ECLI:NL:GHDHA:2026:1600

ECLI:NL:GHDHA:2026:1600

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 22-003802-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voldoende bewijs betrokkenheid straatroof? Relevantie aangestraalde telefoonmast en dna-spoor op kleding slachtoffer.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-003802-24

Parketnummers: 09-052683-24 en 09-243289-22 (TUL)

Datum uitspraak: 6 mei 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 november 2024 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijk straf, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Vordering van de advocaat-generaal

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

primairhij op of omstreeks 3 december 2023 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een of meerdere geldbedrag(en) en/of

- ( auto)sleutels en/of

- een of meerdere jassen inclusief inhoud en/of

- een tas en/of

- een of meerdere mobiele telefoons en/of

- een motorhelm en/of

- een uitleesapparaat,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- die [slachtoffer 1] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het gezicht te slaan en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op en/of te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, door te laden en/of

-te roepen “schiet hem in zijn been” en/of “waar is het kanker geld?” en/of “jas uit, waar is het geld? En je autosleutels?”, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen op/tegen het lichaam te slaan en/of

- de jas van die [slachtoffer 1] uit te trekken en/of de jas van [slachtoffer 2] af te pakken en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te fouilleren;

subsidiairhij op of omstreeks 3 december 2023 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van

- een of meerdere geldbedrag(en) en/of

- ( auto)sleutels en/of

- een of meerdere jassen inclusief inhoud en/of

- een tas en/of

- een of meerdere mobiele telefoons en/of

- een motorhelm en/of

- een uitleesapparaat,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n), door:

- die [slachtoffer 1] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het gezicht te slaan en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op en/of te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, door te laden en/of

- te roepen “schiet hem in zijn been” en/of “waar is het kanker geld?” en/of “jas uit, waar is het geld? En je autosleutels?”, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen op/tegen het lichaam te slaan en/of

- de jas van die [slachtoffer 1] uit te trekken en/of de jas van die [slachtoffer 2] te pakken en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te fouilleren;

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 3 december 2023 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een of meerdere geldbedrag(en) en/of

- ( auto)sleutels en/of

- een of meerdere jassen inclusief inhoud en/of

- een tas en/of

- een of meerdere mobiele telefoons en/of

- een motorhelm en/of

- een uitleesapparaat,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele die aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- die [slachtoffer 1] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het gezicht te slaan en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op en/of te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, door te laden en/of

- te roepen “schiet hem in zijn been” en/of “waar is het kanker geld?” en/of “jas uit, waar is het geld? En je autosleutels?”, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen op/tegen het lichaam te slaan en/of

- de jas van die [slachtoffer 1] uit te trekken en/of de jas van [slachtoffer 2] af te pakken en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te fouilleren;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn in het dossier gevoegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Hiertoe heeft de raadsman, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte bij de overval betrokken is geweest.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 december 2023 wordt de aangever [slachtoffer 1] via WhatsApp benaderd door een persoon die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Deze persoon geeft aan te beschikken over een Volkswagen Polo en informeert of [slachtoffer 1] geïnteresseerd is deze auto over te kopen. De aangever stemt hiermee in. De aangever en de gebruiker van het telefoonnummer komen een prijs van € 8.300,00 overeen en zij spreken die avond af in de [adres 1] voor de overdracht.

Als [slachtoffer 1] die avond samen met aangever [slachtoffer 2] ter plaatse in Rijswijk komt, worden zij door vier tot zes personen besprongen. De aangevers worden door deze personen meerdere keren geslagen en getrapt en zij worden door een van hen met een vuurwapen onder schot gehouden. [slachtoffer 2] wordt bij de keel gegrepen. De jassen van de aangevers worden afgenomen, waarna de aangevers door deze personen over hun hele lichaam gefouilleerd worden.

