ECLI:NL:GHDHA:2026:1573

ECLI:NL:GHDHA:2026:1573

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer BK-25/470
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Art. 3.8 en 3.25 IB. Hoogte voorraadverlies niet aannemelijk gemaakt; vaststelling in goede justitie.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 25 maart 2026

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/470

in het geding tussen:

(gemachtigde: A.T.P. Nefkens)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 april 2025, nummer SGR 24/2361.

Procesverloop

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 399.591 (de aanslag IB/PVV 2019). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 19.326 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019 en de beschikking belastingrente. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 157.020 en de beschikking belastingrente gewijzigd naar een belastingrente van € 6.853.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op de aanslag te verminderen overeenkomstig hetgeen in deze

uitspraak is bepaald;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op

bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 1.055,50 (€ 602 voor het bezwaar + € 453,50 voor het beroep);

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden. verklaart het beroep ongegrond.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 28 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende drijft onder de handelsnaam ‘ [naam] ’ een onderneming in de vorm van een eenmanszaak en exploiteerde in het jaar 2019 daarmee vier nachtwinkels.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2019 aangifte IB/PVV gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 209.206 negatief.

Bij brief van 6 januari 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om informatie met betrekking tot de fiscale oudedagreserve (FOR), de langlopende schulden, de huisvestingskosten, de buitengewone lasten, het verloop en de vernietiging van voorraden en de investeringsaftrek te verstrekken. Ook heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om de balans en de winst- en verliesrekening toe te lichten.

Naar aanleiding van de onder 2.3 bedoelde brief door partijen gevoerde correspondentie is de Inspecteur afgeweken van de aangifte IB/PVV 2019. De Inspecteur heeft het inkomen uit werk en woning op de volgende onderdelen verhoogd:

FOR (onttrekking) € 16.048

Niet geaccepteerde afwaardering voorraad € 358.225

Niet geaccepteerde langlopende leningen € 319.764

Niet geaccepteerde kortlopende lening + € 21.146

Totale afwijking € 715.183

De Inspecteur heeft met inachtneming van de onder 2.4 bedoelde afwijkingen de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd:

Aangegeven winst was € - 236.257

Bij: correctie € 715.183

€ 478.926

Af: zelfstandigenaftrek € - 7.280

Af: MKB winstvrijstelling € - 66.031

Belastbare winst € 405.615

Inkomen uit eigen woning € - 6.024

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 399.591

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019 en de beschikking belastingrente. Naar aanleiding van het bezwaarschrift is tussen belanghebbende en de Inspecteur correspondentie gevoerd.

Belanghebbende heeft naar aanleiding van de hiervoor bedoelde correspondentie de volgende stukken aan de Inspecteur verstrekt:

- orderovereenkomst Tesla;

- leningovereenkomsten familie;

- suppletieaangifte omzetbelasting 2019;

- loonjournaalpost 2019;

- registratie gemeentewerf/afvalverwerking [woonplaats] 2019;

- toelichting op de balans;

- afschrijvingsstaat;

- documentatie [Bank] gerelateerd aan de Tesla.

Tussen belanghebbende en de Inspecteur heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Belanghebbende heeft tijdens dit hoorgesprek de volgende stukken aan de Inspecteur verstrekt:

- voorraadlijsten van vier winkels per 31/12/2019;

- grootboekrekening van de voorraad;

- een map met foto’s van goederen waarvan verklaard is dat deze zijn vernietigd;

- bewijs waaruit de leningovereenkomst voor de Tesla kan worden afgeleid;

- overzicht van kosten van lokale heffingen.

De Inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij belanghebbendes bezwaar gedeeltelijk toegewezen. De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2019 als volgt verminderd en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig gewijzigd:

Eerder vastgesteld belastbaar inkomen

uit werk en woning € 399.591

Af: voorraadverlies € 35.824

Af: herziening omzetcorrectie langlopende

schuld € 146.262

Af: herziening omzetcorrectie lening

leaseauto € 99.974

Bij: MKB-winstvrijstelling € 39.489

Totale correctie € 242.571

Nieuw vastgesteld belastbaar inkomen

uit werk en woning € 157.020

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder.

“9. Verweerder heeft in bezwaar een voorraadverlies in aanmerking genomen van € 35.824 (10% van € 358.225). De bewijslast dat het voorraadverlies hoger is geweest dan het door verweerder in aanmerking genomen bedrag ligt bij eiser. Eiser heeft daartoe in beroep aangevoerd dat de totale voorraad op 1 januari 2019 € 546.231 was en op 31 december 2019 was deze nog € 187.995. In bezwaar heeft eiser ook voorraadlijsten overgelegd van de vier supermarkten. Deze lijsten vermelden de volgende voorraad per winkel op 31 december 2019: € 76.989,10, € 26.875, € 21.441 en € 62.690,75. Ook heeft eiser in bezwaar foto’s overgelegd waarop vuilniszakken zijn te zien en, naar eiser stelt, de voorraad die is afgevoerd. Verder heeft eiser een registratielijst overgelegd van het aantal bezoeken aan de gemeentewerf. Eiser heeft in 2019 in totaal 106 keer de gemeentewerf bezocht.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt dat het voorraadverlies groter is geweest dan het bedrag dat reeds door verweerder in aanmerking is genomen. Voor de voorraad per 1 januari 2019 is geen bewijs overgelegd. Verder zijn tussentijdse voorraadmutaties door verkopen niet te volgen aangezien de kassasystemen niet aan de administratie zijn gekoppeld. De voorraad wordt pas aan het eind van het jaar bijgewerkt na een inventarisatie. Aldus kan niet aan de hand van de administratie worden vastgesteld welke voorraadmutaties er zijn geweest in 2019. De in bezwaar overgelegde foto’s en de registratie van het aantal bezoeken aan de gemeentewerf zijn onvoldoende controleerbaar. Daaruit blijkt niet dat het gaat om afgevoerde voorraad.

11. Eiser heeft in beroep gesteld dat hij alsnog een dotatie aan de FOR wil doen. Verweerder heeft verklaard dat deze dotatie in aanmerking kan worden genomen nu de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat. De correctie van de FOR van € 16.048 komt daarmee te vervallen en het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd.

12. Verder heeft eiser gesteld dat de kostenvergoeding voor het bezwaar te laag is vastgesteld. Hij verwijst daarbij naar de conclusie van A-G Koopman van 1 maart 2024.[1] Deze klacht slaagt.

13. De Hoge Raad heeft op 12 juli 2024 arrest gewezen in de zaak met nummer 23/03218[2] en daarin overwogen dat het verschil in waarde per punt tussen enerzijds belastingzaken en anderzijds overige bestuursrechtelijke zaken, zoals genoemd in de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder B2, mogelijk in strijd is met artikel 1 van de Grondwet. Aldus moet met ingang van dat arrest voor de kosten van rechtsbijstand in belastingzaken voor de bezwaarfase worden uitgegaan van de hogere vergoeding per punt die geldt voor overige bestuursrechtelijke zaken. De rechtbank zal alsnog de hogere waarde per punt toepassen. De kostenvergoeding voor het bezwaar dient dan te worden vastgesteld op € 1.194 (2 punten met een waarde per punt van € 597; tarief geldend ten tijde van de uitspraak op bezwaar). Verweerder heeft reeds een kostenvergoeding toegekend van € 592 (2 x € 296). Eiser heeft dan nog recht op een kostenvergoeding voor het bezwaar van € 602.

14. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de belastingrente op onjuiste wijze is berekend. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd en ook overigens is niet gebleken dat de belastingrente in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

(…)

[1] Conclusie A-G Koopman van 1 maart 2024, zaaknummer nr. 23/03218, ECLI:NL:PHR:2024:235.

[2] ECLI:NL:HR:2024:1060.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2019 op het juiste bedrag heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de afwaardering van de voorraad terecht en tot en juist bedrag in de winst is gecorrigeerd en of de belastingrente op het juiste bedrag is vastgesteld. De overige correcties zijn niet in geschil.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van zowel de uitspraak van de Rechtbank als de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de aanslag IB/PVV 2019 en de belastingrente, tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 205.724 negatief en tot een vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente tot nihil. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht in hoger beroep.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

Aanslag IB/PVV

Voorop moet worden gesteld dat de bewijslast met betrekking tot het verlies in verband met de afwaardering van de voorraad op belanghebbende rust.

Belanghebbende stelt dat hij bij de retail inkopen doet en dat hij daarbij gebruikmaakt van aanbiedingen waardoor de producten die hij inkoopt relatief kort houdbaar zijn. Hij heeft ter zitting voorts geloofwaardig verklaard dat sprake is geweest van voorraadverlies vanwege de aanwezigheid van ongedierte en vanwege diefstal. Voorts stelt belanghebbende, en wordt door de Inspecteur niet betwist, dat hij gedurende het jaar 2019 106 keer naar de milieustraat in [woonplaats] is gereden. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij daartoe zijn Volkswagen Caddy vollaadt met voorraad die moet worden afgevoerd. Tijdens het hoorgesprek heeft belanghebbende een ordner met 600 tot 700 pagina’s foto’s aan de Inspecteur overgelegd waarop onder meer vuilniszakken te zien zijn waarin volgens belanghebbende de weg te gooien voorraadartikelen zaten.

De Inspecteur heeft erop gewezen dat het verloop van de voorraad slechts is te controleren door middel van vergelijking van de begin- en eindvoorraad. Tussentijdse mutaties zijn daarmee niet inzichtelijk. Uit de vergelijking van de begin- en eindvoorraad kan niet wordt afgeleid dat een voorraadvernietiging heeft plaatsgevonden. Aangezien de kassa's niet gekoppeld zijn aan de voorraadadministratie, valt ook niet af te leiden welke producten en hoeveel per soort uit de voorraad gedurende 2019 zijn verkocht en tegen welke prijs. Dit is door belanghebbende ter zitting betwist. Eveneens blijkt niet welke goederen en hoeveel per soort in 2019 zijn gekocht en tegen welke prijs deze in de voorraad zijn opgenomen, aldus de Inspecteur. Evenmin blijkt of en zo ja, welke producten en hoeveel per soort in 2019 zijn opgeruimd en vernietigd. Hij concludeert hieruit dat uit de administratie niet kan worden afgeleid of aannemelijk gemaakt dat er tussentijds gedurende het boekjaar, producten uit de voorraad zijn verwijderd en vernietigd. Uit de administratie kan ook niet worden afgeleid, voor zover er producten zijn vernietigd dat deze producten een inkoopwaarde hadden van € 358.225. Voorts heeft hij erop gewezen dat uit de bezoeken aan de milieustraat in [woonplaats] niet kan worden afgeleid wat is afgevoerd en voor hem niet is te controleren wat er in de vuilniszakken heeft gezeten die belanghebbende bij de milieustraat in [woonplaats] heeft afgeleverd. De Inspecteur heeft uit coulance een voorraadverlies van € 35.824 (10% van € 358.225) in aftrek toegelaten, terwijl voor supermarkten volgens de Inspecteur de cijfers op 1,4 tot 1,6 procent liggen.

Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan het hele voorraadverlies van € 358.225 aannemelijk kan worden geacht. Het Hof acht het echter wel aannemelijk dat in het jaar 2019 sprake is geweest van een voorraadverlies en dat dat voorraadverlies groter is geweest dan het door de Inspecteur in aftrek toegelaten bedrag van € 35.824 (10 percent van € 358.225). Het Hof kent hierbij belang toe aan de 106 bezoeken die belanghebbende in 2019 heeft gebracht aan de milieustraat te [woonplaats] , de foto’s die hij daarvan heeft overgelegd tijdens het hoorgesprek en de toelichting die hij daarop heeft gegeven ter zitting. Wegens het gebrek aan controleerbaarheid van de voorraadadministratie en de inhoud van hetgeen tijdens de 106 bezoeken aan de milieustraat te [woonplaats] is afgevoerd kan niet worden bepaald wat de daadwerkelijke hoogte is van het voorraadverlies. Het Hof stelt het voorraadverlies, gelet op de voornoemde omstandigheden, in goede justitie vast op € 175.000. Bij dit oordeel heeft het Hof mee laten wegen dat de Inspecteur de waarde van de (begin- en) eindvoorraad niet betwist. Hij erkent daarmee dat de voorraad ter waarde van € 358.225 niet meer tot de onderneming behoort, terwijl hij geen andere bestemming van de voorraad heeft gesteld, noch enig onderzoek heeft verricht naar, bijvoorbeeld onttrekking voor privégebruik of verkoop van voorraad buiten de boeken om, feiten en omstandigheden waarvoor de Inspecteur de bewijslast zou hebben.

Het voorgaande brengt mee dat het belastbaar inkomen uit werk en woning in het onderhavige jaar wordt vastgesteld op € 23.527, als volgt opgebouwd:

Aangegeven winst

-/- € 236.257

FOR

€ 0

Correctie voorraadverlies

€ 183.225

Correctie leningen

€ 94.674

€ 41.642

Zelfstandigenaftrek

-/- € 7.280

€ 34.362

MKB winstvrijstelling (14%)

-/- € 4.811

€ 29.551

Inkomen uit eigen woning

-/- € 6.024

€ 23.527

.

Belastingrente

Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte belastingrente geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Aangezien de aanslag wordt verminderd, dient de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

Er is aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep, welke kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 2.366:

- € 1.432 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (1 punt beroepschrift en 1 punt zitting à € 934 x factor gewicht van de zaak 1) zijnde € 1.868, nu het Hof wél tot het oordeel komt dat de sprake is van een onrechtmatigheid aan de zijde van de Inspecteur; en

- € 934 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt hogerberoepschrift à € 934 x factor gewicht van de zaak 1).

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep geheven griffierecht van € 143 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens voor zover die ziet op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de vergoeding van het griffierecht;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.527;

- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak van de rechtbank en bevestigt de uitspraak voor het overige;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.366; en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 143 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, P.J.J. Vonk en W.H.A. Kannekens in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.

De griffier, de voorzitter,

T. van Hout M.J.M. van der Weijden

De beslissing is op 25 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026060804 NLF 2026/1127
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand