Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-003214-24
Parketnummer: 09-176669-24
Datum uitspraak: 15 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 september 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 29 mei 2024 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer (bruto) 100 kilogram,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
2.hij op of omstreeks 29 mei 2024 te [plaats] ,
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer (bruto) 64 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende XTC/MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
3.hij op of omstreeks 29 mei 2024 te [plaats] opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van ongeveer 1.450 gram,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.hij op of omstreeks 29 mei 2024, te [plaats] en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland
(een) voorwerp(en) en/of een geldbedrag van 3.915 euro, voorhanden gehad,
overgedragen en/of omgezet, en/of van die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 5 maanden.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan.
Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.
Vormverzuimen ex artikel 359a Wetboek van strafvordering
Het standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van strafvordering (Sv), wat tot strafvermindering zou moeten leiden. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Op de streamingsdienst [streamingsdienst] is een uitzending van het programma [naam programma] uitgezonden, waarin de zaak tegen de verdachte en zijn medeverdachte onderwerp bleek te zijn. Uitgezonden is onder meer een bespreking over de verdenking tegen de verdachte, alsmede informatie over hem. Tevens is het huis van de verdachte herkenbaar in beeld gebracht. De raadsman stelt dat het filmen en delen van vertrouwelijke informatie op deze wijze de privacy van zijn cliënt in ernstige mate heeft aangetast en dat hij daar ook schade van heeft ondervonden. Daarnaast stelt de raadsman dat er sprake is van misleiding en schending van de verbaliseringsplicht, door de aanwezigheid van camera’s bij de doorzoeking en de opnames voor de uitzending niet in een proces-verbaal en daarmee in het dossier te vermelden.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Enige strafkorting is volgens haar wel op zijn plaats nu de privacy van de verdachte enigermate is geschonden.
Het oordeel van het hof Bij de beantwoording van de vraag of in onderhavige zaak sprake is van onherstelbare vormverzuimen en of daaraan rechtsgevolgen dienen te worden verbonden, stelt het hof het volgende vast.
Ingevolge artikel 359a, eerste lid, Sv kan het hof, indien blijkt dat vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de gevolgen niet uit de wet blijken, bepalen dat de straf wordt verminderd, het aldus verkregen bewijsmateriaal buiten beschouwing wordt gelaten of het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk wordt verklaard. Ingevolge artikel 359a, tweede lid, Sv houdt het hof bij die beslissing rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daarmee wordt veroorzaakt.
De rechter heeft maar zeer beperkt ruimte voor een inhoudelijke toetsing van de vervolgingsbeslissing (HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633). Niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens een onherstelbare schending van de persoonlijke levenssfeer is in deze zaak niet aan de orde. Ook is niet gebleken dat door de schending van de Wet Persoonsgegevens bewijsmateriaal is verzameld, zodat bewijsuitsluiting evenmin aan de orde is. Strafvermindering is wel een mogelijk rechtsgevolg indien er voldoende ernstige verzuimen zijn als bedoeld in artikel 359a Sv en dat is niet beperkt tot uitsluitend die gevallen waarin deze verzuimen hebben geleid tot benadeling van de verdachte in zijn strafzaak: ook ander voldoende ernstig nadeel van de verdachte kan grond bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering, aldus de Hoge Raad in het arrest van 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092. Vereist is dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, gerechtvaardigd is.
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. In de woning van de verdachte heeft een doorzoeking plaatsgevonden. Voorafgaand aan die doorzoeking was er een politiebriefing, waarbij ook het productieteam van het programma “ [naam programma] ” dat wordt uitgezonden op [streamingsdienst] , aanwezig was. Tijdens de briefing die zag op de inhoudelijke bespreking van de doorzoeking in de woning van de verdachte, zijn persoonlijke gegevens besproken met betrekking tot de verdachte en diens medeverdachte, waarbij onder andere de naam van de verdachte is genoemd en – naar het hof aanneemt – ook diens adres gelet op wat er besproken is over de doorzoeking. Hierdoor zijn er tijdens de briefing gegevens van de verdachte aan het camerateam en eventuele andere medewerkers van het productieteam verstrekt, waardoor in strijd met de Wet Persoonsgegevens privacygevoelige informatie is verstrekt aan een derde. Tenminste een deel van die briefing is ook uitgezonden in een aflevering van “ [naam programma] ”.
In het deel van de opname van de briefing dat is uitgezonden, wordt over de verdachte gesproken in termen als ware hij ‘een grote drugscrimineel’, die regelmatig vanuit het zuiden naar de randstad zou rijden in verband met drugs en in verband kon worden gebracht met internationale drugshandel, waarvoor het voorhanden strafdossier geen enkel aanknopingspunt bevat. Voorts is de woning van de verdachte in de uitzending herkenbaar (dat wil zeggen: niet ‘geblurd’) in beeld gebracht en is er niet alleen aan de buitenkant van de woning en in zijn straat, maar ook bij zijn woning van buiten naar binnen gefilmd.
Hoewel in latere herhalingen op [streamingsdienst] in de bewuste uitzending onderdelen van de woning van de verdachte wel ‘geblurd’ zijn, is ter terechtzitting gebleken dat reeds onderdelen van de aflevering ‘niet geblurd’ op social media waren geplaatst. Op TikTok is een filmpje geplaatst waarbij delen van de bewuste aflevering getoond worden. De verdachte is naar aanleiding van dit filmpje benaderd door familieleden die het filmpje aan hem getoond hebben.
Tot slot is door de politie en/of het Openbaar Ministerie niet geverbaliseerd dat er een uitzending werd gemaakt, waarbij een briefing is opgenomen waarbij voorgaande is besproken en waarbij de woning van de verdachte niet ‘geblurd’ in beeld zou worden en werd gebracht.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de identiteit van de verdachte voor de kijker in het algemeen moeilijk te herleiden is. De beelden die zijn getoond in de uitzending zullen slechts voor een beperkte kring van personen tot de verdachte te herleiden zijn geweest. De verdachte was woonachtig in een kleine gemeente, waarbij men in een beperkte kring wist dat die woning van de verdachte was. Het hof is van oordeel dat door het benoemen van bepaalde gegevens tijdens de briefing in de uitzending, waarbij de verdachte in verband is gebracht met internationale drugshandel (een op grond van het dossier niet te staven bewering) het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is geschonden. Gebleken is ook dat de verdachte hierdoor concreet nadeel van heeft ondervonden in zijn eigen woonplaats, om welke reden hij zich ook genoodzaakt heeft gezien om zijn woning te verkopen en te verhuizen. Daarnaast ondervindt de verdachte er tot op heden nadeel van, nu niet ‘geblurde’ onderdelen van de uitzending, waaronder de briefing en zijn woning, op social media worden geplaatst en de verdachte hier vervolgens op wordt aangesproken. Het hof concludeert dan ook dat er sprake is van een vormverzuim waardoor de verdachte concreet nadeel heeft ondervonden.
Verder is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in die zin dat door de politie en/of het Openbaar Ministerie is nagelaten te verbaliseren dat er een uitzending werd gemaakt, waarbij een briefing is opgenomen waarbij voorgaande is besproken en waarbij de woning van de verdachte niet ‘geblurd’ in beeld zou worden en werd gebracht.
Tot slot is sprake van een onherstelbaar vormverzuim nu – zoals hiervoor is overwogen – gedurende het voorbereidend onderzoek een cameraploeg is toegelaten tot de briefing wat is gefilmd ten behoeve van uitzending op de nationale televisie, waarbij ten overstaan van het camerateam de naam van de verdachte is genoemd, de naam van zijn medeverdachte, en naar het hof aanneemt – in het kader van deze briefing – het adres van de verdachte, dit laatste gelet op wat er is gezegd en besproken over de huiszoeking en de omstandigheid dat het camerateam ook aanwezig was bij de huiszoeking. Het hof gaat er dan ook van uit dat daarmee het ambtsgeheim is geschonden. Dit leidt tot de conclusie dat in dit opzicht sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is van een onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, waardoor de verdachte ook daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, namelijk een schending van zijn recht op privacy en zijn persoonlijke levenssfeer. De verdachte is neergezet als een drugscrimineel die met internationale drugshandel in verband wordt gebracht, terwijl dit geen bevestiging vindt in het dossier. De verdachte en zijn familie hebben verschillende negatieve reacties gekregen naar aanleiding van de uitzending, en de verdachte heeft zijn woning verkocht omdat hij zichzelf niet meer terug zag keren in dezelfde omgeving na de uitzending van de bewuste aflevering van “ [naam programma] ”. Tenslotte is het hof van oordeel dat de verbaliseringsplicht is geschonden.
Het hof ziet daarom aanleiding om strafvermindering toe te passen. Strafvermindering is in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd. Voor de mate waarin strafvermindering zal worden toegepast wijst het hof op hetgeen hierna onder ‘Strafmotivering’ is overwogen.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Met de rechtbank overweegt het hof het volgende. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het afleveren en vervoeren van ongeveer 100 kilo MDMA en van het in zijn woning aanwezig hebben van ongeveer 64 kilo MDMA en ongeveer 1.450 gram hennep. Het is algemeen bekend dat harddrugs, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast is het gebruik ervan, onder andere door de daarmee gepaard gaande criminaliteit, bezwarend voor de samenleving. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij door het vervoeren en aanwezig hebben van de MDMA heeft bijgedragen aan het in stand houden van de drugscriminaliteit en het in gevaar brengen van de gezondheid van de gebruikers.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van €3.250,00. Witwassen is een ernstig feit omdat daarmee (het vertrouwen in het) economisch verkeer wordt geschaad en het bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit en het daarmee gepaard gaande gevoel van onveiligheid in de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte mogelijk gemaakt dat illegaal verdiend geld een ogenschijnlijk legale bestemming heeft gekregen.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte ook in 2007 onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een Opiumwet feit. Dit betrof een gering feit dat is afgedaan met een geldboete van 40 euro.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte onder meer verklaard dat hij ander werk heeft gezocht, nu in loondienst is bij een kennis van zijn broer in bouw en daarnaast bij zijn broer in de horeca werkt. Voorts heeft de verdachte verklaard dat het hem zwaar valt dat zijn zus tijdens zijn detentie is overleden en dat zijn vader momenteel een slechte gezondheid heeft, en de verdachte voor hem de zorg draagt.
Vormverzuimen
Het hof acht in beginsel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend en geboden, gelet op de aard en ernst van de feiten. Het hof heeft echter meerdere vormverzuimen geconstateerd, zoals hiervoor overwogen, en daaraan de consequentie verbonden dat strafvermindering zal dienen plaats te vinden. Mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die naar voren zijn gekomen bij de behandeling van de zaak in hoger beroep, zal het hof volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke en deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van de tijd dat de verdachte reeds in detentie heeft doorgebracht.
Redelijke termijn
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep ten aanzien van de berechting in hoger beroep is overschreden. Het hoger beroep is immers op 27 september 2024 ingesteld en het hof doet uitspraak op 15 mei 2026 (ruim 19 maanden later). De verdachte heeft 18 maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht, wat meebrengt dat na het instellen van het rechtsmiddel de behandeling van de zaak op de terechtzitting in de regel binnen 16 maanden met een einduitspraak moet zijn afgerond (ECLI:NL:HR:2025:1175). Het hof is van oordeel dat er sprake is van een beperkte overschrijding en zal daarom volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof is –alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest – een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van in totaal 3.250 euro
- een personenauto, merk Peugeot, kenteken [kenteken] .
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een geldbedrag van 665 euro.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Beveelt de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, als voorzitter, mr. H.C. Wiersinga en
mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 mei 2026.
Mr. L.R.A. Besteman is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.