DNA-sporen

Het vest dat [slachtoffer 2] tijdens deze overval droeg wordt door de forensisch onderzoekers ter plaatse in beslag genomen en veiliggesteld, waarna het wordt bemonsterd en onderzocht op DNA-sporen. Het DNA van de verdachte wordt op drie plaatsen op het vest van de aangever aangetroffen, te weten bij de ingang van de borstzak (spoor #05), op de buitenkant ter hoogte van de borst (spoor #11) en aan de rechteronderzijde van het voorpand (spoor #13). Ook het DNA van de medeverdachte [medeverdachte] wordt op het vest aangetroffen, namelijk op de linker onderzijde van het achterpand (spoor #07). Dit betreft telkens een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen. Spoor #05 bestaat uit het DNA van de verdachte en van de aangever, spoor #11 bestaat uit het DNA van de verdachte, de aangever en minimaal drie andere onbekende personen en spoor #13 bestaat uit het DNA van de verdachte, de aangever en minimaal één ander, onbekend persoon.

Het hof stelt vast dat de verdediging niet betwist dat deze sporen DNA bevatten dat afkomstig is van de verdachte, maar wél betwist dat deze sporen als gevolg van de beroving op dit vest zijn terechtgekomen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte gesteld dat het aangetroffen DNA-materiaal van de verdachte op het vest van de aangever [slachtoffer 2] kan worden verklaard door een eerdere ontmoeting tussen de aangever en de verdachte. De verdediging heeft hierbij aangevoerd dat de verdachte een paar weken voor het incident betrokken is geweest bij de verkoop van een andere auto, een Renault Megane, aan de aangever [slachtoffer 1] . De verdediging stelt dat niet uitgesloten kan worden dat de aangever [slachtoffer 2] tevens bij deze koop aanwezig is geweest en dat het DNA van de verdachte bij die ontmoeting op het vest van de aangever terecht is gekomen.

Naar het oordeel van het hof is het door de verdediging geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden. Het hof stelt vast dat weliswaar vast is komen te staan dat zowel de verdachte als de aangever [slachtoffer 1] betrokken zijn geweest bij de verkoop van een Renault Megane op 15 oktober 2023, maar dat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer 2] hier tevens bij aanwezig was. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] op 5 juni 2024 bij de politie en bij de rechter-commissaris op 17 oktober 2024 blijkt immers dat hij die dag niet met [slachtoffer 2] , maar met [persoon 1] meeging om een Renault Megane op te halen. Dat [persoon 1] hierbij betrokken is geweest wordt tevens bevestigd door de door de verbalisanten geraadpleegde gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Hieruit blijkt immers dat de moeder van de verdachte tot 15 oktober 2023 een Renault Megane met kenteken [kenteken] op haar naam heeft gehad, waarna deze op 15 oktober 2023 in de bedrijfsvoorraad van [persoon 1] is komen te staan.

Op de vraag of [slachtoffer 2] bij deze verkoop betrokken is geweest antwoordt [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 2] hier buiten stond. Ook uit de verklaringen van [slachtoffer 2] kan niet afgeleid worden dat hij bij deze eerdere verkoop betrokken is geweest. Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario is dan ook niet aannemelijk geworden.

Dit brengt mee dat de aanwezigheid van deze DNA sporen op het vest van aangever [slachtoffer 2] relevant is voor de bewijsbeslissing.

Telefoonnummer [telefoonnummer 1]

Met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ) is contact onderhouden met aangever [slachtoffer 1] over de aankoop van de Volkswagen Polo op 2 december 2023.

Het hof concludeert, net als de rechtbank, dat de verdachte, als gebruiker van deze telefoon kan worden aangemerkt. Daarbij neemt het hof de volgende onderzoeksbevindingen in aanmerking.

Niet alleen drie andere telefoonnummers ( [telefoonnummer 2] , hierna: [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] , hierna: [telefoonnummer 3] , en [telefoonnummer 4] , hierna: [telefoonnummer 4] ), waarover de verdachte heeft verklaard dat hij daarvan de gebruiker was, maar ook [telefoonnummer 1] heeft op enig moment in hetzelfde mobiele toestel (met [IMEI-nummer] als eerste 14 cijfers van het IMEI-nummer) gezeten. Telefoonnummer [telefoonnummer 3] in de periode van 11 juli of 16 augustus 2023 tot en met 18 of 19 september 2023, [telefoonnummer 4] in de periode van 23 oktober 2023 tot en met 9, 11 of 12 januari 2024 (dus ook op 2 december 2023) en [telefoonnummer 1] alleen op 15 november 2023.

Telefoonnummer [telefoonnummer 1] ontvangt op 3 december 2023, de dag na de gebeurtenissen op 2 december 2023, een sms-bericht van [autoverhuurbedrijf] met een verificatiecode. [persoon 2] blijkt een klant van [autoverhuurbedrijf] te zijn, op wiens naam in de periode van 1 tot en met 7 december 2023 zes auto’s bij [autoverhuurbedrijf] zijn gehuurd. Op 14 januari 2024 heeft [persoon 2] bij de politie gemeld dat de verdachte een account op haar naam bij [autoverhuurbedrijf] had aangemaakt en heeft gereden in bij [autoverhuurbedrijf] gehuurde voertuigen. Telefoonnummer [telefoonnummer 4] , waarover de verdachte heeft verklaard dat hij daarvan de gebruiker was, heeft op 30 november 2023 een afbeelding gestuurd waarop een telefoon te zien was met een [autoverhuurbedrijf] share account, dat toebehoort aan [persoon 2] .

Het telefoonnummer, waarvan hierna zal worden overwogen, dat het in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte] , heeft zowel [telefoonnummer 1] als [telefoonnummer 4] in de contacten opgeslagen als “ [bijnaam verdachte] ”, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij [telefoonnummer 4] in gebruik had, als voornaam [voornaam verdachte] heeft, [e-mailadres 1] als e-mailadres gebruikt en zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting in hoger beroep zegt dat hij soms [bijnaam verdachte] wordt genoemd.

Uit onderzoek van de politie is voorts gebleken dat een ex-vriendin van de verdachte, met wie hij tot het voorjaar van 2023 een relatie had, een mobiel toestel (inclusief abonnement) voor hem heeft betaald. Uit het IMEI nummer van dit toestel blijkt dat het nummer [telefoonnummer 1] in relatie tot dit toestel is gebruikt.

Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] op 2 december 2023 om 21:37 uur in verbinding was met de zendmast op de Maasstraat 5 te Den Haag en om 22:16 uur met de zendmast op de Tulpstraat 2 te Rijswijk.

Telefoonnummer [telefoonnummer 5]

Het hof trekt – met de rechtbank – de conclusie dat medeverdachte [medeverdachte] als gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 5] (hierna: [telefoonnummer 5] ) kan worden aangemerkt. Daarbij neemt het hof de volgende onderzoeksbevindingen in aanmerking:

Het mobiele toestel (een Apple iPhone 13) gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer 5] is op 3 april 2024 aangetroffen bij de aanhouding van de verdachte in een andere zaak. Aan de telefoon zijn e-mailadressen gekoppeld, te weten [e-mailadres 2] , [e-mailadres 3] en [e-mailadres 4] , die evident wijzen op [medeverdachte] als gebruiker. Daar komt bij dat de gebruiker van de telefoon zich in chats [voornaam medeverdachte] en [bijnaam medeverdachte] noemt.

Het telefoonnummer [telefoonnummer 5] heeft op 2 december 2023 om 22:02 uur gebruik gemaakt van de Cell-ID op de [adres 1] te Rijswijk en om 22:20 uur op die van het [adres 2] te Rijswijk.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de medeverdachte [medeverdachte] zich ten tijde van de beroving in de directe omgeving van de [adres 1] te Rijswijk bevond.

Signalement

Door de raadsman is voorts betoogd dat een contra-indicatie voor de betrokkenheid van de verdachte gevonden kan worden in de omstandigheid dat de verdachte door de aangevers niet als een van de overvallers is herkend en hij tevens niet binnen het door de aangevers gegeven signalement past.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

De aangevers hebben bij de politie verklaard dat zij door minstens vier jongens werden aangevallen. Daarbij hebben zij een signalement gegeven voor een deel van deze jongens. Bij de rechter-commissaris verklaart [slachtoffer 2] dat de jongens gezichtsbedekking hadden, dat zij een capuchon droegen en dat een deel van de jongens iets voor hun mond droeg. Hier komt bij dat de overval op 2 december 2023 na 22:00 uur ’s avonds plaatsvond, dat de overval slechts enkele minuten heeft geduurd en dat zij uit het niets door de belagers werden besprongen.

Naar het oordeel van het hof wordt de betrokkenheid van de verdachte bij de overval – gelet op het voorgaande – dan ook niet uitgesloten doordat hij niet door de aangevers werd herkend.

Conclusie

De aangetroffen DNA-sporen van de verdachte op het vest van [slachtoffer 2] , bezien in onderling verband en samenhang met de verdachte betreffende telefoon- en mastgegevens, worden door het hof aangemerkt als dadersporen.

Naar het oordeel van het hof staat het op grond van de gebezigde bewijsmiddelen buiten redelijke twijfel dat de verdachte één van de mannen is geweest die de aangevers met geweld heeft beroofd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal. Daarbij is sprake geweest van geweld en bedreiging met geweld, waarbij tevens gebruik is gemaakt van een vuurwapen. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Dat dit in het onderhavige geval ook zo is, blijkt uit hetgeen door de advocaat van de benadeelde partijen ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die voortvloeien uit het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 24 oktober 2025, opgemaakt in een andere zaak van de verdachte, en hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. De verdachte woont momenteel met zijn partner en hun zoontje in een woning in Amsterdam. Hij ontvangt begeleiding vanuit de reclassering en is bezig met het aflossen van zijn schulden. De reclassering adviseerde de verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan schuldhulpverlening en een ambulante behandeling bij De Waag indien de toezichthouder dat noodzakelijk acht.

Het hof heeft verder acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Conclusie

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest – een passende en geboden reactie vormt.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 9.999,66.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een deel van de vordering tot een bedrag van € 3.999,66 van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 999,66 materiële schade is geleden. De vordering heeft betrekking op de post ‘Canada Goose parka’ en ‘iPhone 8’. Uit het dossier blijkt dat de telefoon van de aangever is gestolen en is voldoende onderbouwd dat de telefoon – mede gelet op de afschrijving – € 121,00 waard is. [slachtoffer 2] heeft voorts direct in zijn aangifte op 3 december 2024 verklaard dat bij hem een Canada Goose jas is weggenomen waar hij nog een bonnetje van heeft. Bij de vordering is een foto van een bonnetje van de Canada Goose jas, gedateerd 21 april 2023, gevoegd, gekocht in Rotterdam bij de [kledingwinkel] aan de Korte Lijnbaan, waardoor naar het oordeel van het hof de waarde van de weggenomen jas voldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft een afschrijving toegepast waardoor de huidige waarde op € 878,66 wordt geschat. Het hof volgt die schatting en zal de vordering voor zover deze op deze jas betrekking heeft dus toewijzen. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk tot het bedrag van € 999,66 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor zover de vordering ziet op het geldbedrag van € 5.000,00 dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu onvoldoende is onderbouwd dat de aangever dit contante geldbedrag bij zich had.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft voorts vergoeding van de immateriële schade gevorderd, tot een bedrag van € 4.000,00. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder bewezenverklaarde.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De beroving is gepaard gegaan met geweld, gepleegd door minimaal vier jongens/mannen. Zij hebben geslagen met vuisten en getrapt. De benadeelde partij heeft als gevolg hiervan blijkens de aangifte pijnklachten, nekklachten en klachten aan zijn kaak. Verder is de benadeelde partij bij zijn keel gepakt en kreeg hierdoor minder lucht.

Ook is de benadeelde partij over zijn hele lichaam gefouilleerd en bedreigd met een pistool.

Gesteld is dat hij als gevolg daarvan doodsangsten heeft uitgestaan en nog steeds gebukt gaat onder de mentale gevolgen van deze gebeurtenissen. Dit is echter niet onderbouwd door enige verklaring uit de curatieve sector of geestelijke gezondheidszorg. Bij gebreke hiervan neemt het hof geen aantasting in de persoon op andere wijze aan. Wel kleurt de bedreiging met een pistool de ernst en intensiteit van het jegens de benadeelde partij uitgeoefende geweld en wordt dit op deze wijze meegewogen.

Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal.

De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij afgewezen te worden.

Kostenveroordeling

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.999,66 hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 19.171,45.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een deel van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 11.300,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 8.300,00 materiële schade is geleden. Dit betreft de gevorderde schadepost voor het contante geld dat van de benadeelde partij bij de overval is weggenomen. Naar het oordeel van het hof is deze schadepost voldoende onderbouwd. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij met de verdachte een afspraak had gemaakt een auto voor dit bedrag over te kopen en dat hij dit met contant geld zou doen. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij ter onderbouwing van de materiële schadeposten ‘Moose Knuckles jas’, ‘Parajumpers jas’ en ‘Woolrich jas’ telkens slechts een screenshot van een website, en geen bon met daarop de aankoopdatum, over heeft gelegd. Uit deze screenshots kan niet worden afgeleid wanneer en voor welke prijs de jassen indertijd zijn gekocht. De schadepost ‘Louis Vuitton soft trunk tas’ is in het licht van de omstandigheid dat de benadeelde partij ten tijde van de aanschaf daarvan 15 jaar oud zou zijn geweest eveneens onvoldoende onderbouwd.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag € 8.300,00 hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft voorts een vordering tot vergoeding van de immateriële schade gevorderd, tot een bedrag van € 4.000,00. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder bewezenverklaarde.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De beroving is gepaard gegaan met geweld, gepleegd door minimaal vier jongens/mannen. Zij hebben geslagen met vuisten en getrapt. De benadeelde partij is met een pistool geslagen in het gezicht. Voor hij het wist zaten er vier man op zijn gezicht te beuken. Hij hoorde iemand zeggen: ”Schiet hem in zijn been”. Hij hoorde iemand anders zeggen: “Nee, wacht met schieten tot je alles hebt.” Hij weet dat vaker is gezegd: “Schiet hem dood, schiet hem dood.” Hij heeft volop klappen gehad. Als gevolg hiervan is blijkens de aangifte zijn lip aan de binnenkant gescheurd en heeft hij pijn aan de linker kaak en linker oogkas. Ook nadat hij gefouilleerd was en zijn jas was uitgedaan, werd hij volop geslagen. Het pistool is doorgeladen.

Gesteld is dat de benadeelde partij als gevolg van deze gebeurtenissen doodsangsten heeft uitgestaan. Hij heeft zijn werkwijze aangepast en zijn garage verplaatst en gaat nog steeds gebukt onder de mentale gevolgen van deze gebeurtenissen. Dit is echter niet onderbouwd door enige verklaring uit de curatieve sector of geestelijke gezondheidszorg. Bij gebreke hiervan neemt het hof geen aantasting in de persoon op andere wijze aan. Wel kleuren de bedreigingen en het gebruik van een pistool de ernst en intensiteit van het jegens de benadeelde partij uitgeoefende geweld en wordt dit op deze wijze meegewogen.

Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal.

De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij afgewezen te worden.

Kostenveroordeling

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 11.300,00 hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] .

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2023 onder parketnummer 09-243289-22 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met bevel dat een deel van die gevangenisstraf, te weten drie maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is in beginsel gegrond.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, is het hof van oordeel dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.999,66 (drieduizend negenhonderdnegenennegentig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 999,66 (negenhonderdnegenennegentig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.999,66 (drieduizend negenhonderdnegenennegentig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 999,66 (negenhonderdnegenennegentig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 december 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 11.300,00 (elfduizend driehonderd euro) bestaande uit € 8.300,00 (achtduizend driehonderd euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.300,00 (elfduizend driehonderd euro) bestaande uit € 8.300,00 (achtduizend driehonderd euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 81 (eenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 december 2023.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2023 parketnummer 09-243289-22, met een termijn van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz, als voorzitter, mr. H.C. Plugge en mr. C.H.M. Royakkers, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2026.

Mr. H.C. Plugge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.C. Plugge
  • mr. C.H.M. Royakkers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand