Amsterdam.
Mr. Van der Veen en mr. Boonstra hebben de zaak de bepleit aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen.
2. Beoordeling van het hoger beroep
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat niet (summierlijk) is gebleken van het vorderingsrecht van Buisman c.s. en evenmin van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat Oranje in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
De grieven van Buisman c.s. kunnen als volgt worden samengevat.
Buisman c.s. is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat niet summierlijk is gebleken van haar vorderingsrecht. Buisman c.s. heeft een vordering op Oranje op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de rechtbank Overijssel van 2 april 2025, waarbij Oranje is veroordeeld tot betaling aan Buisman van € 163.615,60.. Dat Oranje tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat die procedure thans nog aanhangig is, maken niet dat niet summierlijk zou blijken van het vorderingsrecht van Buisman. Daarvan kan volgens Buisman c.s. slechts sprake zijn als er een kennelijke misslag in het vonnis van de rechtbank Overijssel zou staan en dat is niet het geval. De inhoudelijke bezwaren die Oranje tegen dat vonnis heeft opgeworpen, horen volgens Buisman c.s. thuis in die hoger beroep-procedure en niet in de onderhavige faillissementsprocedure.
Buisman c.s. heeft verder aangevoerd dat Oranje verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, omdat zij behalve Buisman c.s. ook andere schuldeisers onbetaald laat. Dat een derde inmiddels € 160.000,- op de derdengeldenrekening van de advocaat van Oranje heeft gestort, wijst volgens Buisman juist op betalingsonmacht en niet op het tegendeel. Ter zitting van het hof heeft Buisman c.s. nog verklaard dat Robwelding B.V. inmiddels geheel is voldaan en dat zij het verzoek om Oranje in staat van faillissement te verklaren niet meer ondersteunt.
Voor zover Oranje zich beroept op tegenvorderingen op Buisman c.s., betwist Buisman c.s. dat die vorderingen kans van slagen hebben. De gestelde vordering van Oranje op grond van ongerechtvaardigde verrijking strandt volgens haar omdat de Bliklijn (een afvul- en inblikmachine die onderdeel vormt van het geschil tussenBuisman c.s. en Oranje) niet aan Buisman c.s., maar aan [naam] Onroerende Zaken B.V. (hierna: BOZ) toekomt. Deze laatste vennootschap is geen partij in het geschil tussen Buisman c.s. en Oranje. Ook de gestelde aanspraak op een gebruiksvergoeding gaat volgens Buisman c.s. niet op, omdat de samenwerkingsovereenkomst al op 19 augustus 2022 rechtsgeldig is ontbonden. Over de periode voor 19 augustus 2022 is reeds afgerekend tussen partijen en Buismans heeft de verschuldigde gebruiksvergoeding al volledig aan Oranje voldaan. Volgens Buisman c.s. is het dan ook niet waarschijnlijk dat Oranje een aanzienlijke tegenvordering op haar heeft.
Oranje heeft verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat Buisman c.s. niet summierlijk heeft aangetoond dat zij een opeisbare vordering op Oranje heeft. Volgens Oranje is haar betwisting van die vordering niet kansloos, ook al omdat zij een aanzienlijke verrekenbare tegenvordering op Buisman c.s. heeft. Die tegenvordering houdt verband met het gebruik van de Bliklijn. Buisman c.s. heeft geen inzicht gegeven in de met de Bliklijn gerealiseerde omzet en heeft niet meegewerkt aan de taxatie daarvan. De tegenvordering van Oranje is ook in de hoger beroepsprocedure tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel aan de orde. Volgens Oranje heeft de rechtbank in de onderhavige faillissementsprocedure terecht geoordeeld dat er geen diepgaand onderzoek naar de stellingen in die hoger beroepsprocedure hoeft plaats te vinden, maar slechts moet worden beoordeeld of de betwisting van Oranje zonder redelijke kans van slagen is. Dat is volgens Oranje niet het geval.
Verder betwist Oranje het standpunt van Buisman c.s. dat de tegenvordering op grond van de Bliklijn kansloos is omdat de Bliklijn eigendom zou zijn van BOZ. Oranje wijst erop dat Buisman c.s. en BOZ feitelijk nauw met elkaar verweven zijn en dat BOZ nog steeds met de Bliklijn produceert.
Ook de tegenvordering wegens gebruiksvergoeding is volgens Oranje niet kansloos. Buisman c.s. en BOZ zouden ook na de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst gebruik zijn blijven maken van de Bliklijn, zonder Oranje daarvoor te vergoeden. Oranje stelt daarom dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. In dat verband heeft Oranje Buisman c.s. en BOZ gesommeerd tot betaling van € 1.505.000,- en vervolgens conservatoir beslag gelegd voor een bedrag van € 1.810.750,-.
Ten slotte betwist Oranje dat zij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 6 Fw wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Als een schuldeiser het verzoek tot faillietverklaring doet, dient ook summierlijk te blijken van het vorderingsrecht van deze.
Gelet op het verhandelde ter zitting en de over en weer overgelegde stukken kan ook in hoger beroep de conclusie geen andere zijn dan dat van het vorderingsrecht van Buisman c.s. niet summierlijk is gebleken.
Het enkele feit dat het in hoger beroep bestreden vonnis van de rechtbank Overijssel uitvoerbaar bij voorraad is verklaard betekent niet per definitie dat het vorderingsrecht van Buisman c.s. summierlijk vaststaat.
In genoemde hoger beroepsprocedure zijn zowel de vordering van Buisman c.s. als de mogelijke tegenvordering van Oranje onderwerp van het geschil. Daarover zal in die procedure inhoudelijk moeten worden geoordeeld. Het hof kan niet nu al, na summier onderzoek, in deze faillissementsprocedure vaststellen of Buisman c.s. een vordering op Oranje heeft. Evenmin kan het hof, na summier onderzoek in dat verband, vaststellen dat Oranje geen (aanzienlijke) tegenvordering op Buisman c.s. heeft. Die tegenvordering houdt verband met een vergoeding voor omzet die is gegenereerd met de Bliklijn. In genoemde procedure is in eerste aanleg daarvoor al een vergoeding toegewezen, maar Oranje stelt in het hoger beroep dat die vergoeding hoger moet zijn.
Kortom, niet is summierlijk gebleken van het vorderingsrecht van Buisman c.s..
Omdat het vorderingsrecht van Buisman c.s. niet summierlijk is gebleken, is haar daarop gebaseerde faillissementsverzoek ook in hoger beroep niet voor toewijzing vatbaar. Dat geldt ook als er steunvorderingen zijn, wat Oranje ook gemotiveerd betwist. De bestreden beschikking dient daarom te worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past een veroordeling van Buisman c.s. in de kosten van het hoger beroep. Die kosten worden bepaald op € 851,- voor griffierecht en op € 2.580,- voor salaris advocaat (twee punten, tarief II), derhalve in totaal € 3.431,-.
3. Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2026;
- veroordeelt Buisman c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van Oranje begroot op € 3.431,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Buisman c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. van Coevorden, mr. R.G.C. Veneman, en mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.